Natuurbeleid van de Nederlandse Antillen

Aan de dageraad van een nieuw millennium
2000 - 2005
Willemstad, 1 februari 2000
Inhoudsopgave
Samenvatting
Executive summary
Resúmen

1. Inleiding
2. Achtergronden
3. Doel van het natuurbeleid
4. Het raamwerk

4.1 Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming
4.2 Verdragen
4.2.1 Biodiversiteitsverdrag
4.2.2 CITES
4.2.3 Bonn
4.2.4 Ramsar of Wetlands Conventie
4.2.5 SPAW
4.2.6 Inter-Amerikaans Zeeschildpadden Verdrag
4.3 Raakvlakken
4.3.1 Toerisme
4.3.2 Landbouw, veeteelt & visserij
5. Beheer en bescherming
5.1 Gebiedsbescherming
5.2 Ecosysteem benadering
5.3 Saba Bank
5.4 Soortsbescherming
5.5 Controle op vreemde (invasieve) soorten
5.6 De eerlijke en billijke verdeling van kennis en voordelen afkomstig van genetische rijkdommen
6. Onderzoek
7. Draagvlak – Partnerschap voor de natuur
8. Regelgeving
9. Samenwerking
9.1 Nationaal
9.2 Koninkrijk
9.3 Regionaal
10. Financiering van het beleid
11. Actie matrix
12. Afkortingen
13. Definities
14. Referenties


 
Samenvatting In zee en op het land hebben de Nederlandse Antillen een enorme rijkdom in de diversiteit van de natuur. Biologische diversiteit, de verscheidenheid tussen en binnen soorten, de verscheidenheid van de leefgemeenschappen en voldoende ruimte om te kunnen evolueren, zijn voorwaarden voor het goed functioneren van natuurlijke processen. Voor een duurzame ontwikkeling van de Nederlandse Antillen is de huidige generatie verplicht de biologische diversiteit voor toekomstige generaties te beschermen en te behouden. De natuur heeft ook haar eigen intrinsieke waarde en men krijgt een steeds groter besef van de noodzaak van natuur voor een menswaardig bestaan. Daarnaast gebiedt de kwetsbaarheid van de natuur voor menselijk ingrijpen—vooral in een 'Small Island Developing State als de Nederlandse Antillen—dat actief gewerkt wordt aan het behoud van de natuur.

Deze visie is in de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming neergelegd en biedt de juridische grondslag voor dit beleidsplan. In voorliggend plan “Natuurbeleid van de Nederlandse Antillen - Aan de dageraad van een nieuw millennium. 2000-2005” wordt het beleid uitgestippeld, dat tot doel heeft de biologische diversiteit van de eilanden en de omringende zee veilig te stellen.

De Nederlandse Antillen heeft medegelding gezocht bij verschillende verdragen. Vanuit bovengenoemde visie inzake natuurbeheer en -bescherming ondersteunt zij deze verdragen ten volle. In de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming wordt uitvoering gegeven aan de nationale regelingen met betrekking tot deze verdragen.

De instrumenten die worden aangedragen om de biologische diversiteit veilig te stellen, zijn naast wettelijke bescherming van gebieden en soorten, vooral ook beheersmodellen die uitgaan van een realistische situatie waarbij erkend wordt, dat de mens een rol speelt in de ontwikkeling van de natuur. Voor grote delen van de natuur is het niet mogelijk om ze geheel af te sluiten van menselijke invloeden. De mens maakt ook deel uit van de natuur en kan niet overleven zonder de natuur. Juist daarom is het van belang om zorg te dragen dat alle elementen in die natuur optimaal kunnen functioneren. Deze ideeën zijn uiteengezet in de ecosysteem-benadering.

Om dit te bereiken is er een aantal randvoorwaarden waaraan voldaan moet worden. Er dient een goed begrip te zijn over het functioneren van die natuur. Bij degenen die rechtstreeks betrokken zijn bij het natuurbeheer en bij de totale bevolking. Gericht onderzoek naar de natuur, en het informeren over de natuur van het brede publiek ter mobilisatie bij de bescherming van de natuur, zijn essentieel.

Uitvoering van het natuurbeheer op de Nederlandse Antillen is grotendeels een taak van de eilandgebieden. Het land heeft de taak om toe te zien op de uitvoering van de verschillende verdragen op het gebied van het natuurbeheer. Deels wordt deze taak in de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming gedelegeerd naar de eilandgebieden. Het land zal afgezien van enkele zaken die specifiek het land betreffen, vooral het kader aangeven van het beleid en de eilanden ondersteunen in het uitvoeren van hun taak, door middel van richtlijnen en handreikingen, coördinatie van onderzoek en ontwikkeling van methoden. In analogie met dit nationale plan, zullen de eilanden eilandelijke natuurplannen vaststellen, die vervolgens deel gaan uitmaken van het nationale beleid.

Tot slot volgt een overzicht van de voorgenomen activiteiten en de daarvoor benodigde middelen.

Jaarlijks zal over de voortgang van het beleid aan de Staten van de Nederlandse Antillen gerapporteerd worden.



 
Executive summary Both in the ocean and on land the Netherlands Antilles possesses an enormous wealth in the diversity of its nature. Biological diversity, the diversity within and between species, de diversity of habitats and sufficient space to evolve are conditions for a healthy progression of natural processes. For a sustainable development of the Netherlands Antilles the present day generation needs to protect and conserve the biological diversity for future generations. Nature also has its own intrinsic value and people are increasingly realizing how essential nature is to human well-being. Simultaneously, the vulnerability of nature to human intervention—especially in a 'Small Island Developing State' such as the Netherlands Antilles—demands active intervention to conserve and protect nature.

This view is laid down in the National Nature Conservation Ordinance, which forms the legal basis for this policy document. In the document before you, “Nature Conservation Policy of the Netherlands Antilles—At the dawn of a new millennium. 2000-2005”, a policy is set out which aims to protect and conserve the biological diversity of the islands and their surrounding seas.

The Netherlands Antilles has sought participation in several treaties. As a consequence of the view outlined above it fully supports these treaties. On a national level the National Nature Conservation Ordinance sets out regulations to implement these treaties.

The proposed tools to safeguard biological diversity are—aside from the legal protection of areas and species—especially management models based on realistic situation assessments that acknowledge the important role humans play in the dynamics of nature. For large parts of nature it is impossible to exclude all human influences. Humans of course are also a part of nature and cannot survive without it. Therefore it is important to assure that all elements of that nature can function optimally. These ideas are set out in the ecosystem approach.

To achieve these goals a number of prior conditions are necessary. Comprehension and awareness of the functioning of nature are needed. By those directly involved with nature conservation, as well as by the population as a whole. Targeted research on nature and distribution of information and education to the general public aimed at mobilizing people in the conservation of nature is essential.

Effectuation of nature conservation in the Netherlands Antilles is the task of the island territories. The task of the central government is to oversee the implementation of the different treaties and conventions pertaining to nature conservation. In the National Nature Conservation Ordinance part of this task is delegated to the island territories. Aside from some tasks that are specific to the central government, the central government will mainly set the policy framework and support the island territories in the execution of their tasks, through guidelines and assistance, coordination of research and development of methods. In analogy to this national Nature Policy Plan, the islands will produce Island Nature Plans, which will subsequently be integrated into the national policy.

Finally this document presents an overview of the planned activities and the necessary financial means.

Yearly, the progress of policy implementation will be evaluated and presented to the “Staten” of the Netherlands Antilles (National Parliament)



 
Resúmen Tantu den laman komo riba tera Antia tin un diversidat di naturalesa enorme. Diversidat biológiko, e diversidat denter di i entre sortonan, e diversidat di komunidatnan i sufisiente espasia pa por desaroyá, tur esakinan ta kondishonnan pa prosesonan natural por funshoná bon. Pa un desaroyo duradero di Antia e generashon aktual tin e obligashon di protehá i mantené e diversidat biológiko pa futuro generashonnan. Tambe naturalesa tin su propio balor intrínsiko, i mas i mas e konsenshi dje nesesidat di naturalesa pa un bida humano digno ta krese. Banda djesei e fragilidat di naturalesa pa intervenshon humano, en espesial den un 'Small Island Developing State' manera Antia, ta obligá hende traha aktivamente na su preservashon.

E vishon akí ta hinká den e Ordenansa Nashonal pa Konservashon di Naturalesa, i ta ofresé e base hurídiko pa e plan di maneho akí. E plan nos dilanti “Maneho di Naturalesa di Antia—Manesé di un milenio nobo, 2000-2005”, ta stipulá un maneho ku tin komo meta, sigurá e diversidat biológiko di e islanan i e laman ku ta rondoná nan.
Antia a buska partisipashon den diferente tratado internashonal. Abase di e vishon menshoná tokante maneho i protekshon di naturalesa, Antia ta sostené e tratadonan aki kompletamente. E Ordenansa Nashonal pa Konservashon di Naturalesa ta implementá reglamentunan nashonal den kuadro dje tratadonan akí.

E instrumentonan presentá pa sigurá diversidat biológiko ta, banda di protekshon di area- i sortonan mediante lei, tambe modelonan di maneho. Punto di salida di e modelonan akí ta e situashon real, rekonosiendo ku hende ta hunga un ròl den desaroyo di naturalesa. Pa un gran parti di naturalesa ta imposibel wanta influensha humano pafó. Hende tambe ta forma parti di naturalesa i komo tal no por sorbrebibí sin dje. Ta pesei mes ta importante perkurá ku tur elemento den naturalesa por funshoná optimalmente. E ideanan aki huntu ta forma e asina yamá konsepto di ekosistema.
Pa logra tur esaki mester kumpli ku un kantidat di kondishon. Mester tin un bon konosementu di funshonamentu di naturalesa. Serka esnan ku ta envolví den maneho di naturalesa, i serka pueblo den su totalidat. Estudio spesífiko di naturalesa, i informashon di un públiko amplio tokante naturalesa pa yuda mobilisá sosten pa su konservashon, ta esensial.

Ehekushon di maneho di naturalesa ta tarea di teritorionan insular. Tarea di Gobiernu Sentral ta pa supervisá ehekushon di diferente tratado riba tereno di maneho di naturalesa. Ordenansa Nashonal pa Konservashon di Naturalesa ta pone parti di e tarea akí den man di teritorionan insular. Aparte di algun asuntu ku ta regard'é spesífikamente, Gobièrnu Sentral lo stipulá mas tantu e kuadro dje maneho, i sostené e islanan den ehekushon di nan maneho, ofresiendo kriterionan i apoyo, kordinashon di estudio i desaroyo di método. Den analogía ku e plan nashonal akí e islanan lo stipulá plannan di naturalesa insular, ku di nan banda lo bai forma parti dje maneho nashonal.

Na final ta sigui un bista di e aktividatnan intenshoná i e medionan nesesario pesei.

Anualmente lo raportá na Staten di Antia tokante progreso dje maneho.



 
  1. Inleiding Gezien de ingrijpende effecten die de mens heeft op de haar omringende natuur, heeft zij de verantwoordelijkheid deze te beschermen en verstandig te beheren. Daarnaast is de natuur een voorwaarde voor het bestaan en het welzijn van de mens en voor de ontwikkeling van haar economische basis.

Biologische diversiteit, de verscheidenheid tussen en binnen soorten, de verscheidenheid van de leefgemeenschappen en hun omgeving, met voldoende ruimte om te kunnen evolueren, zijn voorwaarden voor het goed functioneren van de natuurlijke processen.

De Nederlandse Antillen streven dan ook een beleid na van beheer en bescherming van de natuur, waarbij de biologische diversiteit centraal staat. Een eerste aanzet tot een coherent beleid is gedaan in de nota “Contouren van het Milieu- en Natuurbeleid van de Nederlandse Antillen”, die in 1996 door de regering is aangenomen.

In 1998 heeft de Staten van de Nederlandse Antillen de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming (PB 1998, Nº 49) aangenomen. Eén van de eisen volgend uit deze landsverordening is het vaststellen van een vijfjaarlijks nationaal natuurbeleidsplan (artikel 2). Onderhavig document geeft uitvoering aan het gestelde en is een nadere invulling van de geschetste contouren.

