| 1.
Inleiding
Gezien de ingrijpende effecten
die de mens heeft op de haar omringende natuur, heeft zij de verantwoordelijkheid
deze te beschermen en verstandig te beheren. Daarnaast is de natuur een
voorwaarde voor het bestaan en het welzijn van de mens en voor de ontwikkeling
van haar economische basis.
Biologische diversiteit, de verscheidenheid tussen en binnen soorten, de verscheidenheid van de leefgemeenschappen en hun omgeving, met voldoende ruimte om te kunnen evolueren, zijn voorwaarden voor het goed functioneren van de natuurlijke processen. De Nederlandse Antillen streven dan ook een beleid na van beheer en bescherming van de natuur, waarbij de biologische diversiteit centraal staat. Een eerste aanzet tot een coherent beleid is gedaan in de nota “Contouren van het Milieu- en Natuurbeleid van de Nederlandse Antillen”, die in 1996 door de regering is aangenomen. In 1998 heeft de Staten van de Nederlandse Antillen de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming (PB 1998, Nº 49) aangenomen. Eén van de eisen volgend uit deze landsverordening is het vaststellen van een vijfjaarlijks nationaal natuurbeleidsplan (artikel 2). Onderhavig document geeft uitvoering aan het gestelde en is een nadere invulling van de geschetste contouren. Evenzo (artikel 9) zullen binnen twee jaar na het in werking treden van de Landsverordening Natuurbeheer en –bescherming eilandelijke natuurplannen worden ontwikkeld en vastgesteld, die in overeenstemming zijn met de geschetste contouren en nader zijn toegespitst op eilandspecifieke zaken. Zodra vastgesteld zullen deze natuurplannen deel uitmaken van het nationale natuurbeleidsplan. De acties die volgen uit de beleidsvoornemens zijn voorzien van een *. In paragraaf 11 is een overzicht van alle acties opgenomen. |
| 4.
Het raamwerk
Ten behoeve
van de bescherming van de inheemse fauna en flora en met het oog op het
behoud van de biodiversiteit en het beheer van ecosystemen en habitats
is de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming tot stand
gekomen. Het doel van de verordening is tweeledig: een moderne en integrale
aanpassing van de wetgeving op natuurgebied en nationale implementatie
van de verschillende natuurverdragen.
Daarbij kan niet voorbij worden gegaan aan het belang van het instrument van de ruimtelijke ordening. Planning die de bestemming van gebieden aangeeft, biedt—mits goed doordacht—de mogelijkheid om het spanningsveld tussen de verschillende activiteiten weg te nemen. Een goede ruimtelijke ordening houdt rekening met de samenhang tussen gebieden, zowel op het land als te water, en houdt rekening met de invloed van in die gebieden toegestane activiteiten op omliggende gebieden. Totstandkoming van dergelijke ruimtelijke ontwikkelingsplannen zal dan ook ondersteund worden. De Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming biedt de overheid de wettelijke mogelijkheden om het gewenste beleid uit te voeren. De verplichtingen voortvloeiend uit de verschillende verdragen, worden door middel van dynamische verwijzing in de nationale regelgeving toegepast en dienen rechtstreeks door te werken in de eilandelijke regelgeving. De taken van het natuurbeleid liggen volgens de Eilandenregeling Nederlandse Antillen (ERNA) en de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en –bescherming, primair bij de eilandgebieden. Het land is verantwoordelijk voor een consistent natuurbeleid voor de gehele Nederlandse Antillen en dient dit zichtbaar te maken in een natuurbeleidsplan dat elke vijf jaar wordt herzien. De verdere ontwikkeling van het natuurbeleid en de uitvoering ervan, worden tot de taken van de eilandgebieden gerekend. Het land ziet erop toe dat de eilanden hieraan voldoen. Zo dienen de eilandgebieden binnen de voorgeschreven tijdlimiet van twee jaren na de inwerkingtreding van de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming een natuurplan* en een eilandelijke natuurverordening* vast te stellen. Ook dienen de eilanden aan te geven welke soorten en gebieden bescherming behoeven* op het betreffende eiland—voor zover zij niet al internationaal een beschermde status hebben—en daarvoor zorg te dragen. Daarnaast dienen de eilanden—mede vanuit verdragsverplichtingen—regels te stellen inzake milieu effect rapportages (MERs) * en tenslotte dienen de eilanden toezichthouders en opsporingsambtenaren aan te wijzen* ten behoeve van de naleving van de eilandelijke regels en voorschriften. Het land kan hierin facilitair en gidsend optreden naast haar eigen toezichtfuncties. Een Commissie Natuurbeheer en -bescherming*, zoals omschreven in de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming, waaraan het land en de eilandgebieden participeren, dient ter controle en stimulering van de voortgang van het natuurbeleid. Over de voortgang van het beleid dient jaarlijks verslag te worden gedaan* aan de Staten van de Nederlandse Antillen (artikel 2 Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming). In gebieden buiten het territoir van de eilanden, maar binnen de jurisdictie van de Nederlandse Antillen is het land verantwoordelijk voor het behoud en beheer van de biodiversiteit. |
| De
Nederlandse Antillen heeft medegelding gezocht bij verschillende verdragen.
Vanuit haar visie over het natuurbeheer ondersteunt zij deze verdragen
ten volle en zal ze ten uitvoer brengen.
