CONTOUREN
VAN HET MILIEU- EN NATUURBELEID
NEDERLANDSE ANTILLEN

september 1996

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING
1. INLEIDING
2. UITGANGSPUNT EN STRATEGIE
3. DE AANDACHTSGEBIEDEN 3.1 Afval en afvalwater
3.2 Olie en het milieu
3.3 Toerisme, Milieu en Natuur
3.4 Het beheer van de natuur
3.5 Vergroting van het draagvlak
4. WETGEVING, NORMSTELLING EN INSPECTIE
5. SAMENWERKING
6. FINANCIERING VAN HET MILIEU- EN NATUURBELEID
7. BELEIDSONTWIKKELING EN RAPPORTAGE
Afkortingen
Literatuur
BIJLAGE - Werkplan/budget 1996 - 2000 (218 Kb)

SAMENVATTING

De Nederlandse Antillen kiezen voor een duurzame ontwikkeling. Dat betekent dat de zorg voor milieu en natuur in goede wisselwerking met aanpalende beleidsterreinen, zoals ruimtelijke ordening en industriële ontwikkeling, een geïntegreerde plaats in de economische ontwikkeling moet krijgen en niet op zichzelf moeten blijven staan. Daarbij kan niet voorbij worden gegaan aan de benadering, die is ontwikkeld voor Small Island Developing States (SIDS).

Binnen het te voeren milieubeleid wordt in de komende jaren vooral aandacht besteed aan:

- de afval en afvalwaterproblematiek, met nadruk op het voorkomen van afval en afvalwater en het bevorderen van hergebruik;

- milieuproblemen die kleven aan de raffinage, op- en overslag en transport van olie; daarbij geldt als uitgangspunt dat de verontreiniging die deze sector veroorzaakt systematisch moet worden teruggedrongen en dat erfenissen uit het verleden moeten worden opgeruimd;

- toerisme in relatie tot milieu en natuur, waarbij de goede inpassing van toerisme in het ruimtelijk beleid en het milieumanagement van hotels de specifieke aandacht krijgen;

- het beheer van de natuur, met het accent op de bescherming en het beheer van waardevolle gebieden en soorten;

- het vergroten van het draagvlak voor milieu en natuur als een belangrijke voorwaarde voor het slagen van het milieubeleid, door het aanhalen van de banden met het onderwijs, het bedrijfsleven, particuliere milieu- en natuurorganisaties en de media.

Voor zowel milieu- als natuurbeheer zijn concept landsverordeningen in behandeling, die de wettelijke basis voor het beleid moeten verschaffen. Die basis zal in de komende jaren via normstelling en inspectie verder moeten worden versterkt en ingevuld.

In hun zorg voor het milieu en de natuur staat de landsoverheid van de Nederlandse Antillen niet alleen; de uitvoerende taken zullen immers in belangrijke mate bij de Eilanden liggen. Bovendien is door het aangaan van samenwerkingsovereenkomsten met Nederlandse zusterministeries een kader geschapen voor technische advisering over milieu- en natuurzaken. Daarnaast zal de band met het onderzoek worden versterkt; meer dan voorheen zal het onderzoek op het gebied van milieu en natuur vanuit het beleid worden aangestuurd.

In de komende jaren zal de zorg voor milieu en natuur in toenemende mate een plaats op de begroting van de Nederlandse Antillen krijgen. Op basis van de hoge prioriteit, die milieu heeft in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid voor de Nederlandse Antillen, wordt in de initiële fase echter gerekend op financiële steun uit het Meerjarenplanfonds.

De voorgenomen activiteiten van het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne op milieu- en natuurgebied zijn neergelegd in een werkplan/budget voor de periode 1996 - 2000, dat als bijlage bij deze Contouren van het Milieu- en Natuurbeleid is gevoegd. In het werkplan/budget wordt tevens een overzicht gegeven van de activiteiten die de Eilanden op dit traject voornemens zijn uit te voeren. 

Jaarlijks zullen in separate bijlagen de activiteiten van centrale en eilandelijke overheden worden toegevoegd en zal over de voortgang van het milieubeleid worden gerapporteerd.



 
INLEIDING

Bij alle spelers in het veld, groeit de behoefte aan een duidelijke visie van de overheid ten aanzien van de bescherming van het milieu en de natuur. Landelijke en eilandelijke overheden kunnen aan zo'n visie hun geplande activiteiten toetsen, bedrijven hun voorgenomen investeringen en milieu- en natuurorganisaties (NGO's) hun actieplannen.

De centrale overheid, het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne heeft binnenkort op basis van de Landsverordening Grondslagen Milieubeheer (LM) en de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming (LN) zelfs de wettelijke plicht om beleidsplannen voor de Nederlandse Antillen op genoemde gebieden te schrijven.

Onder milieu in de brede zin des woord wordt over het algemeen verstaan de gebieden milieuhygiëne, natuur en ruimtelijke ordening. Deze nota heeft tot onderwerp slechts de milieuhygiëne en de natuur. Wat betreft de ruimtelijke ordening is deze taak in de Landsverordening houdende voorschriften betreffende de grondslagen van de Ruimtelijke Ordening (PB 1976, 195) gedelegeerd naar de eilandgebieden. Op landsniveau is op dit moment dan ook geen der departementen met ruimtelijke ordening belast. 

In deze notitie wordt de term milieu gebruikt ter aanduiding van het grijze milieu: de compartimenten bodem, water en lucht. Aan natuur of te wel het groene milieu wordt in de notitie steeds herkenbaar aandacht gegeven. Dat is niet ingegeven door de wens tot onderscheiding van milieu en natuur, maar wel door het feit dat natuurbeheer een eigen wetgeving kent, en dus als zodanig herkenbaar moet worden gepresenteerd.

Er bestaat een nauwe relatie tussen milieu en volksgezondheid. In deze nota wordt milieu echter benaderd als een zelfstandig beleidsonderwerp.

Deze notitie "Contouren van het Milieu- en Natuurbeleid" vormt de aanloop tot de beleidsplannen, die na de inwerkingtreding van beide landsverordeningen, zullen worden opgesteld. 

Voornaamste doel van deze notitie is om, ten behoeve van een constructieve dialoog, alle partijen alvast op de hoogte te brengen van de algemene opvattingen en de globaal gewenste richting van het milieu- en natuurbeleid voor de periode 1996 - 2000 op de hoogte te brengen.



 
  2. UITGANGSPUNT EN STRATEGIE.

Het streven naar een duurzame toekomst is voor de eilanden van de Nederlandse Antillen het uitgangspunt van het milieu- en natuurbeleid. Het begrip duurzaamheid is tijdens de VN-Conferentie over Milieu en Ontwikkeling (UNCED, Rio 1992) verder uitgewerkt. Onder duurzame ontwikkeling wordt verstaan het voorzien in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee voor toekomstige generaties de mogelijkheid in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. 

Bij het veilig stellen van de toekomst worden idealiter de grenzen van de draagkracht van milieu en natuur afgetast, maar niet overschreden. In nauwe relatie daarmee staat de sociaal-economische ontwikkeling. Deze voorwaarden beïnvloeden elkaar. Het gaat derhalve om het maken van keuzes, het zoeken naar een balans, om een duurzame ontwikkeling te kunnen realiseren, waarbij het continu bewaken van de milieu- en de sociaal-economische doelstellingen van groot belang is. Het te voeren milieubeleid dient daarom nauw te zijn afgestemd met andere beleidsterreinen, zoals volksgezondheid, ruimtelijke ordening, industriële ontwikkeling, landbouw en visserij en dient duidelijk en transparant te zijn.

Daarbij kan niet voorbij worden gegaan aan de benadering, die is ontwikkeld voor en door de zogenaamde Small Island Developing States (SIDS, Barbados 1993). SIDS worden door specifieke geografische, sociale en economische kenmerken belemmerd in hun streven duurzame ontwikkeling consequent als beleidslijn door te voeren. De Regering zal in haar milieu- en natuurbeleid aansluiting zoeken bij deze benadering.

Het tot stand brengen van Antilliaanse milieu- en natuurwetgeving en het op basis daarvan formuleren van beleid op landsniveau zijn wezenlijke pijlers van de activiteiten van de Antilliaanse regering op het vlak van milieu- en natuur. Volgende stap op dit traject zal zijn het stellen van normen met als sluitstuk het opzetten van een inspectie om de naleving van wetgeving en normen te controleren.