Evenzo (artikel 9) zullen binnen twee jaar na het in werking treden van de Landsverordening Natuurbeheer en –bescherming eilandelijke natuurplannen worden ontwikkeld en vastgesteld, die in overeenstemming zijn met de geschetste contouren en nader zijn toegespitst op eilandspecifieke zaken. Zodra vastgesteld zullen deze natuurplannen deel uitmaken van het nationale natuurbeleidsplan.

De acties die volgen uit de beleidsvoornemens zijn voorzien van een *. In paragraaf 11 is een overzicht van alle acties opgenomen.



 
  2. Achtergronden In 1980 bracht de IUCN (World Conservation Union) samen met het WWF (World Wide Fund for Nature) en Unesco (United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization), de World Conservation Strategy uit. Dit document gaat uit van het behoud van de natuur op wereldschaal, gebruik makend van een integraal principe. Het centrale concept in dit document is “sustainable development”, dat uitgaat van het idee dat economische ontwikkeling noodzakelijk is om het doel van natuurbehoud te behalen en dat natuurbehoud ook noodzakelijk is voor economische ontwikkeling. Wanneer het slecht gaat met de economie is de mens immers snel geneigd slechts op korte termijn te denken en snel resultaat te willen zien ten koste van de natuur die echter op lange termijn onmisbaar is. Tenslotte is economische ontwikkeling vaak gebaseerd op en afhankelijk van de natuurlijke hulpbronnen van een land. Het doel van de World Conservation Strategy is dan ook om door middel van nationale “conservation strategies” die neerwaartse spiraal te doorbreken.

In 1986 bracht de World Commission on Environment and Development in het rapport: “Our Common Future”, het concept van “sustainable development”—duurzame ontwikkeling—in een breder perspectief. In dit rapport wordt duurzame ontwikkeling gedefinieerd als ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. In 1992 werd dit concept aangenomen als leidraad voor ontwikkeling tijdens de UN Conference on Environment and Development (UNCED), gehouden te Rio de Janeiro. De strategieën nodig voor het bereiken van duurzame ontwikkeling werden vastgelegd in het document Agenda 21.

In 1994 werd te Barbados een VN conferentie gehouden voor het vaststellen van een actieplan ter uitvoering van Agenda 21, speciaal gericht op kleine eilandstaten in ontwikkeling (SIDS – Small Island Developing States). Dergelijke staten ondervinden bijzondere moeilijkheden bij het bereiken van een duurzame ontwikkeling.

SIDS hebben een aantal gemeenschappelijke nadelen—zoals kleine populaties, weinig hulpbronnen, kwetsbaar voor natuurrampen, grote afhankelijkheid van de internationale handel en kwetsbaar voor mondiale ontwikkelingen—die de duurzame ontwikkeling belemmeren. Daaraan toegevoegd, ontbreekt het hen aan “economies of scale”, en zijn de kosten van verkeer en communicatie, overheden en infrastructuur hoog.
Voor wat betreft de biologische diversiteit zijn kleine eilandstaten bijzonder gevoelig voor de gevolgen van soorten die door de mens geïmporteerd worden. De eigen soorten hebben zich een lange tijd kunnen ontwikkelen in relatief isolement en kunnen gemakkelijk verdrongen worden. Verder zijn de kleinere populaties van de soorten op kleine eilanden gevoeliger voor uitsterven. Naast deze grotere kwetsbaarheid van de biodiversiteit van SIDS, is door de ongestoorde geïsoleerde ontwikkeling de natuur ook veel unieker. Deze combinatie van eigenschappen brengt met zich mee dat extra zorgvuldig met de natuur omgegaan dient te worden.

Gebaseerd op bovenstaande ideeën hebben de Nederlandse Antillen een eerste aanzet gedaan tot een coherent natuurbeleid toen de Regering de nota “Contouren van het Milieu- en Natuurbeleid van de Nederlandse Antillen” in 1996 aannam.

Voordien waren er enkele landsverordeningen die direct of zijdelings betrekking hadden op natuurbeheer, vooral de landsverordening van 20 juli 1926 (PB 1926, N° 60), tot bescherming van diersoorten, nuttig voor land- en ooftbouw of die langzamerhand uitsterven en op welker voortbestaan prijs wordt gesteld. In 1960 bracht een Landsbesluit Houdende Algemene Maatregelen ter uitvoering van enkele artikelen van een Uitvoerverbodenverordening van 1944 (PB 1944, N° 117) enige beperkingen voor de uitvoer van enkele zaken van natuurhistorische waarde (PB 1960, N° 25). De Landsverordening Mariene Natuurreservaten (PB 1976, N° 157) is nooit uitgevoerd. De landsverordening grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning (PB 1976, N° 195) biedt een belangrijk instrument voor gebiedsbescherming.
De nota “Contouren van het Milieu- en Natuurbeleid van de Nederlandse Antillen” gaat uit van twee lijnen van aanpak, het gebiedsgerichte beleid en het beleid gericht op bescherming van soorten.

Het gebiedsgerichte beleid stelt zich ten doel om te komen tot een netwerk van beschermde gebieden die representatief zijn voor de natuur van de Nederlandse Antillen. Naast een netwerk van eilandelijk beschermde gebieden, wordt gestreefd naar minimaal één terrestrisch en één marien nationaal park per eilandgebied.

Het doel van soortsbescherming is te voorkomen dat van nature in de Nederlandse Antillen in het wild voorkomende soorten flora en fauna bedreigd worden. Daarnaast dienen ook soorten die op wereldschaal bedreigd zijn lokaal beschermd te worden. De regelgeving die hiervoor nodig is, dient eilandelijk vastgelegd te worden en aangevuld met regelgeving voortvloeiend uit verdragen.

Met het aannemen van de contourennota zijn met betrekking tot de beleidsprioriteit natuur onder meer de volgende zaken gerealiseerd:

  • De Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en –bescherming is vastgesteld en is op 1 februari 1999 in werking getreden. Met het vaststellen van de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming is tegelijk vorm gegeven aan de nationale wetgeving met betrekking tot de natuurverdragen waaraan de Nederlandse Antillen participeren.
  • Conform het gestelde in de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming dienen de eilandgebieden uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding, dus uiterlijk voor 1 februari 2001, een eilandelijk natuurplan te hebben vastgesteld. Het eilandgebied Bonaire heeft inmiddels zijn natuurplan vastgesteld, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten hebben een plan in concept gereed, terwijl op Curaçao het plan in de voorbereidingsfase is.
  • De natuurgebieden The Quill (Sint Eustatius), het Saba Marine Park en het Bonaire Marine Park hebben inmiddels de status van Nationaal Park verkregen.


 
  3.  Doel van het natuurbeleid Het doel van het natuurbeleid is het behoud en waar mogelijk herstel, van de biologische diversiteit van de eilanden en de omringende zee, waarbij zorg gedragen dient te worden dat deze diversiteit optimaal en duurzaam gebruikt kan worden voor het welzijn van de bevolking, nu en in de toekomst.
Dit landelijk plan heeft tot doel alle partijen te informeren over het natuurbeleid op landsniveau en vormt het algemene kader voor de na-tuur- en andere plannen van de eilandgebieden.


 
 

4.1 Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming
4. Het raamwerk Ten behoeve van de bescherming van de inheemse fauna en flora en met het oog op het behoud van de biodiversiteit en het beheer van ecosystemen en habitats is de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming tot stand gekomen. Het doel van de verordening is tweeledig: een moderne en integrale aanpassing van de wetgeving op natuurgebied en nationale implementatie van de verschillende natuurverdragen.

Daarbij kan niet voorbij worden gegaan aan het  belang van het instrument van de ruimtelijke ordening. Planning die de bestemming van gebieden aangeeft, biedt—mits goed doordacht—de mogelijkheid om het spanningsveld tussen de verschillende activiteiten weg te nemen. Een goede ruimtelijke ordening houdt rekening met de samenhang tussen gebieden, zowel op het land als te water, en houdt rekening met de invloed van in die gebieden toegestane activiteiten op omliggende gebieden. Totstandkoming van dergelijke ruimtelijke ontwikkelingsplannen zal dan ook ondersteund worden.

De Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming biedt de overheid de wettelijke mogelijkheden om het gewenste beleid uit te voeren. De verplichtingen voortvloeiend uit de verschillende verdragen, worden door middel van dynamische verwijzing in de nationale regelgeving toegepast en dienen rechtstreeks door te werken in de eilandelijke regelgeving. 

De taken van het natuurbeleid liggen volgens de Eilandenregeling Nederlandse Antillen (ERNA) en de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en –bescherming, primair bij de eilandgebieden. Het land is verantwoordelijk voor een consistent natuurbeleid voor de gehele Nederlandse Antillen en dient dit zichtbaar te maken in een natuurbeleidsplan dat elke vijf jaar wordt herzien. 

De verdere ontwikkeling van het natuurbeleid en de uitvoering ervan, worden tot de taken van de eilandgebieden gerekend. Het land ziet erop toe dat de eilanden hieraan voldoen. Zo dienen de eilandgebieden binnen de voorgeschreven tijdlimiet van twee jaren na de inwerkingtreding van de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming een natuurplan* en een eilandelijke natuurverordening* vast te stellen. Ook dienen de eilanden aan te geven welke soorten en gebieden bescherming behoeven* op het betreffende eiland—voor zover zij niet al internationaal een beschermde status hebben—en daarvoor zorg te dragen. Daarnaast dienen de eilanden—mede vanuit verdragsverplichtingen—regels te stellen inzake milieu effect rapportages (MERs) *  en tenslotte dienen de eilanden toezichthouders en opsporingsambtenaren aan te wijzen* ten behoeve van de naleving van de eilandelijke regels en voorschriften. Het land kan hierin facilitair en gidsend optreden naast haar eigen toezichtfuncties. Een Commissie Natuurbeheer en -bescherming*, zoals omschreven in de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming, waaraan het land en de eilandgebieden participeren, dient ter controle en stimulering van de voortgang van het natuurbeleid. Over de voortgang van het beleid dient jaarlijks verslag te worden gedaan* aan de Staten van de Nederlandse Antillen (artikel 2 Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming).

In gebieden buiten het territoir van de eilanden, maar binnen de jurisdictie van de Nederlandse Antillen is het land verantwoordelijk voor het behoud en beheer van de biodiversiteit. 



 
4.2 Verdragen

Terug naar Inhoud

De Nederlandse Antillen heeft medegelding gezocht bij verschillende verdragen. Vanuit haar visie over het natuurbeheer ondersteunt zij deze verdragen ten volle en zal ze ten uitvoer brengen.

4.2.1 Biodiversiteitsverdrag
Het Verdrag inzake de Biologische Diversiteit; tot stand gekomen te Rio de Janeiro, Brazilië, op 5 juni 1992 (Trb. 1992,164).

Het doel van dit verdrag is het behoud van de biologische diversiteit, het duurzame gebruik ervan en de eerlijke en billijke verdeling van de kennis en de voordelen die ontstaan uit het gebruik van de genetische rijkdommen. Hierbij moet tevens de toegang tot de genetische rijkdommen en de overdracht van de relevante technologie geregeld worden. Daarbij heeft dit verdrag een belangrijk element voor de financiering van de kosten van uitvoering in het Global Environmental Facility (zie § 10).

Het belang van biologische diversiteit voor een duurzame ontwikkeling ligt op verschillende vlakken. Belangrijk zijn natuurlijk de ethische en esthetische aspecten van het behoud van de natuur. Voor een groot deel zijn economische activiteiten gebaseerd op het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Vernietiging of uitputting van die hulpbronnen zal natuurlijk het einde betekenen van die activiteiten. Maar daar bovenop zal vernietiging van natuurlijke rijkdommen die nu niet direct van economisch nut lijken, toekomstige ontwikkelingen in gevaar brengen.