4.2.1
Biodiversiteitsverdrag
Het doel van dit verdrag is het behoud van de biologische diversiteit, het duurzame gebruik ervan en de eerlijke en billijke verdeling van de kennis en de voordelen die ontstaan uit het gebruik van de genetische rijkdommen. Hierbij moet tevens de toegang tot de genetische rijkdommen en de overdracht van de relevante technologie geregeld worden. Daarbij heeft dit verdrag een belangrijk element voor de financiering van de kosten van uitvoering in het Global Environmental Facility (zie § 10). Het belang van biologische diversiteit voor een duurzame ontwikkeling ligt op verschillende vlakken. Belangrijk zijn natuurlijk de ethische en esthetische aspecten van het behoud van de natuur. Voor een groot deel zijn economische activiteiten gebaseerd op het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Vernietiging of uitputting van die hulpbronnen zal natuurlijk het einde betekenen van die activiteiten. Maar daar bovenop zal vernietiging van natuurlijke rijkdommen die nu niet direct van economisch nut lijken, toekomstige ontwikkelingen in gevaar brengen. Ontwikkeling
zal voor een groot deel gebaseerd zijn op activiteiten die nu nog niet
ontplooid worden en dus ook op natuurlijke hulpbronnen waarvan men nu de
directe economische waarde nog niet kan inschatten. “Voorbeelden” van nog
niet bekende waarden zijn het duidelijkst in de farmacie. Veel medicijnen
worden verkregen uit natuurlijke organismen of zijn gebaseerd op genetische
informatie verkregen uit natuurlijke organismen, ofwel de genetische hulpbronnen.
Slechts een beperkt deel van die genetische hulpbronnen is nu bekend. Bij
elk uitsterven van een soort—vele per jaar—gaan er genetische hulpbronnen
verloren en dus potentiële medicijnen.
4.2.2
CITES
Op Appendix I staan soorten die bedreigd zijn en waar geen commerciële handel in mogelijk is. Soorten staan op Appendix II omdat ze ofwel in de gaten gehouden moeten worden teneinde niet bedreigd te raken, ofwel om de controle op bedreigde soorten te verbeteren. De soorten op appendix III zijn erop geplaatst door bepaalde landen; alleen handel in exemplaren vanuit die landen wordt strikt gecontroleerd. Op de Nederlandse Antillen worden de soorten die op Appendix I van CITES voorkomen strikt beschermd. Naast een aantal walvissen zijn dit vijf soorten zeeschildpadden, de Slechtvalk—een zeldzame wintergast—en de Bonaireaanse Lora. 4.2.3
Bonn
4.2.4
Ramsar of Wetlands Conventie
Bij de ratificatie door het Koninkrijk zijn vijf gebieden in de Nederlandse Antillen aangewezen als “Ramsar” gebied. Deze liggen allen op Bonaire: Slagbaai, Goto, Klein Bonaire met omringende zee, Lac en het Pekelmeer met de Flamingo Sanctuary. De Flamingo is een centraal element in alle Ramsar gebieden op de Nederlandse Antillen. Tevens is deze vogel een belangrijk element in de Ramsar gebieden in Venezuela (Refugio de Fauna de Cuare en Los Olivitos), waarbij er een constante migratie is tussen beide landen. 4.2.5
SPAW
Het protocol is nog niet van kracht. In het kader van het SPAW “Regional Programme” worden reeds diverse programma’s in de regio ontwikkeld en uitgevoerd met betrekking tot het—vooral mariene—natuurbeheer. Invulling van het SPAW verdrag zal conform de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming vooral op eilandelijk niveau plaatsvinden. Het land dient er op toe te zien dat dit ook gebeurt. 4.2.6
Inter-Amerikaans Zeeschildpadden Verdrag
Het belangrijkste aspect waarin dit verdrag verder gaat dan andere verdragen is het verplichten van zeeschildpad ontsnappingsmechanismen (ZOMs, in het Engels: Turtle Excluder Devices—TEDs) in netten voor de garnalenvisserij. Deze apparaten moeten bijvangst van zeeschildpadden voorkomen. Vooralsnog wordt er in de wateren van de Nederlandse Antillen niet op garnalen gevist en is geen actie vereist. Van al deze verdragen dient de Nederlandse Antillen op gezette tijden te rapporteren aan de verdragssecretariaten*. |
| 5. Beheer en bescherming Het wettelijk veiligstellen van gebieden en de wettelijke bescherming van soorten is het centrale element in het natuurbeheer op de Nederlandse Antillen. | |
Een beschermd
gebied is een areaal van land of zee, dat speciaal is gewijd aan de bescherming
en het beheer van biologische diversiteit en van natuurlijke en daaraan
verbonden culturele rijkdommen, die beheerd worden door middel van wettelijke
of anderszins effectieve wijzen (IUCN, 1994).
Internationaal worden er een aantal categorieën van beschermde gebieden onderscheiden afhankelijk van hun beheersdoelstelling (IUCN, 1994).Aanwijzing en wettelijke bescherming van natuurgebieden* is het prerogatief van de eilandsraad van een eiland. Het is van belang dat er op elk eiland een netwerk van beschermde gebieden is, volgens verschillende categorieën, waarbij rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang tussen die gebieden en waar moet worden voorkomen dat soorten in een bepaald beschermd gebied in een isolement raken. Gestreefd dient te worden naar het behouden en beschermen van een ecologische hoofdstructuur op elk eiland, bestaande uit beschermde gebieden, bufferzones en verbindingsgebieden. Een natuurgebied met voldoende omvang—in vergelijking met het eiland–, een natuur die representatief is voor het eiland, met voldoende diversiteit en waarvan het beheer goed geregeld is, kan het predikaat “Nationaal Park” krijgen. Om het predikaat “Nationaal Park” te verkrijgen, dienen aan de volgende voorwaarden en procedures te worden voldaan:Vooralsnog is slechts één terrestrisch gebied als Nationaal Park erkend, The Quill op St. Eustatius. Daarnaast zijn er twee mariene parken erkend als Nationaal Park, bij Saba en Bonaire. In de planperiode zal getracht worden om het netwerk van Nationale Parken uit te breiden*. Hierbij valt te denken aan het Christoffel Park op Curaçao, het Washington Slagbaai Park op Bonaire, ‘the Hillsides” op St. Maarten en het Muriel Thissel Park en Mount Scenery op Saba, alsmede een marien park bij respectievelijk St. Maarten, St. Eustatius en Curaçao. Ook bestaat de mogelijkheid dat het gebied niet in aanmerking komt als Nationaal Park, maar wel op verzoek van de eilandsraad aangemeld wordt bij een daartoe relevante internationale organisatie, bijvoorbeeld het Ramsar Bureau. In het kader van artikel 5 van het Ramsar Verdrag dienen met Venezuela afspraken te worden gemaakt over het beheer van de Ramsar gebieden—er is een constante migratie van Flamingo’s tussen beide landen*. Tevens dienen met de beheerder van de Flamingo Sanctuary afspraken te worden gemaakt inzake het beheer*, omdat dit gebied een belangrijke broedplaats is van de Flamingo. Tevens zal tijdens deze planperiode
in samenwerking met de eilandgebieden de wenselijkheid bekeken worden om
nieuwe watergebieden aan te wijzen als Ramsar gebied*.