In algemene zin zal in de komende jaren de nadruk van het milieu- en natuurwerk liggen op de verbreding van het draagvlak voor milieu en natuur. Zo zal via het onderwijs de jeugd van de Nederlandse Antillen, de basis van onze samenleving, bewust worden gemaakt van het belang van zorg voor milieu en natuur. Het beleid zal verder goede mogelijkheden moeten bieden voor een optimale participatie van alle betrokkenen binnen de overheid, het bedrijfsleven en milieu- en natuurgroeperingen. 

Bij de benadering van de milieu- en natuurproblematiek geeft de Regering voorkeur aan de samenwerking met bestaande organisaties en aan de uitvoering van aanbevelingen en suggesties uit bestaande rapporten en adviezen, boven het opzetten van weer nieuwe structuren en het uitvoeren van weer nieuwe studies.

Het is belangrijk te onderkennen dat diverse internationale en regionale initiatieven milieu- en natuurverdragen hebben opgeleverd. Bij een aantal van deze verdragen is de Nederlandse Antillen partij of heeft te kennen gegeven dat te willen worden. Genoemde verdragen vormen mede het kader van het milieu- en natuurbeleid van de Nederlandse Antillen. 

In regionaal verband dient hier tenslotte het Caraibische Milieu Programma van de VN Milieuorganisatie (UNEP) met het daaraan verbonden aktieplan te worden genoemd.


3. DE AANDACHTSGEBIEDEN.

Zoals in de concept LM en de concept LN wordt gesteld, zal de Regering een plan opstellen waarin een schets wordt gegeven van het door haar voorgestane milieu- en natuurbeleid. Door de verwevenheid en de samenhang van milieu en natuur wordt voorlopig gekozen voor het opstellen van één integraal plan, waarin beide onderwerpen duidelijk herkenbaar zullen zijn.

De volgende criteria zijn toegepast om de aandachtsgebieden te bepalen: het in gevaar brengen van de duurzame toekomst, de omvang van de bedreiging van het milieu, de relatie met de economie, de mate van gezamenlijkheid van de milieuvraagstukken.

In dit integraal beleidsplan zullen de aandachtsgebieden voor de Regering zijn:

  • afval en afvalwater,
  • olie en het milieu,
  • toerisme, milieu en natuur,
  • het beheer van de natuur,
  • vergroting van het draagvlak.
De keuze van deze vijf aandachtsgebieden is gebaseerd op inventarisatierapporten, aanbevelingen en adviezen, die in de afgelopen tijd over het milieu en de natuur van de Nederlandse Antillen zijn uitgebracht en valt tevens terug te voeren op de regeringsverklaring.

Het ontbreken van beleid gericht op preventie en hergebruik van afval, heeft als consequentie dat de hoeveelheid afval alleen maar toeneemt. De gezamenlijkheid van de afvalwaterproblematiek met de bedreigingen voor milieu en natuur, volksgezondheid en economische ontwikkelingskansen, die daarmee gepaard gaan vraagt eveneens om een stevige aanpak. 

Het belang van de olie-industrie voor economie en werkgelegenheid op de Nederlandse Antillen, met als keerzijde de milieu-effecten van produktie, en de milieugevolgen van onzorgvuldigheid bij overslag en transport van olie, kwalificeren dit thema als het tweede aandachtsgebied.

Toerisme in relatie tot milieu en natuur is het derde aandachtsgebied. Het economisch belang van deze sector voor de Antillen, de effecten op milieu, natuur en ruimtelijke ordening moeten in balans zijn. Toeristen kiezen de Nederlandse Antillen als vakantiebestemming, onder andere om de natuurlijke schoonheid. Het is zaak om deze aantrekkingskracht te behouden en aan de andere kant de effecten van de sector op milieu en natuur te minimaliseren.

Behoud en beheer van de natuur, het vierde aandachtsgebied, zijn niet alleen van belang vanwege de economische waarde van gebieden en soorten, maar ook vanwege de waarde van de natuur op zich. 

Algemene leidraad van het beleid is het creëren van draagvlak voor milieu en natuur. Indien het belang van zorg voor milieu en natuur niet wordt beseft, kan niet worden verwacht dat men bereid is om zich in te zetten voor het bereiken van de gestelde doelen. 

Het kiezen van een vijftal aandachtsgebieden brengt met zich mee dat andere -ook belangrijke- milieuthema's minder of geen aandacht krijgen. Daarbij valt te denken aan de thema's energie, verkeer en vervoer, geluid, alsmede het beleidsinstrument milieu effect rapportage.

Door de beperkte menskracht en middelen bij de centrale en eilandelijke overheden, is echter aan een prioriteitsstelling niet te ontkomen. Tegelijkertijd wordt op de eilanden gerekend om, zover de menskracht en de middelen dat toelaten, in het eilandelijk milieubeleid additionele onderwerpen zoveel mogelijk "mee te nemen". Soms kan zonder al te veel inspanning snel winst geboekt worden. Bijvoorbeeld op het gebied van verkeer door een betere controle op uitlaatgassen

bij de verplichte autokeuring. In dergelijke gevallen zal de centrale overheid behulpzaam zijn bij het aanreiken van normen. 
 

3.1 Afval en afvalwater.

afval
Op dit moment zijn op de Nederlandse Antillen de meest zichtbare knelpunten het ontbreken van beleid gericht op het voorkomen van afval, het ontbreken van georganiseerd hergebruik van afvalstoffen, en op vele plaatsen een niet adequate inzameling en eindverwerking van afval. Op alle eilanden van de Nederlandse Antillen wordt het ingezamelde afval gestort op niet geïsoleerde landfills. Er vindt hoegenaamd geen scheiding van afval plaats. In de komende jaren zal dan ook de nadruk liggen op het wegnemen van de knelpunten.

De hoofddoelstelling van het afvalbeleid is het verminderen van de hoeveelheid afval. Het beleid zal gericht zijn op a) het voorkomen van afval, b) het zoveel mogelijk hergebruiken van afvalstoffen en tenslotte c) het treffen van voorzieningen voor de verantwoorde verwerking van afval.

Bij de aanpak van het afvalprobleem geldt het principe dat preventie de voorkeur heeft boven hergebruik. Is het afval eenmaal ontstaan, dan heeft hergebruik de voorkeur boven eindverwerking. De eindverwerking van het afval dient op een voor het milieu verantwoorde wijze plaats te vinden. 

In overleg met de doelgroepen overheid, industrie, huishoudens/consumenten, de toeristische sector, de detailhandel en de importeurs wordt gestreefd naar reductie van de hoeveelheid afval die voor eindverwerking bestemd is. Door toepassing van financiële, juridische en sociale instrumenten waaronder voorlichting, zal verantwoord gedrag van betrokkenen gestimuleerd worden. 

De eilandelijke overheden zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid. Voor zover dat nog niet is gebeurd, zullen eilandelijke overheden worden aangespoord om een afvalaktieplan op te stellen, waarin het bovenstaande beleidsprincipe is vertaald. Op verzoek van de eilandelijke overheden kan de centrale overheid op onderdelen assisteren. De centrale overheid zal de eilandgebieden stimuleren om vervolgens ook daadwerkelijk invulling te geven aan het beleid. Zowel de centrale als de eilandelijke overheid moeten het beleid, de uitvoering en de resultaten monitoren.
 

3.1.1 eilandelijke, regionale samenwerking op het gebied van afval Samenwerking tussen de eilanden van de Nederlandse Antillen, samenwerking met Aruba en regionale initiatieven op het gebied van afval, zullen worden bevorderd. Speciale aandacht gaat naar samenwerking op het gebied van recyclebare afvalstromen, probleemstoffen en samenwerking op het gebied van organisatie, kennis en materieel.

 

3.1.2 ontwikkeling importregulerende instrumenten
 
 
 
 

3.1.3 opnemen afvalaspect in importheffingen en in leges hindervergunning

Preventie.
In samenwerking met het Departement voor Economische Zaken zal worden onderzocht welke regulerende instrumenten ontwikkeld kunnen worden. Deze instrumenten hebben tot doel de keuze voor milieuvriendelijke produkten te bevorderen. Milieuvriendelijke produkten zijn op duurzame wijze geproduceerde goederen met een lange levensduur, die weinig afval veroorzaken en bovendien zijn opgebouwd uit componenten die geschikt zijn voor hergebruik, en als laatste zo min mogelijk gevaar voor het milieu opleveren bij de eindverwerking. Niet milieuvriendelijke produkten kunnen extra belast worden, enerzijds om het gebruik van milieuvriendelijke alternatieven te stimuleren en anderzijds om de verwerking van deze produkten te kunnen financieren. Het milieu (afval) aspect moet in de grondslag van de heffing van goederen en van leges van hindervergunningen worden opgenomen.