Ontwikkeling zal voor een groot deel gebaseerd zijn op activiteiten die nu nog niet ontplooid worden en dus ook op natuurlijke hulpbronnen waarvan men nu de directe economische waarde nog niet kan inschatten. “Voorbeelden” van nog niet bekende waarden zijn het duidelijkst in de farmacie. Veel medicijnen worden verkregen uit natuurlijke organismen of zijn gebaseerd op genetische informatie verkregen uit natuurlijke organismen, ofwel de genetische hulpbronnen. Slechts een beperkt deel van die genetische hulpbronnen is nu bekend. Bij elk uitsterven van een soort—vele per jaar—gaan er genetische hulpbronnen verloren en dus potentiële medicijnen. 
Traditioneel worden medicijnen verkregen uit planten—dit zijn namelijk organismen die niet kunnen vluchten voor predatoren en zich dus vaak met chemische stoffen verdedigen. Dit zijn de stoffen die vaak ook in de farmacie gebruikt kunnen worden. Op de koraalriffen zijn er niet alleen planten, maar ook dieren die niet kunnen vluchten. Hierdoor is het potentieel voor genetische hulpbronnen op de koraalriffen enorm. Op de Nederlandse Antillen zijn er reeds enkele organisaties bezig geweest met het verzamelen van genetische hulpbronnen. Het is zaak dat dit vanuit de overheid begeleid wordt en dat ervoor wordt gezorgd dat de kennis en voordelen die hieruit verkregen worden, conform het verdrag, eerlijk en billijk verdeeld worden.
Niet alleen als potentiële economische rijkdom, maar juist ook in groter verband is biologische diversiteit van belang. Organismen zijn aangepast aan hun omgeving en aan de interactie met andere soorten. Natuur is niet een verzameling van losse soorten, maar vormt systemen. Daar de omgeving aan verandering onderhevig is—voor een belangrijk deel door toedoen van de mens—is het van belang dat de verschillende soorten in het systeem zich kunnen blijven aanpassen. Die aanpassing is slechts mogelijk als er ook binnen de soorten voldoende diversiteit is. Zo zullen exemplaren die beter aangepast zijn aan de veranderde omstandigheden een grotere bijdrage leveren aan de volgende generaties.
Een goed voorbeeld van het toekomstig potentieel van natuurlijke hulpbronnen voor economische ontwikkeling is het koraalrif. Vroeger werden riffen gezien als obstakels voor scheepvaart en zwemmers. Nu, slechts een generatie later, brengen zij alleen al door middel van het toerisme, meer dan ANG 100 miljoen aan deviezen in de Nederlandse Antillen en hebben zij een aandeel van bijna 5% in het bruto nationaal product. 

4.2.2 CITES
Het Verdrag inzake de Internationale Handel in Bedreigde in het Wild Levende Dier- en Plantensoorten; tot stand gekomen te Washington, Verenigde Staten, op 3 maart 1973 (Trb.  1975, 23).

Dit verdrag regelt de handel in soorten die voorkomen op drie lijsten in Appendices van het verdrag, met een strikt systeem van vergunningen als instrument. 
Op Appendix I staan soorten die bedreigd zijn en waar geen commerciële handel in mogelijk is. Soorten staan op Appendix II omdat ze ofwel in de gaten gehouden moeten worden teneinde niet bedreigd te raken, ofwel om de controle op bedreigde soorten te verbeteren. De soorten op appendix III zijn erop geplaatst door bepaalde landen; alleen handel in exemplaren vanuit die landen wordt strikt gecontroleerd.
Op de Nederlandse Antillen worden de soorten die op Appendix I van CITES voorkomen strikt beschermd. Naast een aantal walvissen zijn dit vijf soorten zeeschildpadden, de Slechtvalk—een zeldzame wintergast—en de Bonaireaanse Lora. 

4.2.3 Bonn
Het Verdrag inzake het Behoud van Migrerende Soorten Wilde Dieren; tot stand gekomen te Bonn, Duitsland, op 23 juni 1979 (Trb. 1981, 6).

Met dit verdrag verbinden de partijen zich om een aantal bedreigde en migrerende soorten die op Appendix I van het verdrag staan te beschermen. Daarnaast dienen er overeenkomsten gesloten te worden over het gezamenlijk beheer van de soorten die op Appendix II van het verdrag staan. Hoewel er op Appendix II een aantal soorten staan die relevant zijn voor de Nederlandse Antillen, waaronder de Flamingo, is deze lijst vooralsnog van minder belang,  daar er weinig landen zijn waarmee de Nederlandse Antillen  een dergelijke overeenkomst kan sluiten. In de regio zijn alleen Panama, de Franse eilanden en Frans Guyana en de Engelse eilanden—Anguilla, British Virgin Islands, Turks and Caicos, Cayman en Montserrat—partij bij het Bonn verdrag. Het komt erop neer dat op de Nederlandse Antillen het Bonn verdrag alleen relevant is voor de soorten op Appendix I van het verdrag. Deze zijn: Tadarida brasiliensis—een vleermuis die op de Bovenwinden voorkomt, Megaptera novaeangliae—de Bultrug Walvis, en vijf soorten zeeschildpadden—Chelonia mydas, Caretta caretta, Eretmochelys imbricata, Lepidochelys olivacea en Dermochelys coriacea.

4.2.4 Ramsar of Wetlands Conventie
Het Verdrag van Ramsar inzake Watergebieden van Internationaal Belang, in het bijzonder als Gebied voor Watervogels; tot stand gekomen te Ramsar, Iran op 2 februari 1971 met aanpassingen in 1982 en 1987 (Trb. 1975, 84).

Dit is het oudste natuurgerichte verdrag. Oorspronkelijk was het voornamelijk gericht op het behoud van gebieden voor watervogels. Later is het uitgebreid met watergebieden (wetlands) in het algemeen, waaronder ook koraalriffen. Elke partij verbindt zich door het aanwijzen van minimaal één watergebied van internationale betekenis, dat dan ook een beschermde status dient te krijgen. Het beheer van dit gebied geschiedt op basis van het “wise use” principe. Het komt erop neer dat gebruik mogelijk is, mits er geen negatieve invloed is op de natuurwaarden.
Bij de ratificatie door het Koninkrijk zijn vijf gebieden in de Nederlandse Antillen aangewezen als “Ramsar”  gebied. Deze liggen allen op Bonaire: Slagbaai, Goto, Klein Bonaire met omringende zee, Lac en het Pekelmeer met de Flamingo Sanctuary.

De Flamingo is een centraal element in alle Ramsar gebieden op de Nederlandse Antillen. Tevens is deze vogel een belangrijk element in de Ramsar gebieden in Venezuela (Refugio de Fauna de Cuare en Los Olivitos), waarbij er een constante migratie is tussen beide landen. 

4.2.5 SPAW
Het Specially Protected Areas and Wildlife Protocol van het Verdrag inzake de Bescherming en Ontwikkeling van het Mariene Milieu in de Caraïbische Regio (Verdrag van Cartagena de Indias, 2 maart 1983);  tot stand gekomen te Kingston, Jamaica, op 18 januari 1990 (Trb 1990, 115).

Dit protocol is door het Koninkrijk der Nederlanden voor de Nederlandse Antillen geratificeerd. Het regelt regionaal diverse zaken inzake natuurbeheer. Het stelt verplichtingen voor het beschermen van natuurgebieden, met name in het mariene en kust gebied en voor de bescherming van soorten. Naast de verplichting om zelf na te gaan welke soorten bedreigd zijn—een taak voor de eilandgebieden—en die te beschermen, zijn er een aantal lijsten van soorten die in de hele regio beschermd dan wel beheerd dienen te worden. Annex I behelst bedreigde plantensoorten en annex II dito diersoorten. Op annex III staan soorten waarvan het beheer gewenst is.

Het protocol is nog niet van kracht. In het kader van het SPAW “Regional Programme” worden reeds diverse programma’s in de regio ontwikkeld en uitgevoerd met betrekking tot het—vooral mariene—natuurbeheer. Invulling van het SPAW verdrag zal conform de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming vooral op eilandelijk niveau plaatsvinden. Het land dient er op toe te zien dat dit ook gebeurt.

4.2.6 Inter-Amerikaans Zeeschildpadden Verdrag
Het Inter-Amerikaans Verdrag inzake de Bescherming en het Beheer van Zeeschildpadden; tot stand gekomen te Caracas, Venezuela, op 1 december 1996 (Trb. 1999, 45).

Dit verdrag dat nog niet van kracht is, beoogt bescherming, beheer en herstel van de populaties van alle soorten zeeschildpadden die voorkomen in de wateren rondom de landen van de Amerikaanse continenten.
Het belangrijkste aspect waarin dit verdrag verder gaat dan andere verdragen is het verplichten van zeeschildpad ontsnappingsmechanismen (ZOMs, in het Engels: Turtle Excluder Devices—TEDs) in netten voor de garnalenvisserij. Deze apparaten moeten bijvangst van zeeschildpadden voorkomen. Vooralsnog wordt er in de wateren van de Nederlandse Antillen niet op garnalen gevist en is geen actie vereist.

Van al deze verdragen dient de Nederlandse Antillen op gezette tijden te rapporteren aan de verdragssecretariaten*.



 
4.3 Raakvlakken

Terug naar Inhoud

Behoud van biologische diversiteit is niet alleen een voorwaarde voor behoud van de natuur, maar is daarmee ook een voorwaarde voor duurzame ontwikkeling, waaronder economische ontwikkeling. Dit geldt in principe voor alle sectoren, maar voor enkele in het bijzonder. 

4.3.1 Toerisme

Op alle eilanden van de Nederlandse Antillen is het duidelijk dat de natuur een belangrijk deel is van het basiskapitaal voor de toeristische ontwikkeling. Het spreekt voor zich, dat bij achteruitgang in de natuurwaarden op een eiland ook het toerisme in de meeste gevallen achteruit zal gaan. Tegelijkertijd kan een onbeheerste en onjuist geplande groei in toerisme ook een oorzaak zijn van de achteruitgang van de natuur. Daarbij is het beheer van natuur vaak afhankelijk van inkomsten uit het toerisme. In de “Nota Duurzaam Toerisme”—opgesteld door de sectie Milieu en Natuur van het Departement voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne, in nauw overleg met de eilandgebieden en belanghebbenden uit de sector (1997)—wordt uitgebreid ingegaan op deze relatie.
In de “Nota Duurzaam Toerisme” worden de hieronder weergegeven aanbevelingen uit de “Declaration on Sustainable Tourism for the Netherlands Antilles” (Sint Maarten June 13, 1997) nader uitgewerkt. 
The Experts on Planning, Tourism Development and Environment from the Central Government and the five Islands of the Netherlands Antilles, from the Netherlands, Aruba and regional organizations,
Gathered in a Conference on Sustainable Tourism for the Netherlands Antilles that was held in Sint Maarten and Saba from 11-13 June 1997,
In their effort to secure a sustainable tourism development for the Netherlands Antilles in which the economic and social needs will be fulfilled, while maintaining cultural integrity, essential ecological processes, biological diversity and life support systems,
  • Have formulated and agreed upon the following points of departure for a National Policy on Sustainable Tourism for the Netherlands Antilles:
  • Aspects of nature and the environment should play a major proactive role in physical planning and tourism development planning for sustainable tourism.
  • Valuation of the environmental impacts should become a prerequisite for development of tourism and related infrastructural and construction projects
  • The most ecofriendly ways of international transport should be encouraged; collective transport and other ways and means of environmentally friendly ‘on island’ transportation should be stimulated
  • Reception facilities for waste water and garbage from cruiseships and other vessels should be set up in accordance with the international regulations (MARPOL) for Antillean ports
  • Island Governments should develop ecofriendly construction and greening criteria for tourism facilities; island hotel associations should promote existing ‘green your hotel’ initiatives amongst their members and hotels should be stimulated to participate in Green Your Hotel Programs
  • Island Governments should stimulate —when proven (macro)economically and environmentally attractive— the decentralized (private) production of electricity and water and treatment of waste water through adequate regulation and pricing
  • Fiscal mechanisms to facilitate ‘green’ construction and upgrading measures as well as ‘green’ water and energy production and waste water treatment should be created and applied
  • A policy on beaches, entailing guidelines for public use, protection of natural beaches, land and sand use and (artificial) beach construction and beach quality guidelines should be developed as part of the national policy on sustainable tourism
  • The protection of valuable natural areas should be pursued through a combination of physical planning, nature policy plans, legal protection of the areas and a properly planned management on the various islands
  • The restaurant sector should be persuaded not to include endangered species on their menu’s and the souvenir trade should be prohibited to sell parts of our natural heritage
  • Tourists should be informed about the beauty and vulnerability of each islands’ biodiversity and environment and about the consequences of what they consume and buy in terms of endangered species (CITES)
  • Environmental theory and practice should become a major theme in the training programs of the tourism sector
  • Environmental education together with tourism awareness should become an integrated element within the education system at all levels on each island
  • A monitoring network for potential environmental disasters -such as the pink mealy bug- should be set up
  • Maintaining our cultural integrity should go hand in hand with environmental issues when planning for sustainable tourism.
4.3.2 Landbouw, veeteelt & visserij De relatie tussen landbouw en natuur is uitermate nauw. In veel gevallen kan er ook sprake zijn van een gespannen relatie. Duurzame landbouw moet gebruik maken van de stroom van nutriënten, energie en water afkomstig uit de natuur en voor verbetering en vernieuwing van landbouwproducten moet er geput worden uit de genetische hulpbronnen voorradig in de natuur. Omdat landbouw een grote invloed kan uitoefenen op de natuur—door verwijdering van oorspronkelijke flora en fauna en gebruik van terrein; door het creëren van barrières; door invoer van exotische soorten en gebruik van pesticiden en herbiciden; door overmatige bemesting, grondwaterdepletie en bodemverzilting—is het belangrijk om duurzame landbouw te bevorderen, waarbij met deze aspecten rekening wordt gehouden.