In aanmerking hiervoor kunnen komen: Jan Thiel en Jan Kok, beide op Curaçao.
|
|
| Naast een netwerk
van beschermde gebieden is de instelling van vooralsnog “multi-purpose”
gebieden van belang—vergelijk met IUCN categorie VI—waarin
de werkwijze van de “ecosystem approach” kan worden uitgewerkt. De essentie
van deze werkwijze is het primair kijken naar de functie en het functioneren
van het ecosysteem en de natuurlijke rijkdommen zodanig gebruiken dat deze
essentiële functies behouden blijven. Hierbij zijn mensen een integraal
onderdeel van het ecosysteem. Het verdrag inzake biologische diversiteit
heeft de benadering vanuit het ecosysteem aangemerkt als het primaire raamwerk
voor actie, die conform dit verdrag uitgevoerd zal worden. Hiermee zal
dan ook inhoud gegeven kunnen worden aan artikel 14 van de Landsverordening
Grondslagen Natuurbeheer en –bescherming.
De ecosysteembenadering heeft als voordeel dat de natuur niet in een glazen kast gaat. Tevens wordt een zo groot mogelijke diversiteit behouden, omdat niet alleen gekeken wordt naar soorten met een hoge charismatische waarde (‘aaibaarheid’), maar naar het hele systeem. Bescherming van gebieden en soorten is een belangrijk onderdeel van het natuurbeleid. Echter in kleine en relatief dichtbevolkte gebieden met een grote diversiteit en interactie, is het moeilijk om de gehele diversiteit te behouden op de klassieke wijze met wettelijke bescherming van gebieden en soorten. Er dient namelijk ook rekening gehouden te worden met het optimaal en duurzaam gebruik van de biologische diversiteit en met een eerlijke verdeling van de voordelen. Hier biedt de ecosysteem-benadering een goed alternatief. In de planperiode zal een aanzet worden gemaakt met de ecosysteem-benadering. Daartoe zullen enkele van de volgende ecosystemen worden geïnventariseerd*: koraalriffen, binnenwateren en saliña’s, montane gebieden en landbouwarealen. Van deze ecosystemen op de Nederlandse Antillen zal een beschrijving worden samengesteld uitgaande van een aantal parameters: |
|
| De Saba Bank
bevindt zich voor een derde deel in de territoriale wateren van Saba en
voor tweederde deel in de Economische Visserij Zone (EFZ, Economic Fishery
Zone) van de Nederlandse Antillen. Daarmee valt het gebied voor het grootste
deel niet onder verantwoordelijkheid van enig eilandgebied, maar rechtstreeks
onder de verantwoordelijkheid van het Land. Het gebied kent uitgestrekte
koraalriffen en is van groot belang voor de visserij, zowel op bodem- en
rifvis, kreeft en karkó. Ook als bron van eieren en larven van vis,
kreeft, karkó, koralen en andere dieren—niet alleen voor het gebied
zelf, maar waarschijnlijk voor de hele regio—is de Saba Bank van groot
belang. Vermoedelijk is het ook een belangrijk foerageergebied voor bedreigde
zeeschildpadden en mogelijkerwijs is het een paargebied voor walvissen.
Er dient dan ook zo spoedig mogelijk een beheersplan*
voor het gebied te komen, zowel voor een duurzame visserij als ter bescherming
van de biodiversiteit van het gebied. Teneinde dit doel te bereiken wordt
op dit moment onderzoek gedaan naar de visserij op de Bank. Dit onderzoek
moet in juni 2000 een voorlopig resultaat leveren over de stand van zaken
in de visserij en de te nemen maatregelen voor een duurzaam beheer hiervan.
Daarnaast zullen fondsen gezocht moeten worden om te starten met een inventarisatie
van de biodiversiteit* van de Saba Bank. De verschillende
habitats van de Bank, van koraalrif tot wiervlakten, moeten in kaart gebracht
worden, foerageergebieden voor schildpadden dienen geïdentificeerd
te worden, evenals andere bijzondere of kwetsbare subgebieden. Uit de resultaten
van dit biodiversiteitsonderzoek en het visserijonderzoek zal uiteindelijk
een integraal beheersplan opgesteld worden voor de Saba Bank als “multi-purpose”
gebied, gebaseerd op de ecosysteem-benadering en duurzaam gebruik van natuurlijke
hulpbronnen.
Nu reeds duiden de resultaten
van het visserijonderzoek op de Bank er op dat overbevissing plaatsvindt.