 
 
 
 
 

3.1.4 afvalvoorlichting en -educatie
 

3.1.5 stimulering initiatieven hergebruik

Hergebruik.
De voorkeur wordt gegeven aan zo vroeg mogelijk scheiden van afval. De economische waarde van "schone" stromen is namelijk hoger. Infrastructurele voorzieningen dienen te worden aangebracht om afval gescheiden te kunnen inzamelen. Tevens moet voorzien worden in het terug voeren in de grondstoffen kringloop. Daarbij zal door de schaal van de Nederlandse Antillen, rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat dit elders moet gebeuren. De actieve participatie van bedrijfsleven en consumenten is op het hergebruikstraject essentieel. Intensieve voorlichting en educatie zullen de succesfactor verhogen. Initiatieven op het gebied van hergebruik van afval zullen in nauw overleg met de eilanden en zoveel mogelijk in samenhang worden gestimuleerd. 

3.1.6 richtlijnen eindverwerking afval

3.1.7 registratiesysteem milieugevaarlijke stoffen en probleemstoffen
 
 
 

3.1.8 Landsbesluit Milieugevaarlijke Stoffen
 
 
 

3.1.9 vergunningen internationaal afvaltransport

Verantwoorde eindverwerking.
De centrale overheid zal richtlijnen formuleren voor de verantwoorde eindverwerking van afval. 
In samenwerking met het Departement voor Economische Zaken wordt een registratie systeem opgezet voor grondstoffen of produkten, die uiteindelijk vallen in de afvalcategorie milieugevaarlijke afvalstoffen. Hetzelfde zal worden gedaan voor de categorie probleemstoffen, waartoe bijvoorbeeld autobanden behoren.
Bij landsbesluit zullen milieugevaarlijke stoffen worden aangewezen en zal worden aangegeven hoe om te gaan met de verwijdering, verwerking, bewerking, bewaring, invoer en uitvoer. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij terzake relevante verdragen, zoals het Verdrag van Basel betreffende het grensoverschrijdend transport van milieugevaarlijke afvalstoffen.
Op basis van verantwoorde verwerking van geselecteerde afvalstromen elders zal in samenwerking met het Departement voor Economische Zaken gewerkt worden aan de vergunningstechnische aspecten van internationaal transport van afval.

Volgens het MARPOL verdrag, waarbij de Nederlandse Antillen partij zijn, zouden in iedere internationale haven havenontvangstinstallaties, hoi's, moeten zijn ingericht. Dergelijke hoi's kunnen echter leiden tot verschuiving van afvalproblemen. Daarom zoeken de Nederlandse Antillen aansluiting bij de discussies en initiatieven over dit onderwerp. In regionaal verband wordt in het Wider Caribbean Initiative on Ship Generated Waste programma deze materie besproken. De Nederlandse Antillen participeren niet in dit overleg, maar worden op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen.

Concluderend.
Het afvalbeleid is gericht op preventie, hergebruik en verantwoorde eindverwerking. Financiële, juridische en sociale instrumenten zullen worden ingezet. Intensieve voorlichting en educatie zullen het succes van het afvalbeleid bepalen. Nauwe samenwerking tussen de eilanden van de Nederlandse Antillen, met Aruba en met de regio zullen mogelijk meer oplossingsrichtingen bieden voor het afvalvraagstuk. 

afvalwater
Op de Nederlandse Antillen wordt in de meeste gevallen afvalwater via beerputten geïnfiltreerd in de bodem. Op Curaçao wordt een deel van het afvalwater ingezameld, verwerkt en hergebruikt. Op Sint Maarten is begonnen met de aanleg van een inzamelingsstructuur en verwerkingscapaciteit. Op Bonaire is men al geruime tijd bezig met plannen voor afvalwater inzameling en verwerking.

De hoofddoelstelling van het afvalwaterbeleid is het beperken van het ontstaan van afvalwater en vervolgens het verantwoord verwerken. 

Daarbij zij vooropgesteld dat aanleg van een uitgebreide structuur van riolering over de gehele Antillen, vanwege de daaraan verbonden hoge kosten van aanleg en onderhoud niet wordt nagestreefd. Aanleg en onderhoud van afvalwaterinfrastructuur is kostbaar door de verspreide bebouwing en de geaccidenteerdheid van de eilanden. Industriële ontwikkelingszônes, volkshuisvestings- en toeristische projecten moeten bij voorkeur binnen het bereik van een afvalwaterzuiveringsinrichting worden gepland of anders zelf voorzien in adequate, mogelijk gemeenschappelijke, afvalwaterverwerking. In de komende jaren zal de nadruk liggen op het oplossen van knelpunten in de afvalwaterstructuur en de -verwerking en de verbetering van het beheer van riolering en afvalwaterzuiveringsinrichtingen.
 


 

3.1.10 algemene uitgangspunten voor inzameling en verwerking van afvalwater

Huishoudens en industrie zullen gestimuleerd worden om minder water te gebruiken. Voor de afvoer van afvalwater gaat de voorkeur gaat uit naar de toepassing van septic-tanks in plaats van beerputten. Op centraal niveau zullen de voorwaarden waaronder inzameling en verwerking van afvalwater raadzaam is, in een aantal algemene uitgangspunten worden vastgelegd. De eilanden zullen worden ondersteund in het streven afvalwater op een verantwoorde manier te verwerken. Stages en training van personeel zullen worden bevorderd.

In de regio worden de initiatieven voor de tot stand koming van het derde Protocol van de Cartagena Conventie, Land-based Sources of Marine Pollution, ondersteund. Dit Protocol heeft als doel de vervuiling van het mariene milieu door op het land gelegen bronnen te reguleren. Afvalwater is voor de Nederlandse Antillen de grootste bron van mariene vervuiling.

 
3.2 Olie en het milieu.

Voor de Nederlands Antilliaanse economie is de verwerking, de op- en overslag en het transport van olie van groot economisch belang. Aan deze belangrijke economische activiteit kleven echter ook milieu-effecten, die dringend moeten worden aangepakt vanwege het economisch belang en het voortbestaan van deze bedrijfstak, volksgezondheid en milieu en de verdere ontwikkeling van andere bedrijfstakken, waaronder de visserij en het toerisme. Internationaal nemen namelijk de milieueisen die overheden en consumenten aan produktieprocessen stellen toe en deze eisen worden in toenemende mate vastgelegd in internationale overeenkomsten. Alleen al uit eigen belang zal de olieindustrie op de Nederlandse Antillen aansluiting moeten zoeken bij deze ontwikkelingen en zal zich moeten voegen bij de bedrijven die verantwoord omgaan met het milieu. Een dergelijke positionering zal echter niet alleen financiële injecties vergen, maar ook een gezamenlijk door bedrijfsleven en overheid gedragen visie en de gezamenlijke wil om werkelijk iets te veranderen.

De problematiek van olie en milieu op de Nederlandse Antillen laat zich in verschillende aspecten onderscheiden, die elk een specifieke benadering vergen:

  • de erfenissen van de olie-industrie in of op de (water)bodem;
  • de produktie van aardolieprodukten met de daaruit voortvloeiende verontreiniging van lucht, bodem en water en hinderaspecten;
  • de op- en overslag van olie en de mogelijke gevolgen voor bodem- en waterverontreiniging;
  • de risico's van olietransport over zee.
  • Al deze facetten van de olie-industrie en -handel hebben gevolgen voor het milieu of kunnen die hebben. Voor de aanpak van deze gevolgen wordt gekozen voor een verdeling naar medium waar de gevolgen zich voordoen: lucht, bodem, water.

     
     

     

    lucht
    De belangrijkste luchtvervuiler binnen de Nederlandse Antillen is de raffinaderij op Curaçao. 