Veeteelt is traditioneel een manier om productie uit land te krijgen dat minder geschikt is voor landbouw. Hierbij wordt vaak gebruik gemaakt van de natuurlijke vegetatie als veevoer. Een probleem hierbij is wel dat de dichtheden van het vee vaak groter zijn dan de draagkracht van het gebied. Dit is vaak het geval met geiten die daardoor een enorme invloed kunnen hebben op de biologische diversiteit, (ook loslopende koeien en ezels kunnen veel negatieve effecten hebben), met name de verarming van de vegetatie door de gerichte begrazing van bepaalde kiemplanten. Bovendien kan loslopend vee ernstige erosie veroorzaken. Bij intensieve veehouderij, met voldoende bijvoeding, is de dichtheid minder relevant. Bij extensieve veeteelt dient echter zorgvuldig gekeken te worden naar bestemming en draagkracht van het te gebruiken terrein.

Visserij is volledig afhankelijk van rijkdommen uit de natuur en het voortbestaan van de visserij is dan ook afhankelijk van het voortbestaan van die rijkdommen.Daarbij dient niet alleen  gedacht te worden aan de beviste soorten, maar ook aan de habitats—zoals bijvoorbeeld het koraalrif—waar deze van afhankelijk zijn. 
Daarnaast heeft het land binnen de Exclusieve Visserijzone de internationale verplichting om de visstand op duurzame wijze te beheren. Pelagische en grensoverschrijdende vis populaties, zoals tonijn en zwaardvis kunnen alleen in internationaal verband beheerd worden.



 
5. Beheer en bescherming Het wettelijk veiligstellen van gebieden en de wettelijke bescherming van soorten is het centrale element in het natuurbeheer op de Nederlandse Antillen.
5.1 Gebiedsbescherming

Terug naar Inhoud

Een beschermd gebied is een areaal van land of zee, dat speciaal is gewijd aan de bescherming en het beheer van biologische diversiteit en van natuurlijke en daaraan verbonden culturele rijkdommen, die beheerd worden door middel van wettelijke of anderszins effectieve wijzen (IUCN, 1994).
Internationaal worden er een aantal categorieën van beschermde gebieden onderscheiden afhankelijk van hun beheersdoelstelling (IUCN, 1994). 
 IUCN indeling van beschermde gebieden:
  • Categorie Ia. Strikt natuurreservaat: voornamelijk beschermd voor wetenschappelijke doeleinden;
  • Categorie Ib. Wilderness Area: groot en ongerept natuurgebied dat voornamelijk wordt beheerd voor het behoud van de zuiver natuurlijke toestand;
  • Categorie II. Nationaal Park: relatief groot gebied dat voornamelijk beheerd wordt voor de bescherming van ecosystemen en voor recreatie;
  • Categorie III. Natuurmonument: beschermd gebied dat beheerd wordt voor het behoud van specifieke of unieke natuurlijke of culturele elementen;
  • Categorie IV. Habitat/Soort Beheer Gebied: beschermd gebied voor het beheer door middel van beheersinterventie, vaak voor het behoud van een specifieke soort;
  • Categorie V. Beschermd landschap of –zeeschap: beheerd voor het behoud van vaak traditionele gebruiksvormen die het landschap uniek maken;
  • Categorie VI. Beschermd gebied voor het beheer van natuurlijke hulpbronnen: een voornamelijk natuurlijk gebied dat zodanig beheerd wordt dat op lange termijn de biologische diversiteit van het gebied gegarandeerd is, maar tevens op duurzame wijze in de behoeften van de gemeenschap voor natuurlijke produkten wordt voorzien.
Niet alle categorieën zijn op de Nederlandse Antillen vertegenwoordigd en deze wijze van benoeming van gebieden op de eilanden wordt niet altijd exact zo toegepast. Deze indeling zal voornamelijk gebruikt worden voor rapportage aan de internationale gemeenschap.
Aanwijzing en wettelijke bescherming van natuurgebieden* is het prerogatief van de eilandsraad van een eiland. Het is van belang dat er op elk eiland een netwerk van beschermde gebieden is, volgens  verschillende categorieën, waarbij rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang tussen die gebieden en waar moet worden voorkomen dat soorten in een bepaald beschermd gebied in een isolement raken. Gestreefd dient te worden naar het behouden en beschermen van een ecologische hoofdstructuur op elk eiland, bestaande uit beschermde gebieden, bufferzones en verbindingsgebieden.

Een natuurgebied met voldoende omvang—in vergelijking met het eiland–, een natuur die representatief is voor het eiland, met voldoende diversiteit en waarvan het beheer goed geregeld is, kan het predikaat “Nationaal Park” krijgen.

Om het predikaat “Nationaal Park” te verkrijgen, dienen aan de volgende voorwaarden en procedures te worden voldaan:
  • De eilandsraad zorgt dat het betreffende gebied een adequate  bescherming heeft in een eilandsverordening en dat het gebied ook daadwerkelijk beheerd wordt, welk beheer ook voor de toekomst is zeker gesteld.
  • Indien het gebied aan de eisen voldoet, kan de eilandsraad besluiten om het gebied, eventueel in combinatie met andere gebieden, voor te dragen aan de minister om in aanmerking te komen als nationaal park.
  • De minister zal vervolgens, gehoord hebbende de commissie natuurbeheer, het gebied het predikaat Nationaal Park verlenen door middel van een ministerieel besluit. 
  • Tevens zal de minister zorg dragen voor de aanmelding van het gebied bij de daartoe relevante internationale organisaties.
Vooralsnog is slechts één terrestrisch gebied als Nationaal Park erkend, The Quill op  St. Eustatius. Daarnaast zijn er twee mariene parken erkend als Nationaal Park, bij Saba en Bonaire. In de planperiode zal getracht worden om het netwerk van Nationale Parken uit te breiden*. Hierbij valt te denken aan het Christoffel Park op Curaçao, het Washington Slagbaai Park op Bonaire, ‘the Hillsides” op St. Maarten en het Muriel Thissel Park en Mount Scenery op Saba, alsmede een marien park bij respectievelijk St. Maarten, St. Eustatius en Curaçao. Ook bestaat de mogelijkheid dat het gebied niet in aanmerking komt als Nationaal Park, maar wel op verzoek van de eilandsraad aangemeld wordt bij een daartoe relevante internationale organisatie, bijvoorbeeld het Ramsar Bureau.

In het kader van artikel 5 van het Ramsar Verdrag dienen met Venezuela afspraken te worden gemaakt over het beheer van de Ramsar gebieden—er is een constante migratie van Flamingo’s tussen beide landen*. Tevens dienen met de beheerder van de Flamingo Sanctuary afspraken te worden gemaakt inzake het beheer*, omdat dit gebied een belangrijke broedplaats is van de Flamingo. 

Tevens zal tijdens deze planperiode in samenwerking met de eilandgebieden de wenselijkheid bekeken worden om nieuwe watergebieden aan te wijzen als Ramsar gebied*. In aanmerking hiervoor kunnen komen: Jan Thiel en Jan Kok, beide op Curaçao. 
 

5.2 Ecosysteem benadering

Terug naar Inhoud

Naast een netwerk van beschermde gebieden is de instelling van vooralsnog “multi-purpose” gebieden van belang—vergelijk met IUCN categorie VI—waarin de werkwijze van de “ecosystem approach” kan worden uitgewerkt. De essentie van deze werkwijze is het primair kijken naar de functie en het functioneren van het ecosysteem en de natuurlijke rijkdommen zodanig gebruiken dat deze essentiële functies behouden blijven. Hierbij zijn mensen een integraal onderdeel van het ecosysteem. Het verdrag inzake biologische diversiteit heeft de benadering vanuit het ecosysteem aangemerkt als het primaire raamwerk voor actie, die conform dit verdrag uitgevoerd zal worden. Hiermee zal dan ook inhoud gegeven kunnen worden aan artikel 14 van de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en –bescherming.

De ecosysteembenadering heeft als voordeel dat de natuur niet in een glazen kast gaat. Tevens wordt een zo groot mogelijke diversiteit behouden, omdat niet alleen gekeken wordt naar soorten met een hoge charismatische waarde (‘aaibaarheid’), maar naar het hele systeem.

Bescherming van gebieden en soorten is een belangrijk onderdeel van het natuurbeleid. Echter in kleine en relatief dichtbevolkte gebieden met een grote diversiteit en interactie, is het moeilijk om de gehele diversiteit te behouden op de klassieke wijze met wettelijke bescherming van gebieden en soorten. Er dient namelijk ook rekening gehouden te worden met het optimaal en duurzaam gebruik van de biologische diversiteit en met een eerlijke verdeling van de voordelen. Hier biedt de ecosysteem-benadering een goed alternatief.

In de planperiode zal een aanzet worden gemaakt met de ecosysteem-benadering. Daartoe zullen enkele van de volgende ecosystemen worden geïnventariseerd*: koraalriffen, binnenwateren en saliña’s, montane gebieden en landbouwarealen. Van deze ecosystemen op de Nederlandse Antillen zal een beschrijving worden samengesteld uitgaande van een aantal parameters: 
  • systeem dimensies (w.o. oppervlakte, beheer en vorm); 
  • gebruik (voedselproductie, recreatie); 
  • gesteldheid (primaire productiviteit, erosie, nutriënten, energiestromen, verontreiniging, natuurlijke soorten, importsoorten en pathogenen) en
  • de relatie tot andere systemen
Vervolgens zal in het kader van een pilot project een begin gemaakt worden met een beheersmodel volgens de volgende principes (UNEP, 1998)*:
  • uitgaand van een breed draagvlak;
  • gedecentraliseerd beheer;
  • beheer dat rekening houdt met de effecten op nabije en andere ecosystemen;
  • beheer in economische context: verminderen van marktprocessen die een negatieve invloed hebben op de biologische diversiteit; stimuleringsmechanismen om duurzaam gebruik te bevorderen en zo veel mogelijk de kosten en baten in het ecosysteem internaliseren;
  • behoud van structuur en functie van het ecosysteem;
  • beheer binnen de marges van de functies;
  • uitgaand van een realistische schaal;
  • onderkenning van vertraagde effecten op het ecosysteem;
  • beheer dat verandering erkent;
  • goede balans tussen natuurbehoud en –gebruik;
  • gebruik makend van alle mogelijke informatie, wetenschappelijke - en volkskennis en informatie over de lokale situatie, vernieuwingen en praktische zaken;
  • inschakeling van alle relevante sectoren in de maatschappij en alle relevante (wetenschappelijke) disciplines.
5.3 Saba Bank

Terug naar Inhoud

De Saba Bank bevindt zich voor een derde deel in de territoriale wateren van Saba en voor tweederde deel in de Economische Visserij Zone (EFZ, Economic Fishery Zone) van de Nederlandse Antillen. Daarmee valt het gebied voor het grootste deel niet onder verantwoordelijkheid van enig eilandgebied, maar rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van het Land. Het gebied kent uitgestrekte koraalriffen en is van groot belang voor de visserij, zowel op bodem- en rifvis, kreeft en karkó. Ook als bron van eieren en larven van vis, kreeft, karkó, koralen en andere dieren—niet alleen voor het gebied zelf, maar waarschijnlijk voor de hele regio—is de Saba Bank van groot belang. Vermoedelijk is het ook een belangrijk foerageergebied voor bedreigde zeeschildpadden en mogelijkerwijs is het een paargebied voor walvissen. Er dient dan ook zo spoedig mogelijk een beheersplan* voor het gebied te komen, zowel voor een duurzame visserij als ter bescherming van de biodiversiteit van het gebied. Teneinde dit doel te bereiken wordt op dit moment onderzoek gedaan naar de visserij op de Bank. Dit onderzoek moet in juni 2000 een voorlopig resultaat leveren over de stand van zaken in de visserij en de te nemen maatregelen voor een duurzaam beheer hiervan. Daarnaast zullen fondsen gezocht moeten worden om te starten met een inventarisatie van de biodiversiteit* van de Saba Bank. De verschillende habitats van de Bank, van koraalrif tot wiervlakten, moeten in kaart gebracht worden, foerageergebieden voor schildpadden dienen geïdentificeerd te worden, evenals andere bijzondere of kwetsbare subgebieden. Uit de resultaten van dit biodiversiteitsonderzoek en het visserijonderzoek zal uiteindelijk een integraal beheersplan opgesteld worden voor de Saba Bank als “multi-purpose” gebied, gebaseerd op de ecosysteem-benadering en duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

Nu reeds duiden de resultaten van het visserijonderzoek op de Bank er op dat overbevissing plaatsvindt. Het is dan ook niet verantwoord om nieuwe visvergunningen voor het gebied uit te geven. Tevens zal de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba verzocht worden de Bank intensief te blijven controleren op illegale visserij.
 