Het is dan ook niet verantwoord om nieuwe visvergunningen voor het gebied
uit te geven. Tevens zal de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba
verzocht worden de Bank intensief te blijven controleren op illegale visserij.
|
|
| Voor het behoud
van de biologische diversiteit is een netwerk van beschermde gebieden noodzakelijk
waarbij in eerste instantie uitgegaan moet worden van duurzaam gebruik
van de natuur, in het algemeen gebaseerd op de ecosysteem-benadering (zie
§ 5.2). Toch zal het altijd voorkomen dat enkele soorten verdere wettelijke
bescherming behoeven om te voorkomen dat zij verdwijnen, waardoor de biologische
diversiteit wordt aangetast. De oorzaak hiervan kan liggen in de kwetsbaarheid
van de soort doordat ze endemisch is in een beperkt gebied of hoge eisen
stelt aan het leefgebied waaraan niet altijd gemakkelijk kan worden voldaan.
Daarbij kunnen exemplaren of produkten van een soort een dermate commerciële
of andere waarde bezitten, dat mensen die soort op een dusdanig onverantwoorde
wijze verzamelen of jagen, dat het voortbestaan van die soort in het wild
in het geding komt. In dergelijke gevallen wordt het noodzakelijk dat die
soort een bijzondere behandeling krijgt door middel van wettelijke bescherming.
Om een goed beeld te verkrijgen van de biodiversiteit zal een aanvang worden gemaakt met een soorteninventarisatie* en een soortendatabestand*. Tevens moeten hulpmiddelen voor de identificatie van soorten* worden samengesteld. Verschillende soorten die op mondiaal niveau bedreigd zijn, dienen volledig beschermd te worden volgens de verschillende verdragen. Men denke hier in de eerste plaats aan de soorten die genoemd zijn in Appendix I van CITES en het Bonn verdrag en de annexen I en II van het SPAW protocol*. Voor de soorten op CITES appendix II en SPAW annex III moeten beheersvoorschriften opgesteld worden* of, indien de soort hier duidelijk bedreigd is, moet een volledig wettelijke bescherming ingesteld worden. Vanuit het Land zal de soortsbescherming voornamelijk uitgevoerd worden bij de implementatie van het CITES verdrag. In alle soorten die op de appendices van CITES voorkomen, kan slechts internationaal gehandeld worden met een vergunning afgegeven door de beheersinstantie. In soorten op appendix I kan niet gehandeld worden voor commerciële doeleinden. Voor soorten op appendix II kan slechts een vergunning afgegeven worden, indien de wetenschappelijke autoriteit aangeeft dat deze handel het voortbestaan van de soort in het wild niet in gevaar brengt. De wetenschappelijke autoriteit is een bij de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming ingestelde groep van deskundigen, die naast het aangeven of de export van soorten het voortbestaan van de betreffende soorten niet schaadt, onder meer tot taak heeft te adviseren over de identificatie van soorten. De wetenschappelijke autoriteit houdt ook toezicht op de afgifte van vergunningen en de daadwerkelijke export van soorten, om te voorkomen dat soorten in hun voortbestaan bedreigd raken. Daarnaast kan zij desgevraagd ook over andere zaken betreffende natuurbeheer en –bescherming adviseren. De mate van lokale bescherming van de planten- en diersoorten op Appendix II zal afhangen van de noodzaak. Vooral de soorten die daar geplaatst zijn om de controle in handel van andere soorten te verbeteren zullen niet altijd beschermd hoeven te worden (de cactus Opuntia wendtiana—prickly pear/infrou/tuna—b.v., staat weliswaar op lijst II als onderdeel van de cactusfamilie, maar is bepaald niet bedreigd op onze eilanden). Soorten die op de Nederlandse Antillen bedreigd zijn en waar handel een rol speelt, kunnen door de eilandgebieden eventueel voorgedragen worden om voor de Nederlandse Antillen op Appendix III geplaatst te worden. Zolang de Nederlandse Antillen zelf geen soorten op appendix III heeft geplaatst kunnen alle legaal aanwezige exemplaren op die lijst een vergunning krijgen als zijnde een bewijs van oorsprong. Teneinde vast te stellen welke exemplaren van soorten op de CITES I lijst nu op de Nederlandse Antillen in bezit aanwezig zijn, zal registratie* van deze exemplaren geschieden. Dit is een verplichting in de landsverordening om er zorg voor te dragen dat alleen exemplaren die legaal conform CITES geïmporteerd of geregistreerd zijn en hun nakomelingen in aanmerking kunnen komen voor een exportvergunning. Ook soorten die op lijst I of II van het SPAW protocol staan, zullen geregistreerd worden. De eilanden moeten eveneens bepalen welke andere soorten bedreigd zijn en dienen deze wettelijk te beschermen*. Om hen hierin behulpzaam te zijn zal het land een nationale versie opstellen van een rode lijst van bedreigde soorten*, waarbij tevens is aangegeven welke de oorzaken zijn van de achteruitgang van de soort. Deze zal worden opgesteld conform de criteria van de “Red List” van de World Conservation Union (IUCN). IUCN hanteert de volgende indeling van soorten, die een weergave zijn van de status van soorten die op mondiaal niveau bedreigd worden.EX – extinct: uitgestorvenVoor het bepalen van de status van de soort zijn er criteria vastgesteld, die voor de nationale situatie moeten worden aangepast. De lijsten die tot nu gepubliceerd zijn (IUCN, 1996) zijn niet uitputtend. |
|
| Op wereldschaal
vormt de bewuste of onbewuste introductie door de mens van vreemde soorten
één van de grootste bedreigingen voor de biologische diversiteit.
Dit geldt te meer voor kleine eilanden. Immers soorten die zich lange tijd
in relatieve isolatie hebben kunnen ontwikkelen, kunnen des te gemakkelijker
worden verdrongen door de binnendringers. Op de Nederlandse Antillen
zijn hier al voorbeelden van zoals de Palu di Lechi (Cryptostegia grandiflora)
op Curaçao en Bonaire en de Mongoose op St. Maarten. Op Curaçao
lijkt het erop dat de eigen Chonchorogai langzaam aan wordt verdrongen
door de Europese Huismus. De Huismus is nu ook in grote getale op Bonaire
terecht gekomen. Niet alleen dergelijke planten en dieren zijn geïntroduceerd,
maar ook verschillende planten- en dierenziekten. De Pink Mealy Bug die
onlangs is geïntroduceerd op verschillende eilanden, tastte oorspronkelijk
veel (uitheemse) tuinplanten aan, maar is nu ook te vinden op inheemse
bomen.