    Ten aanzien van de luchtverontreiniging van de raffinaderij te Curaçao geldt als belangrijkste uitgangspunt het beëindigen van emissies, die leiden tot onaanvaardbare immissie concentraties van luchtverontreinigende stoffen op mens en milieu. Uitbreidingen van de capaciteit of een verhoging van het verwerkt volume kunnen alleen worden geaccepteerd, wanneer deze gepaard gaan met een afname van de totale milieubelasting. Vanuit die doelstelling zal het beleid gericht zijn op het systematisch terugdringen van de uitstoot van milieubelastende stoffen naar de lucht en deze uitstoot laten voldoen aan de daarvoor geldende internationale normen, waarbij de installaties zullen moeten gaan voldoen aan de stand der techniek.
     

    3.2.1 participatie in procedure hindervergunning raffinaderij Curaçao
     
        3.2.2 toetsing en bekrachtiging normen raffinaderij
     

    3.2.3 training handhavingspersoneel olie
     

    3.2.4 toetsing op naleving milieuregels door de raffinaderij

    Op dit moment loopt de procedure voor de verstrekking van de hindervergunning voor de raffinaderij, die naar verwachting vóór 31 december 1996 zal zijn verleend. De centrale overheid participeert in dit overleg vanuit haar verantwoordelijkheid voor normstelling en inspectie en ter bewaking van de naleving van een aantal internationale overeenkomsten inzake de luchtverontreiniging.
    De normstelling voor de raffinaderij is voor een deel al vastgelegd in de huurovereenkomst en zal in overleg met betrokken partijen door de Milieudienst Curaçao worden vertaald en geformaliseerd in de hindervergunning. Deze in de vergunning vastgelegde normen zullen vervolgens vanuit de eigen verantwoordelijkheid van de centrale regering worden getoetst en bekrachtigd. De controle van de naleving van deze normen zal in eerste instantie bij de Milieudienst Curaçao liggen. De Milieuinspectie, die onder het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne zal worden opgezet, heeft vervolgens op centraal niveau tot taak om tweedelijns toezicht op de naleving te houden. De kosten van deze inspecties zullen door de vergunningplichtige moeten worden gedragen.

    Op het terrein van de olieterminal op Sint Eustatius zal eveneens een raffinaderij worden opgestart. Alhoewel deze raffinaderij bescheiden van omvang is, zal door de aard van de te produceren oliederivaten, inspectie op de mogelijke gevolgen van de produktie voor mens en milieu van groot belang zijn. Ook hier is het eilandgebied verantwoordelijk voor het eerstelijns toezicht op de naleving van de milieuregels, die worden vastgelegd in een hindervergunning voor terminal en raffinaderij, die op dit moment wordt verleend.
     

      bodem
    Onderscheid moet worden gemaakt tussen erfenissen uit het verleden en de eventuele gevolgen van de huidige produktie, op- en overslag.

    Huidige activiteiten.

    Voor de produktie van olieprodukten, de op- en overslag en het transport over land geldt als belangrijkste doelstelling dat de olieindustrie geen nieuwe bodemverontreiniging mag veroorzaken.
     

    3.2.5 regelgeving ter voorkoming van bodemverontreiniging door olie Waar nodig zullen op dit gebied garantieregels worden opgesteld of zal worden meegeholpen om dit op eilandsniveau te doen. Een nader te ontwikkelen normstelling moet richting geven aan de tijdelijke opslag van de restprodukten van het raffinage proces op de bodem. Bodemverontreiniging die onverhoopt toch ontstaat, moet direct door of voor rekening van de veroorzaker worden opgeruimd. 

    De milieu-inspectie zal toezicht houden op de naleving van deze regels.

    Erfenissen.

    In een aantal gevallen zijn vanuit ruimtelijk oogpunt geschikte lokaties voor bijvoorbeeld economische ontwikkeling niet beschikbaar, vanwege verontreiniging van de bodem met restanten van het raffinage proces, olie transport, op- en overslag. 

    Wanneer het streven is om verspreiding van de bestaande bodemverontreiniging tegen te gaan en verontreinigde gebieden een andere bestemming te geven zal "oude" bodemverontreiniging door olie en gerelateerde afvalstoffen systematisch moeten worden opgeruimd
     

    3.2.6 in kaart brengen bodemverontreiniging door olie
     
     
     
     
     
     
     
     
     
     
     
     
     

    3.2.7 haalbaarheid Olieopruimfonds

    Omdat een alle eilanden dekkend en "up to date" overzicht van de omvang en aard van bodemverontreiniging door olie en olie-gerelateerde produkten ontbreekt, is een eerste vereiste dat de bodemverontreiniging door de betrokken bedrijven, samen met de overheid, in kaart wordt gebracht. Het inschakelen van externe expertise, en financiële steun van buitenaf, zal naar alle waarschijnlijkheid bij het in kaart brengen van de bodemverontreiniging noodzakelijk zijn. Op basis van het overzicht zal moeten worden gekozen tussen opruimen dan wel isoleren of veiligstellen van de bodemverontreinigingen. Tenslotte zal de bodemsanering of isolatie daadwerkelijk moeten worden uitgevoerd.

    Voorzichtige schattingen van de met deze opruimacties gemoeide kosten bedragen enige honderden miljoenen guldens, alleen al voor Curaçao. Het moge duidelijk zijn dat deze kosten onmogelijk door de Antilliaanse overheid gedragen kunnen worden. In de komende periode zal de haalbaarheid worden onderzocht van het opzetten van een Olieopruimfonds te beheren door de centrale overheid. Uit dat fonds zouden bodemsaneringsaktiviteiten kunnen worden gefinancierd. De constructie van een fonds geeft de mogelijkheid tot participatie door externe financiers aan grootschalige opruimacties.
     

      water
    Verontreiniging van het water door op- of overslag of tijdens transport dient ten alle tijden te worden voorkomen.
    3.2.8 gedragsregels ter voorkoming van waterverontreiniging   3.2.9 inspectie olie op- en overslaginstallaties Gedragsregels voor het beheren van terminals en voor olietransporten over water zullen worden op- en waar nodig worden bijgesteld. Op- en overslag installaties zullen regelmatig door de landelijke (tweede-lijns)milieuinspectie worden geïnspecteerd op het juist naleven van de milieuregels. De kosten van deze inspecties zullen door de installaties zelf gedragen moeten worden en vooraf als onderdeel van een borgstelling aan de overheid moeten worden betaald. In nauwe samenwerking met de milieuinspectie zal de Scheepvaartinspectie Nederlandse Antillen (SINA) zorgdragen voor de inspectie van de technische (milieu)veiligheid van olietankers en schepen in het algemeen.

     

    3.2.10 training terminalpersoneel

    Mochten zich onverhoopt toch calamiteiten voordoen, dan is, afhankelijk van de plek waar de verontreiniging wordt veroorzaakt, "het schip" dan wel de beheerder van de installatie aansprakelijk voor het voorkomen van verspreiding van de verontreiniging en voor het opruimen van de olieverontreiniging op de voor het milieu meest verantwoorde manier. Het personeel van terminals zal specifiek moeten worden getraind in het voorkomen en snel beheersen en opruimen van oliecalamiteiten in relatie tot het oppervlaktewater.

    Directe lozing van met olie verontreinigd afvalwater op het oppervlakte water dient ten alle tijden voorkomen te worden door een betere scheiding aan de bron. 
    Binnen tien jaar zal de raffinaderij op Curaçao dienen te beschikken over een adequate waterzuiveringsinrichting.

    Naast deze vormen van vervuiling is er het fenomeen van afstromen van bodemverontreiniging onder meer vanaf het raffinaderijterrein op Curaçao naar het oppervlakte water. Hieraan moet, door het treffen van beheersmaatregelen, met prioriteit paal en perk worden gesteld.
     

       olierampen
    Het nationale olierampenplan is opgebouwd uit de vijf eilandelijke olierampenplannen. De eilanden van de Nederlandse Antillen zullen worden aangespoord de eilandelijke plannen vast te stellen, waarna het nationale plan kan volgen. De verantwoordelijkheid voor de coördinatie en uitvoering van deze plannen ligt bij de Scheepvaartinspectie Nederlandse Antillen (SINA). Het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne participeert in deze activiteiten vanuit de eigen beleidsverantwoordelijkheid.
    Tussen de Nederlandse Antillen, Aruba en Venezuela zijn de afspraken voor deze aangelegenheid in een verdrag vastgelegd.
      3.3 Toerisme, Milieu en Natuur.