5.4 Soortsbescherming

Terug naar Inhoud

Voor het behoud van de biologische diversiteit is een netwerk van beschermde gebieden noodzakelijk waarbij in eerste instantie uitgegaan moet worden van duurzaam gebruik van de natuur, in het algemeen gebaseerd op de ecosysteem-benadering (zie § 5.2). Toch zal het altijd voorkomen dat enkele soorten verdere wettelijke bescherming behoeven om te voorkomen dat zij verdwijnen, waardoor de biologische diversiteit wordt aangetast. De oorzaak hiervan kan liggen in de kwetsbaarheid van de soort doordat ze endemisch is in een beperkt gebied of hoge eisen stelt aan het leefgebied waaraan niet altijd gemakkelijk kan worden voldaan. Daarbij kunnen exemplaren of produkten van een soort een dermate commerciële of andere waarde bezitten, dat mensen die soort op een dusdanig onverantwoorde wijze verzamelen of jagen, dat het voortbestaan van die soort in het wild in het geding komt. In dergelijke gevallen wordt het noodzakelijk dat die soort een bijzondere behandeling krijgt door middel van wettelijke bescherming.

Om een goed beeld te verkrijgen van de biodiversiteit zal een aanvang worden gemaakt met een soorteninventarisatie* en een soortendatabestand*. Tevens moeten hulpmiddelen voor de identificatie van soorten* worden samengesteld. 

Verschillende soorten die op mondiaal niveau bedreigd zijn, dienen volledig beschermd te worden volgens de verschillende verdragen. Men denke hier in de eerste plaats aan de soorten die genoemd zijn in Appendix I van CITES en het Bonn verdrag en de annexen I en II van het SPAW protocol*. Voor de soorten op CITES appendix II en SPAW annex III moeten beheersvoorschriften opgesteld worden* of, indien de soort hier duidelijk bedreigd is, moet een volledig wettelijke bescherming ingesteld worden.

Vanuit het Land zal de soortsbescherming voornamelijk uitgevoerd worden bij de implementatie van het CITES verdrag. In alle soorten die op de appendices van CITES voorkomen, kan slechts internationaal gehandeld worden met een vergunning afgegeven door de beheersinstantie. In soorten op appendix I kan niet gehandeld worden voor commerciële doeleinden. Voor soorten op appendix II kan slechts een vergunning afgegeven worden, indien de wetenschappelijke autoriteit  aangeeft dat deze handel het voortbestaan van de soort in het wild niet in gevaar brengt. De wetenschappelijke autoriteit is een bij de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming ingestelde groep van deskundigen, die naast het aangeven of de export van soorten het voortbestaan van de betreffende soorten niet schaadt, onder meer tot taak heeft te adviseren over de identificatie van soorten. De wetenschappelijke autoriteit houdt ook toezicht op de afgifte van vergunningen en de daadwerkelijke export van soorten, om te voorkomen dat soorten in hun voortbestaan bedreigd raken. Daarnaast kan zij desgevraagd ook over andere zaken betreffende natuurbeheer en –bescherming adviseren. 

De mate van lokale bescherming van de planten- en diersoorten op Appendix II zal afhangen van de noodzaak. Vooral de soorten die daar geplaatst zijn om de controle in handel van andere soorten te verbeteren zullen niet altijd beschermd hoeven te worden (de cactus Opuntia wendtiana—prickly pear/infrou/tuna—b.v., staat weliswaar op lijst II als onderdeel van de cactusfamilie, maar is bepaald niet bedreigd op onze eilanden). Soorten die op de Nederlandse Antillen bedreigd zijn en waar handel een rol speelt, kunnen door de eilandgebieden eventueel voorgedragen worden om voor de Nederlandse Antillen op Appendix III geplaatst te worden. Zolang de Nederlandse Antillen zelf geen soorten op appendix III heeft geplaatst kunnen alle legaal aanwezige exemplaren op die lijst een vergunning krijgen als zijnde een bewijs van oorsprong.

Teneinde vast te stellen welke exemplaren van soorten op de CITES I lijst nu op de Nederlandse Antillen in bezit aanwezig zijn, zal registratie* van deze exemplaren geschieden.  Dit is een verplichting in de landsverordening om er zorg voor te dragen dat alleen exemplaren die legaal conform CITES geïmporteerd of geregistreerd zijn en hun nakomelingen in aanmerking kunnen komen voor een exportvergunning. Ook soorten die op lijst I of II van het SPAW protocol staan, zullen geregistreerd worden. 

De eilanden moeten eveneens bepalen welke andere soorten bedreigd zijn en dienen deze wettelijk te beschermen*. Om hen hierin behulpzaam te zijn zal het land een nationale versie opstellen van een rode lijst van bedreigde soorten*, waarbij tevens is aangegeven welke de oorzaken zijn van de achteruitgang van de soort. Deze zal worden opgesteld conform de criteria van de “Red List” van de World Conservation Union (IUCN).

IUCN hanteert de volgende indeling van soorten, die een weergave zijn van de status van soorten die op mondiaal niveau bedreigd worden.
EX – extinct: uitgestorven
EW  – extinct in the wild: uitgestorven in het wild
CE  – critically endangered: kritisch bedreigd
EN  – endangered: bedreigd
VU  – vulnerable: kwetsbaar
LRcd  – low risk, conservation dependent: laag risico indien goed beheerd
LRnt  – low risk, near threatened: laag risico, maar bijna bedreigd
LRlc  – low risk least concern: laag risico met de minste zorg
DD  – data deficient: te weinig gegevens
NE  – not evaluated: niet geëvalueerd
Voor lokale of regionale lijsten zou er nog bij moeten komen: 
RE  – regionally extinct: regionaal uitgestorven
Voor het bepalen van de status van de soort zijn er criteria vastgesteld, die voor de nationale situatie moeten worden aangepast. De lijsten die tot nu gepubliceerd zijn (IUCN, 1996) zijn niet uitputtend.
5.5 Controle op vreemde (invasieve) soorten

Terug naar Inhoud

Op wereldschaal vormt de bewuste of onbewuste introductie door de mens van vreemde soorten één van de grootste bedreigingen voor de biologische diversiteit. Dit geldt te meer voor kleine eilanden. Immers soorten die zich lange tijd in relatieve isolatie hebben kunnen ontwikkelen, kunnen des te gemakkelijker worden verdrongen door de binnendringers. Op de  Nederlandse Antillen zijn hier al voorbeelden van zoals de Palu di Lechi (Cryptostegia grandiflora) op Curaçao en Bonaire en de Mongoose op St. Maarten. Op Curaçao lijkt het erop dat de eigen Chonchorogai langzaam aan wordt verdrongen door de Europese Huismus. De Huismus is nu ook in grote getale op Bonaire terecht gekomen. Niet alleen dergelijke planten en dieren zijn geïntroduceerd, maar ook verschillende planten- en dierenziekten. De Pink Mealy Bug die onlangs is geïntroduceerd op verschillende eilanden, tastte oorspronkelijk veel (uitheemse) tuinplanten aan, maar is nu ook te vinden op inheemse bomen.

Op het land, maar ook in zee kan de introductie van exotische soorten problemen opleveren. Een mogelijke vector hierbij is het ballastwater van schepen, maar ook ontsnapping van voor aquacultuur geïntroduceerde soorten is een mogelijkheid.
Voor het behoud van de biologische diversiteit is het van belang dat in elk gebied juist de inheemse soorten behouden blijven. Een belangrijk onderdeel van het Biodiversiteitsverdrag is dan ook de verplichting tot controle op vreemde soorten* of op het in de natuur vrijlaten van soorten die genetisch gemanipuleerd zijn door de mens.

Een aanzet voor wetgeving inzake de controle van introducties is het ontwerp voor de Landsverordening Fytosanitaire Regels, weliswaar vooral betrekking hebbend op introductie van plantenziekten. Verdere regelgeving voor de controle op de invoer van planten en dieren* in het algemeen zou gewenst kunnen zijn. Hoewel binnen het kader van het CITES verdrag en de daaraan verbonden registratie van soorten er enige controle uitgeoefend kan worden inzake de introductie van vreemde soorten voor zover ze op de lijsten van dit verdrag staan, zal het voorkómen van introducties toch voornamelijk een kwestie zijn van voldoende bewustmaking van de autoriteiten en de bevolking.

Wat betreft de introductie van vreemde soorten in zee via ballastwater, is de International Maritime Organization (IMO) bezig met het opstellen van richtlijnen voor ballastwater. De mogelijkheid bestaat dat deze richtlijnen ondergebracht worden in een bestaand (Marpol) of apart verdrag. Vooruitlopend hierop kunnen enkele van die richtlijnen hier al uitgevoerd worden. Zo kunnen de eilanden schepen verbieden om water uit de kustgebieden van elders hier te lozen. Dit kan het gemakkelijkst door het ballastwater op open zee te vervangen. In geval bepaalde schepen door hun bouw hier problemen mee zouden hebben, zouden zij de verplichting kunnen krijgen om het water te filteren, dan wel een andere effectieve methode te gebruiken, alvorens het te lozen. Zo heeft Bonaire civielrechtelijk geregeld dat ballastwater niet in de territoriale wateren mag worden geloosd.
 

5.6 De eerlijke en billijke verdeling van kennis en voordelen afkomstig van genetische rijkdommen

Terug naar Inhoud

De toegang tot genetische hulpbronnen op gezamenlijk overeengekomen voorwaarden (mutually agreed terms—MAT), toegang tot en overdracht van technologie en behandeling van biotechnologie en verspreiding van haar voordelen, worden in de artikelen 15, 16 en 19 van het Biodiversiteitsverdrag aan de orde gesteld.

Artikel 14 van de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming delegeert de uitvoering van deze zaken naar de eilandsraden van de eilandgebieden.

Ten behoeve van de synchronisatie van de uitvoering binnen de Nederlandse Antillen maar ook op regionaal niveau, zullen tijdens de planperiode, in samenwerking met de eilandgebieden, richtlijnen ontworpen worden voor het vaststellen van de voorwaarden waarop er gebruik gemaakt kan worden van de genetische hulpbronnen en aanverwante elementen van de natuur*. De discussie die hierover plaats vindt binnen het kader van het Biodiversiteitsverdrag zal dienen als basis voor de nationale discussie.



 
6. Onderzoek Bij diverse aspecten van het natuurbeleid speelt beleidsondersteunend wetenschappelijk onderzoek* een centrale rol. Gezien het belang van het onderzoek en de noodzaak om efficiënt met de beperkte middelen om te gaan zal de regering een nota natuuronderzoek opstellen*. Deze zal gebaseerd zijn op de verplichtingen vanuit de verschillende verdragen en de behoefte aan onderzoek ten behoeve van het natuurbeheer op de diverse eilanden. 

Hierbij dient in de eerste plaats gedacht te worden aan inventarisatie van soorten als basis voor de beoordeling inzake de noodzaak tot wettelijke bescherming dan wel andere beheersvormen. 