Op het land, maar ook in
zee kan de introductie van exotische soorten problemen opleveren. Een mogelijke
vector hierbij is het ballastwater van schepen, maar ook ontsnapping van
voor aquacultuur geïntroduceerde soorten is een mogelijkheid.
Een aanzet voor wetgeving inzake de controle van introducties is het ontwerp voor de Landsverordening Fytosanitaire Regels, weliswaar vooral betrekking hebbend op introductie van plantenziekten. Verdere regelgeving voor de controle op de invoer van planten en dieren* in het algemeen zou gewenst kunnen zijn. Hoewel binnen het kader van het CITES verdrag en de daaraan verbonden registratie van soorten er enige controle uitgeoefend kan worden inzake de introductie van vreemde soorten voor zover ze op de lijsten van dit verdrag staan, zal het voorkómen van introducties toch voornamelijk een kwestie zijn van voldoende bewustmaking van de autoriteiten en de bevolking. Wat betreft de introductie
van vreemde soorten in zee via ballastwater, is de International Maritime
Organization (IMO) bezig met het opstellen van richtlijnen voor ballastwater.
De mogelijkheid bestaat dat deze richtlijnen ondergebracht worden in een
bestaand (Marpol) of apart verdrag. Vooruitlopend hierop kunnen enkele
van die richtlijnen hier al uitgevoerd worden. Zo kunnen de eilanden schepen
verbieden om water uit de kustgebieden van elders hier te lozen. Dit kan
het gemakkelijkst door het ballastwater op open zee te vervangen. In geval
bepaalde schepen door hun bouw hier problemen mee zouden hebben, zouden
zij de verplichting kunnen krijgen om het water te filteren, dan wel een
andere effectieve methode te gebruiken, alvorens het te lozen. Zo heeft
Bonaire civielrechtelijk geregeld dat ballastwater niet in de territoriale
wateren mag worden geloosd.
|
|
| De toegang tot
genetische hulpbronnen op gezamenlijk overeengekomen voorwaarden (mutually
agreed terms—MAT), toegang tot en overdracht van technologie en behandeling
van biotechnologie en verspreiding van haar voordelen, worden in de artikelen
15, 16 en 19 van het Biodiversiteitsverdrag aan de orde gesteld.
Artikel 14 van de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming delegeert de uitvoering van deze zaken naar de eilandsraden van de eilandgebieden. Ten behoeve van de synchronisatie van de uitvoering binnen de Nederlandse Antillen maar ook op regionaal niveau, zullen tijdens de planperiode, in samenwerking met de eilandgebieden, richtlijnen ontworpen worden voor het vaststellen van de voorwaarden waarop er gebruik gemaakt kan worden van de genetische hulpbronnen en aanverwante elementen van de natuur*. De discussie die hierover plaats vindt binnen het kader van het Biodiversiteitsverdrag zal dienen als basis voor de nationale discussie. |
| 6.
Onderzoek
Bij diverse
aspecten van het natuurbeleid speelt beleidsondersteunend wetenschappelijk
onderzoek* een centrale rol. Gezien het belang van
het onderzoek en de noodzaak om efficiënt met de beperkte middelen
om te gaan zal de regering een nota natuuronderzoek opstellen*.
Deze zal gebaseerd zijn op de verplichtingen vanuit de verschillende verdragen
en de behoefte aan onderzoek ten behoeve van het natuurbeheer op de diverse
eilanden.
Hierbij dient in de eerste plaats gedacht te worden aan inventarisatie van soorten als basis voor de beoordeling inzake de noodzaak tot wettelijke bescherming dan wel andere beheersvormen. Ook zal in het kader van de ecosysteem-benadering aandacht besteed moeten worden aan de verschillende functies van elk ecosysteem en moet het beheer begeleid worden door onderzoek. Door een gecoördineerd beleid zal het onderzoek effectief ingezet worden. Vanuit het beleid zal meer dan voorheen sturing aan het onderzoek worden gegeven, door het te koppelen aan de beleidsprioriteiten. Carmabi wordt gezien als een belangrijke onderzoeksinstantie voor de toelevering van wetenschappelijke gegevens ten behoeve van natuurbeleid en –beheer. Eén
van de programma’s die in het kader van het “Regional SPAW Programme” plaats
vindt, is de Caribische component van het International Coral Reef Initiative
(ICRI).
De hoofddoelstellingen van het ICRI zijn:
|
| 7.
Draagvlak – Partnerschap voor de natuur
Teneinde
voldoende draagvlak te krijgen voor de uitvoering van het natuurbeleid,
maar ook om de bevolking in haar geheel meer te betrekken bij haar natuurlijk
erfgoed en rijkdommen zal een aantal projecten worden uitgevoerd op alle
eilanden van de Nederlandse Antillen.
Zonder voldoende sociaal draagvlak kan natuurbeleid niet effectief zijn. Tot nu toe ontbrak het aan een integrale benadering ter vergroting en verbreding van het draagvlak voor zowel het natuurbeleid van de overheid als het beleid van andere sectoren op dit gebied. In het kader van een verder uit te werken Integraal Beleidsplan Vergroting Draagvlak Milieu- en Natuurbeleid wordt gestreefd naar het sluiten van zogenaamde partnerschappen voor de natuur tussen een achttal betrokken sectoren:
De publicatie en verspreiding van de periodieke nieuwsbrief over milieu- en natuurbeleid, onder redactie van de sectie Milieu en Natuur van het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, zal worden voortgezet, evenals de website van de sectie milieu- en natuur, http://mina.vomil.an. Projecten:
|
| 8.