    Toerisme, milieu en natuur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Toeristen kiezen de Nederlandse Antillen als vakantiebestemming vanwege de natuurlijke schoonheid. Hun vakantie heeft echter de nodige gevolgen voor het milieu. In een aantal gevallen dragen toeristen ook financieel bij aan het beheer van de natuur.

    De doelstelling is het toerisme in ecologische zin duurzaam te maken. Het streven is dat toerisme zoveel mogelijk in evenwicht is met zijn omgeving. Want alleen dan, in een schone natuurrijke omgeving, kan toerisme ook economisch duurzaam zijn.

    Aan het duurzaam maken van toerisme zitten vele kanten. De Regering neemt zich voor aan de volgende aspecten in dit kader specifieke aandacht te geven. 
     

      ruimtelijk beleid
    Bij nieuwe toeristische ontwikkelingen zal terdege met de ruimtelijke gevolgen voor milieu en natuur rekening gehouden moeten worden. Sommige eilanden hebben al een zekere ruimtelijke planning, in de vorm van eilandelijke ontwikkelingsplannen, die richting aan de bestemming van gebieden geeft. Voor een aantal eilanden is bovendien een toeristisch masterplan opgesteld. Bij andere eilanden moet een dergelijke planning nog gestalte krijgen. Duidelijk is echter dat toeristische ontwikkeling niet ten koste mag gaan van de nog resterende ongerepte natuur, die immers vaak de bestaansreden van het toerisme is. Bovendien moet worden voorkomen dat toeristische ontwikkelingen de bewegingsruimte van de bevolking van de Nederlandse Antillen beperken.

    3.3.1 stimuleren duurzame ruimtelijke planning in relatie tot toerisme
    Doelgroepen waarmee hieraan moet worden gewerkt zijn de ruimtelijke planners, milieudiensten en toeristische organisaties, de project ontwikkelaars en de financiers en bouwers van hotels en vakantiecomplexen. De centrale regering zal stimuleren dat er in relatie tot toerisme op de diverse eilanden, ruimtelijke planning tot stand komt, waarin de aandacht voor milieu en natuur een belangrijke en vooral geïntegreerde plaats inneemt.
      milieumanagement hotels
    De afgelopen tijd zijn in internationaal verband op het gebied van milieumanagement van hotels een aantal goede initiatieven ondernomen. Deze initiatieven, onder meer dat van de International Hotel Association (IHA), the International Hotels Environment Initiative (IHEI) en het VN Milieuprogramma (UNEP), voorzien in een samenhangend pakket van milieumaatregelen op afval-, water- en energiegebied, dat direct door hotels valt toe te passen.
    3.3.2 bevorderen milieuvriendelijk management en plannen hotels
    Hotels zullen worden aangespoord om deze initiatieven voor het milieuvriendelijk maken van deze economisch belangrijke bedrijfstak, ook daadwerkelijk door te voeren. Dat zal gebeuren in nauw overleg met de branche organisaties en, -in een voorbeeldrol-, met individuele hotels. 
    Bij de ontwikkeling van toeristische projecten zal bevorderd worden om al in de planfase een aantal milieuaspecten, zoals een goede water-, energie-, afval-, en afvalwater planning, rekening te houden.
    Gegeven de toenemende aandacht van de vakantieganger voor het milieu kan een dergelijke gecoördineerde en wellicht zelfs gestandariseerde aanpak de Nederlandse Antillen als milieubewuste vakantiebestemming op de kaart zetten. 

     
     
     
     
     
     

    3.3.3 "Cruise-afval" overleg met toerisme bureaus

    afval
    Binnen het milieumanagement van de toeristische sector neemt afval een belangrijke plaats in. In een dialoog met de hotels, luchtvaart- en cruisemaatschappijen zal worden gewerkt aan vermindering van de afvalstroom, aan een scheiding van afval aan de bron en bevordering van hergebruik. Hotels zullen worden aangespoord om langs deze lijn een afvalmanagement op te zetten, daarbij gesteund door de vele goede voorbeelden en initiatieven, die er op dit gebied internationaal al bestaan. 
    Voor wat betreft het afval van cruiseschepen zal de samenstelling van het afvalpakket en de hoeveelheid bepalend zijn voor de vraag of het eiland het afval kan ontvangen of niet.
    De eilanden zullen worden aangespoord en waar nodig geassisteerd om gesprekken met toeristische brancheorganisaties over de aanpak van dit belangrijke milieuprobleem aan te gaan. De centrale overheid zal hierbij als adviseur beschikbaar zijn en in overleg met de eilanden initiatieven steunen.
      natuur
    Grote aantallen toeristen die natuurlijke schoonheid van de Nederlandse Antillen van dichtbij willen bekijken en beleven, hebben onherroepelijk een impact op deze natuur. Het is daarom belangrijk om kwetsbare en druk bezochte natuur zorgvuldig te beheren.
    Het toerisme heeft overigens niet alleen negatieve gevolgen voor natuur. Toerisme kan immers ook in belangrijke mate bijdragen aan het beheer van de natuur bijvoorbeeld via toegangsgelden voor beschermde gebieden of via heffingen voor bijvoorbeeld het onderwatertoerisme.
    De centrale overheid stelt zich tot taak de eilanden te assisteren bij het instellen van beschermde gebieden, bij het beheer van deze gebieden vooral in relatie tot het gebruik ervan door bezoekers en bij het ontwikkelen van systemen om bezoekers mee te laten betalen aan het beheer van de natuur.

    transport
    In het algemeen moet worden gestreefd naar een minimale invloed van het toerisme op milieu en natuur. Dat geldt ook voor de wijze van transport naar, op, en van de vakantiebestemming. Het is niet de bedoeling om op dit terrein op korte termijn een actief beleid te gaan voeren. Desalniettemin worden de ontwikkelingen, die kunnen bijdragen aan een vermindering van de milieubelasting van vakantietransporten, actief gevolgd en waar mogelijk gestimuleerd. Daarbij kan worden gedacht aan de inzet van de nieuwste generatie energiezuinige en geluidsarme vliegtuigen, een betere vluchtplanning en aan cruiseschepen, die door milieuvriendelijker energiegebruik (bijv. zwavelarme stookolie) minder luchtverontreiniging veroorzaken.

     
    3.4 Het beheer van de natuur.

    Duurzame ontwikkeling vertaalt zich in het natuurbeleid naar het behoud en beheer van biodiversiteit. Onder biodiversiteit wordt verstaan de verscheidenheid aan planten en dieren die op het land en in de zee voorkomen en hun leefgebieden.

    Binnen het natuurbeheer zijn twee lijnen van aanpak te onderscheiden, namelijk het gebiedsgerichte beleid, dat er op is gericht om ecosystemen met de daarin voorkomende soorten te beschermen en bescherming van de soorten als afzonderlijke activiteit.

    gebiedsbescherming

    Hoofddoelstelling van het gebiedsgerichte beleid zal zijn te komen tot een netwerk van beschermde natuurgebieden dat representatief is voor de aanwezige ecosystemen in de Nederlandse Antillen. 

    De gebieden die voor bescherming kwalificeren, moeten representatieve voorbeelden zijn van mariene-, kust- en landecosystemen, groot genoeg om ook op lange termijn een bestaansrecht te hebben en hun biologische diversiteit te behouden. Daarnaast omvatten zij leefgebieden die belangrijk zijn voor het voortbestaan en herstel van bedreigde inheemse soorten.