Ook zal in het kader van de ecosysteem-benadering aandacht besteed moeten worden aan de verschillende functies van elk ecosysteem en moet het beheer begeleid worden door onderzoek.

Door een gecoördineerd beleid zal het onderzoek effectief ingezet worden. Vanuit het beleid zal meer dan voorheen sturing aan het onderzoek worden gegeven, door het te koppelen aan de beleidsprioriteiten. Carmabi wordt gezien als een belangrijke onderzoeksinstantie voor de toelevering van wetenschappelijke gegevens ten behoeve van natuurbeleid en –beheer. 

Eén van de programma’s die in het kader van het “Regional SPAW Programme” plaats vindt, is de Caribische component van het International Coral Reef Initiative (ICRI). 
Het ICRI is een uniek internationaal milieupartnerschap waarbinnen alle belanghebbende partijen trachten te komen tot duurzaam gebruik en bescherming van de koraalriffen voor toekomstige generaties. Het is een informeel mechanisme waardoor vertegenwoordigers van meer dan 80 ontwikkelingslanden met koraalriffen, als gelijkwaardige partners om de tafel kunnen zitten met belangrijke donorlanden en ontwikkelingsbanken, met internationale milieuorganisaties en ontwikkelingsorganisaties, wetenschappelijke organisaties, de privé-sector en NGO’s om gezamenlijk te bepalen wat de beste strategie is om de rijkdommen van de koraalriffen van de wereld te behouden en beschermen.

De hoofddoelstellingen van het ICRI zijn:

  • wereldwijd de aandacht te richten op de achteruitgang van de koraalriffen overal ter wereld en de praktische oplossingen aan te dragen die onmiddellijk uitgevoerd dienen te worden om deze achteruitgang tegen te gaan.
  • het instellen van operationele ICRI netwerken op internationaal en regionaal niveau ter coördinatie van de sleuteldoelstellingen: implementatie van geïntegreerd kustbeheer, scholing, uitvoering van effectief onderzoek en monitoring, vergroting van het bewustzijn bij alle belanghebbenden en het bevorderen van de betrokkenheid van de privé-sector, vooral de toeristische sector.
  • het katalyseren middels deze netwerken, van de ontwikkeling en financiering van regionale programma’s en projecten die samenwerking mogelijk maken tussen de ICRI partners ter bescherming, beheer en duurzame ontwikkeling van koraalriffen en aanverwante ecosystemen.
In het kader van dit initiatief dat in 1994 werd gelanceerd, zijn er verscheidene workshops en rapportages over de stand van zaken van de koraalriffen verwezenlijkt. Het ligt in de bedoeling om in samenwerking met de eilandgebieden, onderzoeksinstituten, beheersinstanties en niet-gouvernementele organisaties te komen tot een Netherlands Antilles Coral Reef Initiative*. Hierdoor wordt aangesloten bij de internationale stroming en tevens kan op een structurele wijze de kennis over het ecosysteem en vooral het beheer ervan, in kaart gebracht worden.


 
7. Draagvlak – Partnerschap voor de natuur Teneinde voldoende draagvlak te krijgen voor de uitvoering van het natuurbeleid, maar ook om de bevolking in haar geheel meer te betrekken bij haar natuurlijk erfgoed en rijkdommen zal een aantal projecten worden uitgevoerd op alle eilanden van de Nederlandse Antillen.

Zonder voldoende sociaal draagvlak kan natuurbeleid niet effectief zijn. Tot nu toe ontbrak het aan een integrale benadering ter vergroting en verbreding van het draagvlak voor zowel het natuurbeleid van de overheid als het beleid van andere sectoren op dit gebied. In het kader van een verder uit te werken Integraal Beleidsplan Vergroting Draagvlak Milieu- en Natuurbeleid wordt gestreefd naar het sluiten van zogenaamde partnerschappen voor de natuur tussen een achttal betrokken sectoren:

  1. de overheid, 
  2. milieu- en natuurorganisaties, 
  3. de onderwijssector,
  4. de toerismesector
  5. de media,
  6. het overige bedrijfsleven,
  7. sociale, culturele en recreatieve organisaties en
  8. wijkorganisaties.
Het partnerschap voor de natuur zal binnen het grotere samenwerkingsverband van het Platform voor Milieu en Natuur plaatsvinden (zie § 9). Ter vergroting van het draagvlak voor het beleid binnen de bovengenoemde sectoren zullen de volgende stappen worden ondernomen:
  • Uitbouw en formalisering van de—bovengenoemde sectoren omvattende—netwerken, partnerschappen voor de natuur, waarbij verantwoordelijkheid voor het beheer en behoud van de natuur onderling gedeeld wordt tussen de betrokken sectoren*
  • Vorming van een Forum Draagvlak Milieu- en Natuurbeleid* voor overleg en beleidscoördinatie op het gebied van draagvlak vergroting, die deelneemt aan het nationale Platform voor Milieu en Natuur.
De uitgangspunten van het natuurbeleid vormen bij de vergroting van het draagvlak de rode draad, te weten:
  • De verantwoordelijkheid van de mens voor de bescherming en het verstandige beheer van de natuur.
  • Het behoud van de biologische diversiteit als voorwaarde voor een gezonde natuur.
  • Het belang van een gezonde natuur voor het welzijn en de duurzame ontwikkeling van de samenleving.
  • Uitvoering van de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming.
  • Niet alle activiteiten zullen door de overheid worden uitgevoerd. Een aantal van deze projecten en campagnes zullen door niet-gouvernementele organisaties worden uitgevoerd.
Als stimulans van door NGO’s geëntameerde en uitgevoerde projecten, zowel op dit terrein alsmede op andere gebieden van natuurbeheer en –bescherming, beheert de sectie Milieu en Natuur het KNAP fonds Nederlandse Antillen (Kleinschalige Natuurbescherming Projecten), dat gelden ter beschikking stelt aan projecten.
De publicatie en verspreiding van de periodieke nieuwsbrief over milieu- en natuurbeleid, onder redactie van de sectie Milieu en Natuur van het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, zal worden voortgezet, evenals de website van de sectie milieu- en natuur, http://mina.vomil.an.
Projecten:
    • Productie en verspreiding van informatiefolders en werkmappen milieu- en natuurbeleid gericht op elk van de acht sectoren*.
    • In het kader van een nader uit te werken programma Milieu- en Natuurhistorie zal een algemene informatiecampagne worden opgezet rondom de thema’s biodiversiteit en ecosystemen op de Nederlandse Antillen*. Dit project zal worden uitgevoerd in samenwerking met de acht sectoren en met cofinanciering vanuit het bedrijfsleven en de mediasector.
    • In het kader van de implementatie van het CITES-verdrag en de daaraan refererende artikelen van de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming zal de reeds bestaande voorlichtingscampagne* worden voortgezet met gerichte informatiefolders,  radiospots en -programma’s en publieke evenementen. Tevens zal in samenwerking met de partners op de eilanden in deze campagne aandacht besteed worden aan de controle op de invoer van vreemde soorten* en de terugdringing van reeds ingevoerde schadelijke soorten, zoals de palu di lechi op Curaçao en Bonaire en de Mongoose op Sint Maarten.
    • In het kader van het Bonn-Verdrag, de Ramsar-Conventie, het SPAW-Protocol en het Interamerikaans Zeeschildpaddenverdrag zullen in samenwerking met milieu- en natuurorganisaties en de dierenbescherming affiniteits-campagnes worden gevoerd ten aanzien van een aantal bedreigde en beschermde soorten*. Doel van deze campagnes is de affiniteit tussen publiek van verschillende generaties en deze soorten te vergroten, zodat er naast rationeel ook een emotioneel draagvlak wordt gecreëerd voor de bescherming van deze soorten.
    • In het kader van de bevordering van ‘duurzaam toerisme’ in relatie met het natuurbeleid van de overheid zullen een videoproductie en informatiefolders worden geproduceerd gericht op toeristen, toeristische gidsen, taxichauffeurs en andere werknemers in de toeristische sector, met de bedoeling een verantwoordelijke omgang met de natuur te bevorderen. Voor inkomende toeristen wordt een integraal traject uitgewerkt om hen op diverse manieren van informatie te voorzien opdat zij natuur en milieu ontzien. Tegelijkertijd zal gestreefd worden naar het bevorderen van natuur- en milieuvriendelijk handelen bij de leveranciers van het toeristisch product*.
    • In het kader van de relatie tussen natuurbeleid en landbouw- en veeteeltpraktijken zal een informatiecampagne worden gevoerd over de gevolgen van loslopend vee voor de natuurlijke vegetatie*. Daarnaast zullen overlegrondes worden gehouden met de eilandgebieden en de landbouw- en veeteeltsectoren over mogelijkheden om de schadelijke gevolgen van het loslopend vee tegen te gaan. Vergelijkbare overlegrondes zullen met de eilandgebieden en de visserijsector gehouden worden over het duurzaam beheer van traditionele visgronden*, zoals de Saba Bank.
    • In het kader van het nader uit te werken Programma Milieu- en Natuurhistorie zullen video-, en radioproducties, leesmappen, verhalenbundels en folders worden geproduceerd en verspreid over beschermde en te beschermen gebieden, land- en zeeschappen op en rond alle eilanden*. Dit ter vergroting van de bekendheid en affiniteit met deze gebieden. Hierbij zal de ecosysteembenadering centraal staan, zodat het publiek meer oog krijgt voor de onderlinge afhankelijkheid tussen flora, fauna, landschap en de mens.
    • Er zal aansluiting gezocht worden met regionale en internationale inspanningen op het gebied van vergroting van draagvlak voor natuurbeleid*, alsmede ervaringen in andere delen van het Koninkrijk, waarbij gestreefd zal worden naar uitwisseling van materiaal en kennis. De door de Sectie Milieu en Natuur van het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne geproduceerde Nieuwsbrief heeft tevens een functie in de informatie over het Nederlands Antilliaanse natuurbeleid naar de regionale en internationale gemeenschap en binnen het Koninkrijk.


 
8. Regelgeving Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en –bescherming.
Omdat de fundamentele principes van de verschillende verdragen niet integraal zijn overgenomen, maar het strengste regime op alle verdragen van toepassing is verklaard—de landsverordening gaat dus verder dan de verdragen voorschrijven—zijn er knelpunten ontstaan. 
Voor zover het de uitwerking van de verdragen betreft, zal de landsverordening zodanig aangepast worden*, dat de verschillende verdragen nauwgezet gevolgd worden.
De verdragen, met name het CITES verdrag, het SPAW protocol en het Bonn verdrag, werken met verschillende bijlagen met lijsten van soorten die volgens de verdragen op verschillende wijze behandeld dienen te worden. De landsverordening maakt geen onderscheid tussen die bijlagen en laat op allen het striktst mogelijke regiem los, inclusief de verplichting aan eilandgebieden om al deze soorten te beschermen. Omdat sommige bijlagen niet samengesteld zijn met dit doel, ontstaan hierdoor situaties die niet houdbaar zijn, hetgeen indertijd niet voorzien is.

Als voorbeeld van een probleem veroorzaakt door geen onderscheid te maken in de lijsten, kunnen de cactussen genoemd worden. Verschillende soorten cactussen zijn vanwege handel bedreigd en staan op Appendix I van CITES. Enkele andere soorten kunnen bedreigd raken en zouden op Appendix II moeten staan. Nu is het uitermate moeilijk om cactussen te determineren op soort. Vandaar dat CITES terecht alle cactussen op Appendix II plaatst. Zo wordt de controle gemakkelijker gemaakt voor degenen die de CITES regels moeten handhaven. Door alle cactussen op Appendix II te zetten, waarmee met vergunningen gehandeld mag worden, zal elke cactus bij de grens in ieder geval een formulier hebben met de soortnaam erop. Op de Nederlandse Antillen zijn de meeste cactussoorten niet bedreigd. Volgens de bestaande landsverordening dienen alle cactussen volledig beschermd te worden en is het verboden ze te verhandelen of zelfs te bezitten. Het spreekt voor zich dat hierdoor situaties kunnen optreden, die er uiteindelijk toe zullen leiden dat de verordening moeilijk te handhaven zal zijn. Dit handhavingsprobleem kan zich dan ook in gevallen voordoen, waar het wel hard nodig is om een soort van uitsterven te behoeden, zoals bijvoorbeeld bij de Bonaireaanse Lora, de Statia Morning Glory  of de zeeschildpadden.