Regelgeving
Landsverordening
Grondslagen Natuurbeheer en –bescherming.
Omdat de fundamentele principes van de verschillende verdragen niet integraal zijn overgenomen, maar het strengste regime op alle verdragen van toepassing is verklaard—de landsverordening gaat dus verder dan de verdragen voorschrijven—zijn er knelpunten ontstaan. Voor zover het de uitwerking van de verdragen betreft, zal de landsverordening zodanig aangepast worden*, dat de verschillende verdragen nauwgezet gevolgd worden. De verdragen, met name het CITES verdrag, het SPAW protocol en het Bonn verdrag, werken met verschillende bijlagen met lijsten van soorten die volgens de verdragen op verschillende wijze behandeld dienen te worden. De landsverordening maakt geen onderscheid tussen die bijlagen en laat op allen het striktst mogelijke regiem los, inclusief de verplichting aan eilandgebieden om al deze soorten te beschermen. Omdat sommige bijlagen niet samengesteld zijn met dit doel, ontstaan hierdoor situaties die niet houdbaar zijn, hetgeen indertijd niet voorzien is.
Deze Landsverordening is een belangrijk instrument voor gebiedsbescherming, maar is nog niet op alle eilanden geïmplementeerd. Eilandsverordeningen.
Landsverordening
inzake fytosanitaire regels.
Grondwaterverordening.
Fiscale regelingen.
Eén van die mogelijkheden kan zijn een vrijstelling van grondbelasting op nader uitgewerkte voorwaarden voor eigenaren en beheerders van gronden die als conserveringsgebied zijn aangewezen en die daadwerkelijk als zodanig beheerd worden. |
9.
Samenwerking
De overkoepelende
structuur voor de milieu- en natuursamenwerking binnen de Nederlandse Antillen
is het Platform voor Milieu en Natuur. Het Platform voor Milieu en Natuur
bestaat uit:
Bestuurlijke samenwerking binnen de Nederlandse Antillen op het terrein van de natuur zal in de eerste plaats geschieden conform de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming, via de Commissie Natuurbeheer en –bescherming waar elk eiland een lid en plaatsvervangend lid in benoemt. Deze commissie participeert tevens in het Platform voor Milieu en Natuur. Discussie over de uitwerking van het natuurbeheer zal voornamelijk binnen deze commissie plaats vinden. Daarnaast is er de wetenschappelijke autoriteit, opgezet volgens het CITES model, die de achterliggende informatie moet aandragen en interpreteren. Het streven is om jaarlijks, dan wel tweejaarlijks, een Forum Natuur—het voormalige “Natuurplatform”—te houden* waar onderwerpen inzake het natuurbeheer aan de orde worden gesteld. Hieraan nemen naast de wettelijk voorgeschreven advies-, beleid-, en beheerinstanties ook andere thematisch betrokkenen deel van zowel overheid als niet-gouvernementele organisaties. De koninkrijkspartners kunnen worden uitgenodigd om te participeren. Zo
werd in 1996 tijdens het Natuurplatform op Bonaire het veiligstellen van
natuurgebieden besproken, met als conclusie dat per eiland minimaal één
gebied op het land en één in zee beschermd dienen te worden.
In 1998 werd op St. Eustatius de financiering van natuurgebieden ter discussie
gesteld. Hieruit kwam het initiatief om te streven naar de oprichting van
een “trustfund” voor natuur, waarvan het rendement ten goede komt aan beheer
van natuurgebieden.
|
|
| Samenwerking op natuurgebied
binnen het Koninkrijk vindt vooral plaats op basis van de samenwerkingsovereenkomst
met de Directie Natuurbeheer van het Nederlandse ministerie voor Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij. Met Aruba vindt de formele samenwerking plaats
binnen het kader van de Ministeriële Samenwerkingsraad. De wenselijkheid
van een formele overeenkomst op het terrein van natuur tussen de Nederlandse
Antillen en Aruba zal worden nagegaan.*
Met betrekking tot de technisch
inhoudelijke aspecten van het beleid inzake de verdragen worden de Koninkrijkspartners
nauw geconsulteerd. Deze consultaties moeten verder geformaliseerd worden.
Bij de politieke en juridische besluitvorming voor de Nederlandse Antillen
inzake internationale verdragen, neemt het Bureau Buitenlandse Betrekkingen
het voortouw en adviseert de sectie Milieu en Natuur.
|
|
| Het regionale forum zal
voornamelijk plaats vinden in het kader van de Cartagena Conventie, met
name het Caribbean Environment Programme.
De Association of Caribbean
States is een traject gestart om de regionale milieu-strategie te formuleren.
In dit proces zal de ACS zo veel mogelijk aansluiting zoeken bij de regionale
initiatieven, zoals het Caribbean Environment Programme.
De Caribische Zee heeft een aantal speciale karakteristieken:Met landen die direct grenzen aan de Nederlandse Antillen, zoals de Franse eilanden en Venezuela kunnen bilaterale overeenkomsten gesloten worden voor het beheer van bepaalde natuurlijke rijkdommen. |
| 10.
Financiering van het beleid
De financiële
middelen, de menskracht en de expertise om het doel—het behoud van de biologische
diversiteit van de eilanden en de omringende zee, waarbij zorg gedragen
dient te worden dat deze diversiteit optimaal en duurzaam gebruikt kan
worden voor het welzijn van de bevolking—te bereiken, zijn slechts in beperkte
mate aanwezig. Met financiële steun van derden en met de inzet van
velen is reeds veel bereikt. Deze steun is onmisbaar gebleken en gedurende
de planperiode van voorliggend plan zal externe hulp nodig blijven.