    3.4.1 wettelijke grondslag beschermde gebieden
     
     
     

    3.4.2 selectie criteria beschermde gebieden

    Voor het voortbestaan van beschermde gebieden op lange termijn is het van belang dat de beschermde status een wettelijke grondslag krijgt. Dat zal over het algemeen dienen te gebeuren door een aanwijzing als beschermd natuurgebied door de eilandsoverheid. Aan een beperkt aantal grote gebieden met een wettelijk beschermde status, uitzonderlijke natuurlijke en landschappelijke waarde en een solide beheersregime kan de centrale overheid de status van "nationaal park" verlenen. De criteria die bij de selectie van te beschermen natuurgebieden worden gehanteerd zullen in beginsel worden ontleend aan het classificatie systeem voor beschermde gebieden van de International Conservation Union (IUCN). Deze criteria zullen door het departement van VOMIL verder op de Antilliaanse situatie worden afgestemd.
    3.4.3 instellen nationale parken Het is de bedoeling om te komen tot een netwerk van nationale parken dat wordt geflankeerd en gecompleteerd door een systeem van eilandelijke beschermde gebieden. Op dit moment is op de Nederlandse Antillen al een aantal representatieve natuurgebieden beschermd. Twee van deze gebieden te weten het Slagbaai Washington Park op Bonaire en het Christoffel Park op Curaçao kwalificeren op voorhand als nationaal park. Gestreefd wordt om hieraan in ieder geval nog een vijftal nationale parken toe te voegen. De gebieden die daarvoor kwalificeren zijn Klein Bonaire en de aangrenzende zee, het landgoed Oostpunt en de aangrenzende zee op Curaçao, de Mount Scenery op Saba, The Quill op Sint Eustatius en tenslotte de Hillsides op Sint Maarten. Daarnaast kan de status van nationaal park worden verleend aan een aantal beschermde onderwatergebieden. Eenmaal aangewezen als nationaal park staat vervolgens de weg open naar aanmelding door de centrale overheid van deze gebieden bij de daarvoor relevante internationale organisaties en verdragen. 
    3.4.4 faciliteren grensoverschrijdende gebiedsbescherming   3.4.5 inventarisatie en beheersplan Sababank Andere taak voor het land is om grensoverschrijdende gebiedsbescherming te faciliteren. Voorbeeld daarvan is het natuurgebied, de Hillsides, op de grens tussen het Nederlandse en Franse deel van Sint Maarten. 
    Ook de Saba bank dient niet onvermeld te blijven. De Saba bank valt deels onder de jurisdictie van de Sabaanse- en deels onder die van de landsoverheid. Er is reeds een begin gemaakt met de inventarisatie van biologische gegevens over de Sababank. Deze gegevens moeten in de komende tijd door middel van onderzoek verder worden aangevuld. Vervolgens zullen Saba en de centrale overheid voor dit biodiverse en visrijke gebied op basis van gegevens over de diversiteit en dichtheid van het mariene leven een beheersplan opstellen en (doen) uitvoeren. 
      Het is van groot belang om eenmaal ingestelde beschermde gebieden ook daadwerkelijk te beheren. Het ligt in de rede om het beheer over de beschermde natuurgebieden op te dragen aan particuliere organisaties die met dat doel zijn opgericht. Op Bonaire zijn dat STINAPA Bonaire en het Onderwaterpark Bonaire, op Curaçao is dat STINAPA Curaçao, op Saba de Saba Conservation Foundation en op Sint Eustatius STENAPA. Op Sint Maarten is een beheersorganisatie in oprichting.
    Het is van groot belang dat het beheer geschiedt op een manier waar enerzijds de verschillende "stakeholders", te weten de overheid en de diverse gebruikers, zich goed kunnen vinden, maar waarbij anderzijds de integriteit van de natuur niet in gevaar komt. De uitbesteding van het beheer van de natuur aan particuliere natuurbeheersorganisaties zal contractueel tussen eilandoverheden en beheersorganisaties dienen te worden vastgelegd. De centrale overheid kan ook hier een faciliterende rol spelen.

     

    3.4.6 advisering natuurbeheersorganisaties
     
     

    3.4.7 overleg natuurbeheerders

    Voor ieder beschermd gebied zullen de betreffende beheersinstanties een beheersplan moeten opstellen, waarin het beheer op lange termijn wordt geregeld. Het departement van VOMIL is beschikbaar om waar nodig de eilanden op dit traject te begeleiden. VOMIL zal adviseren en assisteren bij het opzetten van beheersapparaten op die eilanden waar zo'n apparaat nog niet voldoende functioneert. Ten behoeve van de coördinatie tussen de diverse beschermde gebieden en de eenheid in beheer zal de centrale overheid regelmatig overleg tussen de beheerders van beschermde gebieden organiseren. Daarmee wordt voortgebouwd op het overleg tussen de beheerders van mariene beschermde gebieden, dat al regelmatig plaatsvindt.
      Op verschillende eilanden tekent zich een beeld af dat grote particuliere gebieden in ruimtelijke plannen van de overheid een conserveringsbestemming krijgen. Eigenaren zien zich op deze wijze geconfronteerd met een bestemming, die geen of nauwelijks economische ontwikkeling toestaat. De eilandelijke overheden zullen in de vervolgstap dienen uit te werken welk gebruik in dergelijke gebieden nog wel getolereerd kan worden en op welke voorwaarden. Een van de mogelijkheden die zich in dit kader aandient, is de aankoop van conserveringsgebieden door de overheid. 
    3.4.8 studie "Debt for Nature Swap" Voor de financiering van aankoop en beheer van grote natuurgebieden kan gedacht worden aan een "Debt for Nature Swap". In de financiële paragraaf van deze nota wordt nader op deze optie ingegaan. Daar wordt ook aandacht besteed aan de stichting STAAN.

    Doelgroepen van dit onderdeel van het natuurbeleid zijn de overheden van de eilandgebieden, de natuurorganisaties, die in een aantal gevallen de natuurgebieden namens de eilandelijke overheid beheren, het toerisme dat vaak gebruik maakt van de faciliteiten van de beschermde gebieden en andere gebruikers en omwonenden.
     

      soortenbescherming
    De hoofddoelstelling van de soortenbescherming is er zorg voor te dragen dat die dieren en planten die van oorsprong op de Nederlandse Antillen voorkomen niet in hun voortbestaan worden bedreigd. Migrerende soorten die zich tijdelijk op ons territoir bevinden, zullen eveneens actief worden beschermd. 

    Doelgroepen van dit onderdeel van het beleid zijn naast de overheid de natuurbeschermings-organisaties, toeristen, verzamelaars en handelaren in wilde planten en dieren, de douane en de inwoners van de Nederlandse Antillen.
     

    3.4.9 inventarisatie soorten De basis voor een goed soortenbeleid wordt gevormd door een inventarisatie van in het wild voorkomende planten en dieren, waarbij de mate van bedreiging een belangrijke rol speelt. Als soorten worden bedreigd, dan zal worden geprobeerd deze bedreiging door beschermende maatregelen weg te nemen. Hiermee wordt inhoud gegeven aan de bescherming van de biologische diversiteit van onze eilanden.
    3.4.10 formuleren juridische instrumenten voor de bescherming van soorten De centrale overheid zal in eerste instantie de juridische instrumenten voor de bescherming van soorten formuleren. De eilanden kunnen hierop hun eigen beleid laten aansluiten en moeten op grond van de LN eigen, afgeleide wetgeving maken. Daarnaast zullen de eilanden maatregelen in het veld moeten treffen, zoals herstel, beheer en planning, om de bedreiging weg te nemen. Het land is bereid te assisteren bij het totstandbrengen van de wet- en regelgeving terzake.
     

    Bij de bescherming van soorten speelt de controle van de handel in bedreigde planten en dieren een belangrijke rol. De internationale overeenkomst die deze handel reguleert, is het Verdrag inzake de Handel in Bedreigde Planten- en Dierensoorten (CITES). De Nederlandse Antillen is nog geen partij bij dit verdrag. Wel is al enige nationale wetgeving op dit gebied aanwezig. Voordat toetreding tot het verdrag kan worden gerealiseerd zal de Antilliaanse wetgeving overeenkomstig het verdrag moeten worden aangepast. Door de vaststelling van de LN, wordt dit direct gerealiseerd.

    3.4.11 opzetten CITES-beheersinstantie

    3.4.12 opzetten legessysteem CITES

    3.4.13 opzetten netwerk "CITES"-wetenschappers

    De centrale overheid zal een CITES beheersinstantie opzetten, die de handel in bedreigde dieren en planten zal monitoren. Afgifte van in-, uit- en doorvoervergunningen, registratie en advisering zal door dit bureau geschieden. Voor de dekking van de door dit bureau te maken kosten zal aan de vergunninguitgifte een legessysteem worden gekoppeld. Voor de advisering van de CITES-beheersinstantie zal door het bureau een netwerk van wetenschappers worden opgezet.