Landsbesluiten Houdende Algemene Maatregelen.
Er dient op basis van de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming een aantal landsbesluiten te worden aangenomen door de regering. Dit zijn:

  • Instelling Commissie Natuurbeheer en –bescherming (artikel 3)*;
  • Instelling van een verdragen beheersinstantie (artikel 5) *;
  • Landsbesluit voor het stellen van regels inzake de registers die door de beheersinstantie moeten worden beheerd (artikel 5 onder 4)*;
  • Instellen van de wetenschappelijke autoriteit (artikel 6) *;
  • Landsbesluiten voor de aanwijzing van ambtenaren of personen voor toezicht en opsporing in verband met het bepaalde in de landsverordening en de opstelling van de regels voor hun werkwijze (artikelen 16 en 17).
Landsverordening Grondslagen Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning.
Deze Landsverordening is een belangrijk instrument voor gebiedsbescherming, maar is nog niet op alle eilanden geïmplementeerd.

Eilandsverordeningen.
Volgens de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming hebben de eilandgebieden tot 1 februari 2001 de tijd om een eilandsverordening aan te nemen die de eilandelijke regelgeving parallel met de landelijke brengt. Een model voor zo een verordening is in nauw ambtelijk overleg geformuleerd en aan de eilandgebieden aangeboden. Evenzo kan de verdere uitwerking van de eilandsverordeningen* plaats vinden. 

Landsverordening inzake fytosanitaire regels.
Het ontwerp van deze landsverordening is klaar. Naast de voor de hand liggende noodzaak van deze verordening voor het veiligstellen van de landbouw, kan deze gebruikt worden als een instrument voor de controle op ingevoerde plantensoorten.
Landsverordening ter controle van de introductie van nieuwe soorten.
De haalbaarheid en de effectiviteit van een verordening die de invoer van vreemde soorten controleert, moet worden onderzocht*.

Grondwaterverordening.
Een ontwerp grondwaterverordening zal aan de Staten worden aangeboden*. Voor zowel landbouw als natuur is een goed beheer van het grondwater van belang. 
Landsverordening Grondslagen Milieubeheer en hieruit volgende wetgeving.
Parallel aan de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming zal voor het milieubeheer een vergelijkende verordening worden geformuleerd. De voorbereidingen hiervan zijn reeds ver gevorderd. Onder meer zal, volgend uit de Landsverordening Grondslagen Milieubeheer, een Landsbesluit gevaarlijke stoffen worden opgesteld. In relatie tot de natuur dienen stoffen als TBT (tributyltin) en andere “anti-fouling” verfsoorten, sommige insecticiden en pesticiden in dit Landsbesluit te worden opgenomen*.

Fiscale regelingen.
De fiscale sturingsmechanismen op de Nederlandse Antillen zijn vaak niet gericht op de duurzaamheid van de investeringen en hun resultaten. Vaak staan die mechanismen een duurzame ontwikkeling juist in de weg, waardoor ze een status van “perverse incentives” krijgen. In zijn algemeenheid zouden fiscale mechanismen getoetst moeten worden aan het effect op de duurzame ontwikkeling en de biologische diversiteit van de Nederlandse Antillen. In goed overleg met belanghebbenden zullen de mogelijkheden worden nagegaan om middels het fiscaal beleid het duurzaam gebruik en het behoud van de natuur te bevorderen*.

Eén van die mogelijkheden kan zijn een vrijstelling van grondbelasting op nader uitgewerkte voorwaarden voor eigenaren en beheerders van gronden die als conserveringsgebied zijn aangewezen en die daadwerkelijk als zodanig beheerd worden.


 
 

9.1 Nationaal

Terug naar Inhoud

9. Samenwerking De overkoepelende structuur voor de milieu- en natuursamenwerking binnen de Nederlandse Antillen is het Platform voor Milieu en Natuur. Het Platform voor Milieu en Natuur bestaat uit:
  • de formele commissies die zich met milieu- en natuurzaken bezig houden, bijvoorbeeld de Commissie Natuurbeheer en -bescherming;
  • partnerschappen, bijvoorbeeld het Partnerschap voor de Natuur; en
  • fora, zoals het Natuurplatform en het Afvaloverleg.
Met de introductie van een overkoepelende structuur zal de naamvoering van het Natuurplatform wijzigen in Forum Natuur.

Bestuurlijke samenwerking binnen de Nederlandse Antillen op het terrein van de natuur zal in de eerste plaats geschieden conform de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming, via de Commissie Natuurbeheer en –bescherming waar elk eiland een lid en plaatsvervangend lid in benoemt. Deze commissie participeert tevens in het Platform voor Milieu en Natuur. Discussie over de uitwerking van het natuurbeheer zal voornamelijk binnen deze commissie plaats vinden. Daarnaast is er de wetenschappelijke autoriteit, opgezet volgens het CITES model, die de achterliggende informatie moet aandragen en interpreteren.

Het streven is om jaarlijks, dan wel tweejaarlijks, een Forum Natuur—het voormalige “Natuurplatform”—te houden* waar onderwerpen inzake het natuurbeheer aan de orde worden gesteld. Hieraan nemen naast de wettelijk voorgeschreven advies-, beleid-, en beheerinstanties ook andere thematisch betrokkenen deel van zowel overheid als niet-gouvernementele organisaties. De koninkrijkspartners kunnen worden uitgenodigd om te participeren.

Zo werd in 1996 tijdens het Natuurplatform op Bonaire het veiligstellen van natuurgebieden besproken, met als conclusie dat per eiland minimaal één gebied op het land en één in zee beschermd dienen te worden. In 1998 werd op St. Eustatius de financiering van natuurgebieden ter discussie gesteld. Hieruit kwam het initiatief om te streven naar de oprichting van een “trustfund” voor natuur, waarvan het rendement ten goede komt aan beheer van natuurgebieden.
 

9.2 Koninkrijk

Terug naar Inhoud

Samenwerking op natuurgebied binnen het Koninkrijk vindt vooral plaats op basis van de samenwerkingsovereenkomst met de Directie Natuurbeheer van het Nederlandse ministerie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Met Aruba vindt de formele samenwerking plaats binnen het kader van de Ministeriële Samenwerkingsraad. De wenselijkheid van een formele overeenkomst op het terrein van natuur tussen de Nederlandse Antillen en Aruba zal worden nagegaan.*

Met betrekking tot de technisch inhoudelijke aspecten van het beleid inzake de verdragen worden de Koninkrijkspartners nauw geconsulteerd. Deze consultaties moeten verder geformaliseerd worden. Bij de politieke en juridische besluitvorming voor de Nederlandse Antillen inzake internationale verdragen, neemt het Bureau Buitenlandse Betrekkingen het voortouw en adviseert de sectie Milieu en Natuur.
De samenwerkingsovereenkomst tussen LNV en VOMIL loopt tot eind 2000*.
 

9.3 Regionaal

Terug naar Inhoud

Het regionale forum zal voornamelijk plaats vinden in het kader van de Cartagena Conventie, met name het Caribbean Environment Programme. 

De Association of Caribbean States is een traject gestart om de regionale milieu-strategie te formuleren. In dit proces zal de ACS zo veel mogelijk aansluiting zoeken bij de regionale initiatieven, zoals het Caribbean Environment Programme.
Op initiatief van Caricom en overgenomen door ACS is een voorstel voorbereid om de Caribische Zee als “special area” te benoemen in de context van duurzame ontwikkeling. De Nederlandse Antillen ondersteunen dit streven.

De Caribische Zee heeft een aantal speciale karakteristieken:
  • de Caribische Zee is min of meer omsloten door de diverse landen van de Wider Caribbean Region, waarvan het merendeel SIDS, heeft een unieke biodiversiteit en is rijk aan kwetsbare ecosystemen;
  • een verhoogde kwetsbaarheid voor klimaatveranderingen en de toename van natuurrampen, zoals orkanen, aardbevingen, vulkaanactiviteiten;
  • vele—soms in strijd met elkaar zijnde—sociaal-economische activiteiten gerelateerd aan bedoeld gebied;
  • belangrijkheid van de kustzones en het mariene milieu voor de landen van de regio;
  • aanwezigheid van relatief veel landen in een betrekkelijk klein gebied hetgeen effectief management van deze hulpbron vereist;
  • intensief gebruik van het gebied voor maritieme transporten, met alle gevolgen van dien.
  • Om redenen van economie, ecologie, volksgezondheid, sociale en culturele aspecten is duurzaam beheer van het mariene milieu van bedoeld gebied van eminent belang. Door bedoeld gebied internationaal te erkennen als “special area” in de context van “Sustainable Development”, wordt de basis gelegd voor duurzaam beheer en ontwikkeling.
    Met landen die direct grenzen aan de Nederlandse Antillen, zoals de Franse eilanden en Venezuela kunnen bilaterale overeenkomsten gesloten worden voor het beheer van bepaalde natuurlijke rijkdommen.


     
    10. Financiering van het beleid De financiële middelen, de menskracht en de expertise om het doel—het behoud van de biologische diversiteit van de eilanden en de omringende zee, waarbij zorg gedragen dient te worden dat deze diversiteit optimaal en duurzaam gebruikt kan worden voor het welzijn van de bevolking—te bereiken, zijn slechts in beperkte mate aanwezig. Met financiële steun van derden en met de inzet van velen is reeds veel bereikt. Deze steun is onmisbaar gebleken en gedurende de planperiode van voorliggend plan zal externe hulp nodig blijven.

    Milieu en natuur hebben de afgelopen periode een steeds prominentere plaats gekregen in het beleid van de overheden. Zowel het land als de eilandgebieden hebben een eigen verantwoordelijkheid inzake het natuurbeheer en hebben financiële middelen gereserveerd. De begroting van de centrale overheid heeft zich met betrekking tot het onderwerp milieu en natuur de afgelopen jaren helaas niet ontwikkeld zoals in de contouren nota geschetst. Met inachtneming van de noodzaak tot bezuinigen volgt de planning van de activiteiten van onderhavige nota vanaf 2001 een midden scenario: een scenario dat het midden houdt tussen de geplande ontwikkeling volgens de contouren nota en de omvang van de toegewezen middelen van de afgelopen jaren. Voor 2000 wordt vooralsnog uitgegaan van het budget van het dienstjaar 1999.

    Een deel van de uitvoering van dit natuurbeleidsplan zal direct gefinancierd worden uit de begroting van het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Ter dekking van de kosten die voor CITES vergunningen worden gemaakt, zal de minister de hoogte van de vergoeding —leges— vaststellen*

    De gestelde beleidsdoelen kunnen echter niet gerealiseerd worden zonder externe financiële hulp. De afgelopen jaren hebben de Nederlandse Ministeries voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (voormalige KABNA) LNV en VROM, de Commissie van de Europese Unie, het Wereld Natuur Fonds Nederland fondsen en menskracht ter beschikking gesteld voor milieu en natuurwerk op de Nederlandse Antillen. Onder meer zijn in het kader van de financiering van de uitvoering van de “Nota Contouren van het Milieu- en Natuurbeleid” door BZK gelden ter beschikking gesteld. Daartoe is een coördinatie commissie ingesteld die  tijdens het Bestedingen Overleg Milieu (BOM) projecten identificeert, die in aanmerking kunnen komen voor financiering. Zo ook natuurprojecten.

    Er zijn verschillende fondsen voorhanden ten behoeve van projecten die geëntameerd worden door NGO’s, zijnde bedrijven en milieu- en natuurorganisaties, De sectie Milieu en Natuur van het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne heeft twee fondsenboekjes laten samenstellen, die een goed overzicht bieden.

    Het KNAP Fonds Nederlandse Antillen.
    Eén van deze fondsen is het KNAP Fonds Nederlandse Antillen, een gezamenlijk initiatief van het departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, het ministerie van BZK, het Nederlandse ministerie van LNV en het WNF Nederland, en beheerd door de sectie Milieu en Natuur. Dit fonds is specifiek bedoeld om projecten van lokale NGO’s op natuurgebied te stimuleren (zie ook § 7). In de afgelopen jaren kwam een deel van de gelden van dit fonds uit de begroting van het departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Het grootste deel bestond uit gelden ter beschikking gesteld door BZK en door het Nederlandse Ministerie van LNV. WNF heeft door een wijziging in de aandachtsgebieden de participatie aan het fonds helaas beëindigd. In de planperiode zal de bijdrage uit de begroting van Volksgezondheid en Milieuhygiëne aan het KNAP Fonds gecontinueerd worden en zal voortzetting gezocht worden van de externe financiële bijdragen aan het fonds.