Milieu en natuur hebben de afgelopen periode een steeds prominentere plaats gekregen in het beleid van de overheden. Zowel het land als de eilandgebieden hebben een eigen verantwoordelijkheid inzake het natuurbeheer en hebben financiële middelen gereserveerd. De begroting van de centrale overheid heeft zich met betrekking tot het onderwerp milieu en natuur de afgelopen jaren helaas niet ontwikkeld zoals in de contouren nota geschetst. Met inachtneming van de noodzaak tot bezuinigen volgt de planning van de activiteiten van onderhavige nota vanaf 2001 een midden scenario: een scenario dat het midden houdt tussen de geplande ontwikkeling volgens de contouren nota en de omvang van de toegewezen middelen van de afgelopen jaren. Voor 2000 wordt vooralsnog uitgegaan van het budget van het dienstjaar 1999. Een deel van de uitvoering van dit natuurbeleidsplan zal direct gefinancierd worden uit de begroting van het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Ter dekking van de kosten die voor CITES vergunningen worden gemaakt, zal de minister de hoogte van de vergoeding —leges— vaststellen*. De gestelde beleidsdoelen kunnen echter niet gerealiseerd worden zonder externe financiële hulp. De afgelopen jaren hebben de Nederlandse Ministeries voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (voormalige KABNA) LNV en VROM, de Commissie van de Europese Unie, het Wereld Natuur Fonds Nederland fondsen en menskracht ter beschikking gesteld voor milieu en natuurwerk op de Nederlandse Antillen. Onder meer zijn in het kader van de financiering van de uitvoering van de “Nota Contouren van het Milieu- en Natuurbeleid” door BZK gelden ter beschikking gesteld. Daartoe is een coördinatie commissie ingesteld die tijdens het Bestedingen Overleg Milieu (BOM) projecten identificeert, die in aanmerking kunnen komen voor financiering. Zo ook natuurprojecten. Er zijn verschillende fondsen voorhanden ten behoeve van projecten die geëntameerd worden door NGO’s, zijnde bedrijven en milieu- en natuurorganisaties, De sectie Milieu en Natuur van het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne heeft twee fondsenboekjes laten samenstellen, die een goed overzicht bieden. Het
KNAP Fonds Nederlandse Antillen.
Fonds
ter beheer van de natuurgebieden
Global
Environmental Facility (GEF)
|
| nr.1 | onderdeel | Actie | verwijzing2 | actoren3 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2004 | kosten4 | financier |
| 0.1 | beleid algemeen | eilandelijke natuurbeleidsplannen5 | 10 | E | V, BZK, e | ||||||
| 0.2 | beleid algemeen | nota natuuronderzoek | 24 | V, e, C, b | V, e | ||||||
| 0.3 | beleid algemeen | richtlijnen verdeling genetische hulpbronnen | 24 | V | pm | pm | GEF, V | ||||
| 0.4 | rapportage | jaarlijkse rapportage natuurbeleid | 11 | V | |||||||
| 0.5 | rapportage | rapportage verdragen | 14 | V | |||||||
| 5.1 | beheer algemeen | instellen beheersinstantie verdragen | 28 | V | |||||||
| 5.2 | beheer algemeen | Landsbesluit registers beheersinstantie | 28 | V | |||||||
| 5.3 | beheer en bescherming | aanwijzing te beschermen gebieden | 10, 17 | e | |||||||
| 5.4 | beheer en bescherming | potentiële Ramsar gebieden | 18 | V, e | |||||||
| 5.5 | beheer en bescherming | netwerk Nationale Parken | 18 | V, e | |||||||
| 5.6 | beheer en bescherming | aanwijzing te beschermen soorten | 10, 22 | e | |||||||
| 5.7 | beheer en bescherming | samenstellen hulpmiddelen identificatie van soorten | 21 | V, b, C | 75.000 | 75.000 | V | ||||
| 5.8 | beheer en bescherming | soorten databestand | 21 | V, C | 20.000 | 30.000 | 30.000 | 20.000 | 20.000 | 120.000 | |
| 5.9 | beheer en bescherming | nationale rode lijst van bedreigde soorten | 22 | V, C, b | |||||||
| 5.10 | beheer en bescherming | pilot project beheersmodel ecosystemen | 19 | V, C, b | 30.000 | 50.000 | 80.000 | 90.000 | 250.000 | GEF, BZK | |
| 5.11 | beheer en bescherming | beheersplan Saba Bank | 20 | V, Saba | |||||||
| 5.12 | beheer en bescherming | beheersvoorschriften soorten CITES II en SPAW III | 21 | V, C | |||||||
| 6.1 | onderzoek algemeen | wetenschappelijk onderzoek | 24 | C | pm | pm | pm | pm | pm | ||
| 6.2 | onderzoek ecosystemen | Netherlands Antilles Coral Reef Initiative | 25 | V, b, C, NGO's | pm | pm | |||||
| 6.3 | onderzoek ecosystemen | inventarisatie en beschrijving ecosystemen | 19 | V, C | 60.000 | 60.000 | 60.000 | 60.000 | 240.000 | GEF, BZK | |
| 6.4 | onderzoek gebieden | inventarisatie biodiversiteit Saba Bank | 20 | V, C, Saba | 45.000 | 75.000 | 65.000 | 50.000 | 30.000 | 265.000 | GEF, BZK |