    3.4.14 "CITES"-training douane
    Na het van kracht worden van de verordening zal adequate controle op de naleving van de CITES-regels moeten plaats vinden, uit te voeren door daarvoor speciaal opgeleide instanties op centraal niveau. In overleg met de douane zal worden bezien hoe het douane personeel het beste kan worden opgeleid, om op alle eilanden controle in het kader van CITES te verrichten. 
    3.4.15 opstellen eilandelijke natuurbeleidsplannen De plannen op natuurgebied zullen nader worden uitgewerkt. Daartoe zal met assistentie van het Nederlandse ministerie LNV en het Antilliaanse departement VOMIL voor en door elk van onze vijf eilanden een eilandelijk natuurbeleidsplan worden opgesteld. Deze plannen te samen zullen met toevoeging van de plannen op het niveau van de centrale overheid de kern vormen van een op te stellen nationaal natuurbeleidplan voor de Nederlandse Antillen.
      3.5 Vergroting van het draagvlak.

    Het is van zeer groot belang dat de bevolking van de Nederlandse Antillen zich meer verantwoordelijk gaat voelen voor zijn leefomgeving. De overheid kan deze zorg onmogelijk alleen dragen. Daarom zal worden gewerkt aan de verbreding van het draagvlak voor milieu- en natuurbeheer, waarbij wordt voortgebouwd op de waardevolle lopende activiteiten.
     

    3.5.1 integratie milieubeleid in andere beleidsvelden Dat draagvlak moet niet alleen bij de bevolking worden gezocht, ook overheden dienen goed doordrongen te worden van het feit dat aan milieu en natuur geïntegreerde en expliciete aandacht en steun moet worden verleend. Met name departementen als dat van DEPOS en Economische Zaken zijn belangrijke partners voor VOMIL voor het gestalte geven aan deze integratie van milieu en natuur in andere beleidsterreinen
    3.5.2 intensivering samenwerking met NGO's Verder zal de verbreding onder meer moeten geschieden via een intensievere samenwerking met milieu-, natuur- en consumentenorganisaties. In de relatie met milieu- en natuurorganisaties zal worden bezien of financiële steun aan bepaalde op communicatie en voorlichting gerichte activiteiten van deze organisaties mogelijk is. Uitgangspunt daarbij is, dat zoveel mogelijk op projectbasis zal worden samengewerkt, waarbij de handhaving van de onafhankelijke positie van de NGO's voorop staat.
    3.5.3 samenwerking met onderwijs Op het gebied van onderwijs en informatie zullen door de centrale overheid impulsen gegeven worden om de schooljeugd bewust te maken van de noodzaak zorgvuldig met het milieu en de natuur om te gaan. Daarbij wordt vanzelfsprekend gebruik gemaakt van de bestaande netwerken op het gebied van milieu- en natuureducatie. Waar mogelijk en relevant zullen ervaringen en produkten op dit gebied tussen de eilanden worden uitgewisseld
    3.5.4 gerichte samenwerking met de media De media heeft een belangrijke rol te vervullen bij het creëren van draagvlak voor milieu- en natuuraangelegenheden. Samenwerking gericht op informatie naar het publiek zal worden bevorderd.
    3.5.5 samenwerking met het bedrijfsleven Ten aanzien van het bedrijfsleven zal worden gezocht naar zgn. public private partnerships (ppp's), samenwerkingsvormen waar zowel milieu en natuur als het bedrijfsleven baat bij kunnen hebben. Een voorbeeld hiervan is de bescherming van het broedgebied van de flamingo op Bonaire door het zoutbedrijf aldaar. Een andere formule waaraan kan worden gedacht, is het (natuur)-compensatie beginsel bij bedrijfsvestigingen of andere activiteiten, die ten koste van de natuur gaan.


     

    4.1 vaststelling LM

    4. WETGEVING, NORMSTELLING EN INSPECTIE.

    wetgeving
    De bestaande nationale en eilandelijke milieuwetgeving vertoont hiaten en is geen samenhangend geheel. De Landsverordening Grondslagen Milieubeheer is een kaderwet, die mogelijkheden biedt voor doelmatige bescherming en beheer van het milieu en het raamwerk vormt om te komen tot een samenhangend en geïntegreerd geheel van regelgeving. Deze verordening zal binnenkort voor commentaar naar de eilanden worden gezonden. In de loop van 1997 mag vervolgens de behandeling van deze verordening in de Staten verwacht worden.
     

      De verordening draagt de centrale overheid op om een voor de Nederlandse Antillen geldend milieubeleid op te stellen. Als afgeleide hiervan zullen de eilanden op hun beurt een milieuaktieplan opstellen en in eilandelijke wetgeving de nodige juridische basis verschaffen. Aangezien het hiermee gemoeide proces tijd kan vergen en de zorg voor het milieu geen uitstel duldt, geeft het in deze notitie vastgelegde beleid al de nodige algemene richting aan het milieubeleid. VOMIL zal bevorderen dat de betreffende wetgeving snel wordt ingevoerd en wordt vertaald naar de eilanden.

    Het samenspel tussen wetgeving en beleid en tussen land en eilanden is er op gericht om de verontreiniging van lucht, water en bodem beter te kunnen voorkomen en tegengaan.
     


    4.2 vaststelling LN
    Wat hiervoor ten aanzien van de wetgeving op milieugebied werd gesteld, geldt grotendeels ook voor natuurbeheer. De Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming is de kaderwet, waarin regels worden gesteld ten behoeve van de bescherming en het beheer van de inheemse flora en fauna mede in het kader van de toetreding van de Nederlandse Antillen tot diverse verdragen. De LN is in het voorjaar van 1996 aan de Staten aangeboden voor behandeling.

    De LN draagt de centrale overheid op een natuurbeleid voor de Nederlandse Antillen te ontwikkelen. Dit geschiedt in nauwe samenwerking met de eilanden. Deze dienen op hun beurt een eilandelijk natuuraktieplan te ontwikkelen, dat grotendeels is gebaseerd op verplichtingen voortvloeiend uit in de verordening genoemde internationale en regionale natuurverdragen waar de Nederlandse Antillen partij bij is of wordt.
     


    4.3 instellen Commissie Natuurbeheer
    Belangrijk gevolg van de invoering van deze wetgeving is dat op deze wijze een samenhangend natuurbeheer kan worden gerealiseerd. Ingevolge de LN zal een Commissie Natuurbeheer worden ingesteld, die de centrale en de eilandelijke overheden adviseert over natuuraangelegenheden. VOMIL zal bevorderen dat de LN snel wordt ingevoerd en dat de doorvertaling naar de eilanden eveneens snel plaatsvindt.

    4.4 eilandelijke milieu en natuur modelwetgeving 
    Voortvloeiend uit de LM en de LN zullen de eilandgebieden eilandelijke milieu en natuurwetgeving moeten vaststellen. Tegen het licht van de beperkte juridische capaciteit van zowel centrale als eilandelijke overheden, wordt er naar gestreefd door middel van een wetgevingsproject modelwetgeving voor de eilandgebieden te concipiëren die zij zelf daarna op maat kunnen aanpassen.

    Andere nationale wetgeving met milieu- of natuuraspecten of -raakvlakken zal nauwlettend worden gevolgd, en waar nodig worden bijgesteld.
     

    4.5 milieu- en natuurverdragen milieu- en natuurverdragen
    Er zijn een aantal milieu- en natuurverdragen, die relevant zijn voor de Nederlandse Antillen. Om de prioriteiten te bepalen voor aansluiting bij deze verdragen en de nationale wetgeving voor te bereiden, zullen de relatie met de vijf aandachtsgebieden en de urgentie om regelgeving over een bepaald onderwerp te introduceren, maatgevend zijn. 
    Zo zal worden gewerkt aan een landsbesluit milieugevaarlijke stoffen, ter uitvoering van het Verdrag van Basel, dat het internationaal transport van milieugevaarlijke stoffen regelt. 

    Ook zijn er verdragen, die in hoofdzaak een ander beleidsveld omvatten, maar waarin milieu-aspecten zijn opgenomen, bijvoorbeeld een aantal maritieme verdragen. In dergelijke gevallen wordt het voortouw door de verantwoordelijke instanties genomen, terwijl VOMIL bijdraagt aan de milieucomponent.