    Fonds ter beheer van de natuurgebieden
    De individuele beschermde natuurgebieden zullen voor een deel gefinancierd worden uit de opbrengst van entreegelden en andere inkomsten. Deze opbrengst is echter veelal onvoldoende om het beheer van de beschermde gebieden adequaat te kunnen uitvoeren. Tijdens het Natuurplatform van 1998 zijn er voorstellen gedaan om dit beheer voor een deel te financieren uit het rendement van een trustfund. Dit idee dient nader—in overleg met Aruba—uitgewerkt te worden*.

    Global Environmental Facility (GEF)
    Het Global Environmental Facility is het instrument dat de verschillende programma’s die voortvloeien uit een aantal milieu- en natuurverdragen moet financieren. Het fonds wordt beheerd door UNEP (United Nations Environment Progamme), UNDP (United Nations Development Programme) en de World Bank (International Bank for Reconstruction and Development). Voor de financiering van de grotere fondsen uit het GEF komen alleen landen in ontwikkeling in aanmerking. De Nederlandse Antillen als deel van het Koninkrijk kan geen aanspraak maken op deze fondsen. Als land dat wel in aanmerking komt voor technische samenwerking met UNDP, bestaat de mogelijkheid in aanmerking te komen voor GEF-fondsen voor Medium-size Projects (tot circa 1 miljoen USD per project).



     
    Terug naar Inhoud
    11. Actie matrix
    nr.1 onderdeel Actie verwijzing2 actoren3 2000 2001 2002 2003 2004 kosten4 financier
    0.1 beleid algemeen eilandelijke natuurbeleidsplannen5 10 E             V, BZK, e
    0.2 beleid algemeen nota natuuronderzoek 24 V, e, C, b             V, e
    0.3 beleid algemeen  richtlijnen verdeling genetische hulpbronnen 24 V       pm pm   GEF, V
    0.4 rapportage jaarlijkse rapportage natuurbeleid 11 V              
    0.5 rapportage rapportage verdragen 14 V              
    5.1 beheer algemeen instellen beheersinstantie verdragen 28 V              
    5.2 beheer algemeen Landsbesluit registers beheersinstantie 28 V              
    5.3 beheer en bescherming aanwijzing te beschermen gebieden 10, 17 e              
    5.4 beheer en bescherming potentiële Ramsar gebieden 18 V, e              
    5.5 beheer en bescherming netwerk Nationale Parken 18 V, e              
    5.6 beheer en bescherming aanwijzing te beschermen soorten 10, 22 e              
    5.7 beheer en bescherming samenstellen hulpmiddelen identificatie van soorten 21 V, b, C       75.000   75.000 V
    5.8 beheer en bescherming soorten databestand 21 V, C 20.000 30.000 30.000 20.000 20.000 120.000  
    5.9 beheer en bescherming nationale rode lijst van bedreigde soorten 22 V, C, b              
    5.10 beheer en bescherming pilot project beheersmodel ecosystemen 19 V, C, b   30.000 50.000 80.000 90.000 250.000 GEF, BZK
    5.11 beheer en bescherming beheersplan Saba Bank 20 V, Saba              
    5.12 beheer en bescherming beheersvoorschriften soorten CITES II en SPAW III 21 V, C              
    6.1 onderzoek algemeen wetenschappelijk onderzoek 24 C pm pm pm pm pm    
    6.2 onderzoek ecosystemen Netherlands Antilles Coral Reef Initiative 25 V, b, C, NGO's       pm pm    
    6.3 onderzoek ecosystemen inventarisatie en beschrijving ecosystemen 19 V, C   60.000 60.000 60.000 60.000 240.000 GEF, BZK
    6.4 onderzoek gebieden inventarisatie biodiversiteit Saba Bank 20 V, C, Saba 45.000 75.000 65.000 50.000 30.000 265.000 GEF, BZK
    6.5 onderzoek soorten inventarisatie lokale soorten  21 V, C   50.000 50.000     100.000  
    7.1 voorlichting voorlichting algemeen6 25 V, e 20.000 20.000 20.000 20.000 20.000 100.000 V
    7.2 voorlichting training CITES 21 V, e, douane 25.000         25.000 V, LNV
    7.3 voorlichting informatie biodiversiteit en ecosystemen 26 V, e            
    7.4 voorlichting gerichte informatie diverse doelgroepen 26 V, e              
    7.5 voorlichting voorlichting CITES 26 V, e              
    7.6 voorlichting voorlichting invoer vreemde soorten 26 V, e              
    7.7 voorlichting affiniteitcampagnes bedreigde/beschermde soorten 27 V, e              
    7.8 voorlichting informatie natuur i.r.t. duurzaam toerisme 27 V, e              
    7.9 voorlichting voorlichting gevolgen loslopend vee 27 V, e              
    7.10 voorlichting voorlichting duurzame visserij 27 V, e              
    7.11 voorlichting Programma Milieu- en Natuurhistorie 27 V, e              
    8.1 regelgeving wijziging LV Grondslagen Natuur 28 V, J              
    8.2 regelgeving haalbaarheid regeling invoer vreemde soorten 29 V, J              
    8.3 regelgeving bijdrage Landsbesluit Gevaarlijke Stoffen 29 V, e              
    8.4 regelgeving eilandelijke natuurverordening 10, 29 e              
    8.5 regelgeving uitwerken eilandelijke natuurverordening 29 e 5.000 5.000       10.000 BZK
    8.6 regelgeving richtlijnen MER 10 V, e              
    8.7 regelgeving regelgeving invoer van dieren en planten 23 V, J              
    8.8 regelgeving Landsverordening Grondwater 29 V, J              
    8.9 handhaving handhaving verdragen algemeen 21 V, e              
    8.10 handhaving handhaving CITES 21 douane pm pm pm pm pm    
    8.11 handhaving registratie CITES, Bonn, SPAW-soorten 22 V 15.000 15.000       30.000 V
    8.12 handhaving Landsbesluit toezicht- en opsporingsambtenaren 28 V              
    8.13 handhaving Eilandbesluit toezicht- en opsporingsambtenaren 10 e              
    9.1 samenwerking Commissie Natuurbeheer en –bescherming 11, 28 V, e 5.000 5.000 5.000 5.000 5.000 25.000 V
    9.2 samenwerking wetenschappelijke autoriteit 21, 28 V 5.000 5.000 5.000 5.000 5.000 25.000 V
    9.3 samenwerking Forum Natuur 30 V, e 20.000 20.000 20.000 20.000 20.000 100.000 V, e
    9.4 samenwerking Partnerschap voor de Natuur 26 V, sectoren 5.000 5.000 5.000 5.000 5.000 25.000 V
    9.5 samenwerking Forum Draagvlak voor Milieu- en Natuurbeleid 26 V, e              
    9.6 samenwerking Ramsar afspraken met Venezuela 18 V, Bonaire,BBB              
    9.7 samenwerking Ramsar afspraken met beheerder Flamingo Sanctuary 18 V, Bonaire, b              
    9.8 samenwerking Verlengen samenwerkingsovereenkomst LNV-VOMIL 31 V, LNV              
    9.9 samenwerking Regionale en Internationale samenwerking 27, 31 V 5.000 5.000 5.000 5.000 5.000 25.000 V
    9.10 samenwerking formele natuursamenwerking NA en Aruba 31                
    10.1 Financieel instrument bevorderen “duurzame” fiscale regelingen  29 V, Financiën              
    10.2 financieel instrument Haalbaarheidsonderzoek Trustfund 33 V, Aruba 10.000         10.000 BZK
    10.3 financieel instrument CITES vergunningenstelsel7 32 V, Financiën 10.000     10.000   20.000 V
    10.4 Financieel instrument Leges CITES vergunningen 32                
    10.5 financieel instrument KNAP-fonds 26, 32 V 25.000 25.000 25.000 25.000 25.000 125.000 V
    10.5 financieel instrument KNAP-fonds 26, 32 LNV 50.000 50.000 50.000 50.000 50.000 250.000 LNV
    10.5 financieel instrument KNAP-fonds 26, 32 BZK 50.000 50.000 50.000 50.000 50.000 250.000 BZK

     
    Noten:
    1) De acties zijn genummerd. Het eerste cijfer verwijst naar de paragraaf waarin het thema wordt behandeld; het tweede cijfer is het actienummer.
    2) verwijzing naar het paginanummer in dit Natuurbeleidsplan.
    3) V=VOMIL; e=eilanden; C=Carmabi; b=natuurbeheerorganisaties; J=CBJAZ.
    4) De kosten zijn geraamd en zijn exclusief loonkosten; pm = pro memorie.
    5) Op 1 februari 2001 dienen de eilandelijke natuurbeleidsplannen door de eilandsraad te zijn vastgesteld.
    6) De verschillende voorlichtingsactiviteiten zullen ten laste van deze overkoepelende noemer voor voorlichting worden gebracht.
    7) vanaf 2001 volledig gedekt door vergoedingen
    terug


     
    12. Afkortingen BZK – Het Nederlandse Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
    CBD – Convention on Biological Diversity
    CBO – Community Based Organization
    CITES – Convention on International Trade in Endangered Species of wild fauna and flora
    CMS – Convention on Migratory Species (Bonn)
    EFZ – Economic Fisheries Zone, Visserijzone
    GEF – Global Environmental Facility
    ICRI – International Coral Reef Initiative
    IMO – International Maritime Organization
    IUCN – oorspronkelijk: International Union for the Conservation of Nature and natural resources – nu: World Conservation Union
    LNV – Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (van Nederland)
    NGO – Non-Governmental Organization, Niet-Gouvernementele Organisatie
    SIDS – Small Island Development State
    SPAW – Special Protected Areas and Wildlife (protocol to the Cartagena Convention)
    UNDP – United Nations Development Programme
    UNEP – United Nations Environment Programme
    Unesco – United Nations Educational Scientific and Cultural Organization
    VOMIL – Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van de Nederlandse Antillen
    WNF – Wereld Natuur Fonds Nederland
    WWF – oorspronkelijk: World Wildlife Fund, nu: Worldwide Fund for Nature.


     
    13. Definities
    • Beschermd gebied — een gebied van land of zee dat speciaal is gewijd aan de bescherming en het beheer van biologische diversiteit en van natuurlijke en daaraan verbonden culturele rijkdommen, die beheerd worden door middel van wettelijke of anderszins effectieve wijzen
    • Biologische diversiteit — de verscheidenheid tussen en binnen soorten en de verscheidenheid van de leefgemeenschappen
    • Endemische soort — Een soort waarvan de verspreiding beperkt is tot een enkel geografisch gebied.
    • Exotische soort — Een soort die niet van nature in het gebied voorkomt
    • Inheemse soort — Een soort die van nature in het gebied voorkomt (en eventueel ook elders).
    • Invasieve soort — Een soort die in het gebied niet van nature voorkomt, zich daar vestigt en zich min of meer explosief vermeerderd, vaak ten nadele van inheemse soorten. 


     
    14. Referenties
    IUCN, 1980. “The World Conservation Strategy”. Gland.

    IUCN, 1994. “Guidelines for protected area management categories”. IUCN Commission on National Parks and Protected Areas, with the assistance of the World Conservation Monitoring Centre. IUCN, Gland.

    IUCN, 1996. “IUCN Red List of Threatened Animals”. IUCN, Gland.

    LNV, 1995. “Programma Internationaal Natuurbeheer (PIN) 1996 – 2000”. Den Haag.

    UNCED, 1992. “Agenda 21”. Rio de Janeiro.

    UNEP, 1998. “Report of the Workshop on the Ecosystem Approach. Lilongwe, Malawi 26 - 28 January 1998”. UNEP/CBD/COP/4/inf.9.

    VOMIL, 1996. “Nota Contouren van het Milieu- en Natuurbeleid van de Nederlandse Antillen”. Willemstad.

    VOMIL, 1997. “Nota Duurzaam Toerisme”. Willemstad.

    Wereld Natuur Fonds Nederland, 1999. “Mogelijke beheersvormen voor particuliere natuurgebieden en conserveringsgebieden op de Nederlandse Antillen en Aruba”. Willemstad.

    World Commisssion on Environment and Development, 1986. “Our Common Future”.