| 6.5 | onderzoek soorten | inventarisatie lokale soorten | 21 | V, C | 50.000 | 50.000 | 100.000 | ||||
| 7.1 | voorlichting | voorlichting algemeen6 | 25 | V, e | 20.000 | 20.000 | 20.000 | 20.000 | 20.000 | 100.000 | V |
| 7.2 | voorlichting | training CITES | 21 | V, e, douane | 25.000 | 25.000 | V, LNV | ||||
| 7.3 | voorlichting | informatie biodiversiteit en ecosystemen | 26 | V, e | |||||||
| 7.4 | voorlichting | gerichte informatie diverse doelgroepen | 26 | V, e | |||||||
| 7.5 | voorlichting | voorlichting CITES | 26 | V, e | |||||||
| 7.6 | voorlichting | voorlichting invoer vreemde soorten | 26 | V, e | |||||||
| 7.7 | voorlichting | affiniteitcampagnes bedreigde/beschermde soorten | 27 | V, e | |||||||
| 7.8 | voorlichting | informatie natuur i.r.t. duurzaam toerisme | 27 | V, e | |||||||
| 7.9 | voorlichting | voorlichting gevolgen loslopend vee | 27 | V, e | |||||||
| 7.10 | voorlichting | voorlichting duurzame visserij | 27 | V, e | |||||||
| 7.11 | voorlichting | Programma Milieu- en Natuurhistorie | 27 | V, e | |||||||
| 8.1 | regelgeving | wijziging LV Grondslagen Natuur | 28 | V, J | |||||||
| 8.2 | regelgeving | haalbaarheid regeling invoer vreemde soorten | 29 | V, J | |||||||
| 8.3 | regelgeving | bijdrage Landsbesluit Gevaarlijke Stoffen | 29 | V, e | |||||||
| 8.4 | regelgeving | eilandelijke natuurverordening | 10, 29 | e | |||||||
| 8.5 | regelgeving | uitwerken eilandelijke natuurverordening | 29 | e | 5.000 | 5.000 | 10.000 | BZK | |||
| 8.6 | regelgeving | richtlijnen MER | 10 | V, e | |||||||
| 8.7 | regelgeving | regelgeving invoer van dieren en planten | 23 | V, J | |||||||
| 8.8 | regelgeving | Landsverordening Grondwater | 29 | V, J | |||||||
| 8.9 | handhaving | handhaving verdragen algemeen | 21 | V, e | |||||||
| 8.10 | handhaving | handhaving CITES | 21 | douane | pm | pm | pm | pm | pm | ||
| 8.11 | handhaving | registratie CITES, Bonn, SPAW-soorten | 22 | V | 15.000 | 15.000 | 30.000 | V | |||
| 8.12 | handhaving | Landsbesluit toezicht- en opsporingsambtenaren | 28 | V | |||||||
| 8.13 | handhaving | Eilandbesluit toezicht- en opsporingsambtenaren | 10 | e | |||||||
| 9.1 | samenwerking | Commissie Natuurbeheer en –bescherming | 11, 28 | V, e | 5.000 | 5.000 | 5.000 | 5.000 | 5.000 | 25.000 | V |
| 9.2 | samenwerking | wetenschappelijke autoriteit | 21, 28 | V | 5.000 | 5.000 | 5.000 | 5.000 | 5.000 | 25.000 | V |
| 9.3 | samenwerking | Forum Natuur | 30 | V, e | 20.000 | 20.000 | 20.000 | 20.000 | 20.000 | 100.000 | V, e |
| 9.4 | samenwerking | Partnerschap voor de Natuur | 26 | V, sectoren | 5.000 | 5.000 | 5.000 | 5.000 | 5.000 | 25.000 | V |
| 9.5 | samenwerking | Forum Draagvlak voor Milieu- en Natuurbeleid | 26 | V, e | |||||||
| 9.6 | samenwerking | Ramsar afspraken met Venezuela | 18 | V, Bonaire,BBB | |||||||
| 9.7 | samenwerking | Ramsar afspraken met beheerder Flamingo Sanctuary | 18 | V, Bonaire, b | |||||||
| 9.8 | samenwerking | Verlengen samenwerkingsovereenkomst LNV-VOMIL | 31 | V, LNV | |||||||
| 9.9 | samenwerking | Regionale en Internationale samenwerking | 27, 31 | V | 5.000 | 5.000 | 5.000 | 5.000 | 5.000 | 25.000 | V |
| 9.10 | samenwerking | formele natuursamenwerking NA en Aruba | 31 | ||||||||
| 10.1 | Financieel instrument | bevorderen “duurzame” fiscale regelingen | 29 | V, Financiën | |||||||
| 10.2 | financieel instrument | Haalbaarheidsonderzoek Trustfund | 33 | V, Aruba | 10.000 | 10.000 | BZK | ||||
| 10.3 | financieel instrument | CITES vergunningenstelsel7 | 32 | V, Financiën | 10.000 | 10.000 | 20.000 | V | |||
| 10.4 | Financieel instrument | Leges CITES vergunningen | 32 | ||||||||
| 10.5 | financieel instrument | KNAP-fonds | 26, 32 | V | 25.000 | 25.000 | 25.000 | 25.000 | 25.000 | 125.000 | V |
| 10.5 | financieel instrument | KNAP-fonds | 26, 32 | LNV | 50.000 | 50.000 | 50.000 | 50.000 | 50.000 | 250.000 | LNV |
| 10.5 | financieel instrument | KNAP-fonds | 26, 32 | BZK | 50.000 | 50.000 | 50.000 | 50.000 | 50.000 | 250.000 | BZK |
Noten:
1) De acties zijn genummerd. Het eerste cijfer verwijst naar de paragraaf waarin het thema wordt behandeld; het tweede cijfer is het actienummer.
2) verwijzing naar het paginanummer in dit Natuurbeleidsplan.
3) V=VOMIL; e=eilanden; C=Carmabi; b=natuurbeheerorganisaties; J=CBJAZ.
4) De kosten zijn geraamd en zijn exclusief loonkosten; pm = pro memorie.
5) Op 1 februari 2001 dienen de eilandelijke natuurbeleidsplannen door de eilandsraad te zijn vastgesteld.
6) De verschillende voorlichtingsactiviteiten zullen ten laste van deze overkoepelende noemer voor voorlichting worden gebracht.
7) vanaf 2001 volledig gedekt door vergoedingen