    Zo zal bij de uitvoering van het Marpol-verdrag de upgrading van bestaande en waar niet aanwezig, de aanleg van havenontvangstinstallaties (hoi's) nauwlettend worden gevolgd.
     

      normstelling
    Milieuwetgeving is per definitie normatief. Normstelling is in het milieubeleid dan ook een belangrijk instrument. In vergunningen of ontheffingen op grond van milieuwetten, staan voorschriften of normen. Deze voorschriften of normen bevatten waarden voor vereiste kwaliteiten. Deze waarden hoeven niet uitsluitend getalswaarden te zijn (hoeveelheden en percentages verontreiniging). Omschrijvingen zijn ook mogelijk. Zo moet voor conserveringsgebieden of natuurparken (land en water) worden omschreven waarom deze gebieden bescherming verdienen.

    4.6 vaststellen van milieunormen
    Op basis van de nog aan te nemen LM moeten in het belang van de bescherming van het milieu normen en grenswaarden ontwikkeld worden. Deze milieunormen, zowel emissie (bij de bron), als immissienormen (bij de ontvanger), zullen in eerste instantie vooral voor de aandachtsgebieden worden opgesteld. 
    Bij de opstelling van normen voor de Nederlandse Antillen zijn de uitgangspunten: de " best available technique" en de schaalgrootte van het milieuprobleem (mondiaal, regionaal of lokaal). 

     
     
     

    4.7 opzetten van de Milieuinspectie

    inspectie
    Allereerst zal vaart worden gezet achter de introductie van milieuwetgeving op centraal niveau en de gecoördineerde vertaling daarvan op eilandsniveau. In een parallel lopende activiteit zullen op centraal niveau normen worden ontwikkeld die de wetgeving kwantificeren. Als laatste stap in deze trits volgt het opzetten van een (landelijke) Milieu-inspectie, die de naleving van de wetgeving en de daaraan verbonden normen moet gaan controleren. Het betreft hier een tweedelijns toezicht. Het eerstelijns toezicht, de controle van de milieuregels, is een taak van de eilandelijke dienst belast met het afgeven van milieuvergunningen.
    De Milieuinspectie zal naar verwacht in 1997 haar beslag krijgen. In het kader van de samenwerkingsovereenkomst tussen de minister van VOMIL en de Nederlandse minister voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) wordt op ad hoc basis reeds gebruik gemaakt van de in Nederland terzake aanwezige expertise.

     
     
     
     
     

    4.8 controle natuurbeheersinstanties

    Ook op natuurgebied kan worden gedacht aan een zekere vorm van inspectie. Aangezien de centrale en de eilandelijke overheden als uitvloeisel van hun beleid komen met een netwerk van beschermde gebieden en lijsten van beschermde planten en dieren, zal namelijk mettertijd moeten worden gecontroleerd of beheersinstanties hun taken op deze gebieden naar behoren verrichten. 
    Voor het instellen van beschermde natuurgebieden en de aanwijzing van beschermde dieren en planten bestaan criteria. Regelmatig zal moeten worden geëvalueerd of nog steeds aan die criteria wordt voldaan. In het kader van de samenwerkingsrelatie met het Nederlandse Ministerie Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zal worden bezien hoe het beste aan deze tweedelijns evaluatie gestalte kan worden gegeven.



     
      5. SAMENWERKING.

    samenwerking met landsdepartementen en -diensten
    Om een optimale integratie van milieu- en natuurbeleid in het werk van aanpalende landsdepartementen en -diensten te bereiken zal door de sectie Milieu en Natuur van VOMIL intensief worden samengewerkt met:

    • het Bureau Buitenlandse Betrekkingen ten aanzien van internationale milieu- en natuurverdragen en organisaties en in de coördinatie en afstemming met Nederland en Aruba bij internationale vertegenwoordiging;
    • Centraal Bureau Juridische en Algemene Zaken (CBJAZ) op het gebied van milieu- en natuurwetgeving;
    • de sectie Volksgezondheid van VOMIL voor de integratieaspecten van volksgezondheid en milieu;
    • de Inspectie voor de Volksgezondheid en de Inspectie der Geneesmiddelen voor het opzetten van de Milieuinspectie en andere inspecties;
    • het Landslaboratorium inzake milieuonderzoek;
    • het Departement van Financiën voor de contributies aan internationale verdragen en organisaties, de milieubegroting en andere financiële kwesties zoals een mogelijke "Debt for Nature Swap";
    • DEPOS inzake de integratie van milieu in de ontwikkelingssamenwerking, het stagefonds, de financiering uit het Meerjarenplanfonds, fondsen van de Europese Unie en kwesties zoals een "Debt for Nature Swap";
    • de Douane in verband met de controle op de naleving van het CITES verdrag;
    • het Departement van Onderwijs inzake milieu- en natuureducatie, -onderzoek en het UNESCO World Heritage verdrag;
    • Departement voor Economische Zaken inzake het afvalbeleid, op het gebied van in- en uitvoer van milieugevaarlijke stoffen, op energiegebied en inzake toerisme;
    • de Visserijcommissie inzake het beheer van de mariene biodiversiteit en de visserij;
    • de Scheepvaartinspectie (SINA) op het gebied van olieverontreiniging van de zee en het MARPOL-verdrag;
    • de Kustwacht inzake monitoring van milieudelicten, en het beheer van de marine natuur en de visserij;
    • de Universiteit van de Nederlandse Antillen, de Leerstoel voor Milieu en Ontwikkeling, inzake beleidsontwikkeling;
    • het Centraal Bureau voor de Statistiek inzake de milieustatistieken;
    • de Meteorologische Dienst voor de Nederlandse Antillen en Aruba inzake klimaatveranderingen en de milieugevolgen daarvan, luchtverontreiniging, en aangelegenheden betreffende alternatieve energie, met name zonne- en windenergie.
    •  
    bevoegdheidsverdeling land - eilanden
    Deze nota gaat niet in op de merendeels juridische discussie over de bevoegdheidsverdeling voor milieu en natuur. Uitgangspunt is, dat de Nederlandse Antillen en de eilandgebieden vorm willen geven aan het milieu- en natuurbeleid. De LM en de LN beschrijven in hun toelichting de bevoegdheidsverdeling tussen centrale en eilandelijke overheden als volgt.

    Milieu. De landelijke taken omvatten het periodiek opstellen van een milieu ontwikkelingsplan, de ontwikkeling van milieuhygiënische normen, de Inspectie voor het Milieubeheer en via die inspectie toezicht houden op de naleving van de milieuwetten en regels, het uitwerken van de verplichtingen die voortvloeien uit verdragen en andere internationale afspraken. De eilandelijke taken en bevoegdheden beslaan het opstellen van een eilandelijk milieu aktieplan, de vaststelling en de handhaving van een milieu- of hinderverordening, een afvalstoffenverordening en een lozingsverordening.

    Natuur. De landelijke taken omvatten het periodiek opstellen van een natuurbeleidsplan voor de Nederlandse Antillen. Daarnaast stelt het land een Commissie Natuurbeheer in die de overheden adviseert over natuuraangelegenheden. Niet expliciet genoemd, maar wel denkbaar is de instelling van een natuurinspectie eventueel te koppelen aan de milieuinspectie. Ter ondersteuning van deze gedachte zegt de wet, dat toezicht op de naleving en opsporing zowel op eilandelijk als landelijk niveau kan worden gedaan. Verder zijn er nationale verplichtingen volgend uit de verdragen, bv. rapportage aan de verdragsbureaus. De eilandelijke taken en bevoegdheden bestaan o.a. uit de directe uitvoerende aspecten volgend uit de internationale verdragen. Verder dient ieder eiland periodiek een natuurplan op te stellen. Tevens dienen de eilanden de wettelijke basis te leggen om dat plan daadwerkelijk te kunnen uitvoeren.
     


     
     
     
     
     
     

    5.1 opzetten Platform Milieu en Natuur

    samenwerking land - eilanden
    Samenwerking en ondersteuning dienen voorop te staan tussen de eilandgebieden onderling en tussen het land en de eilandgebieden. Indien het juridische kader daarbij knelt zullen, bijvoorbeeld via protocollen, afspraken met elkaar worden gemaakt.
    De centrale overheid en de eilandelijke overheden zullen overleggen voor afstemming en synchronisatie van de diverse beleidsaspecten, wetgeving, planning. Daartoe zal een Platform voor Milieu en Natuur worden ingesteld, waarin alle eilanden vertegenwoordigd zijn. Het doel is de succesfactor voor het verwezenlijken van de gestelde milieudoelen te verhogen, door coördinatie en het nuttig gebruik maken van kennis en middelen. Het Platform staat onder voorzitterschap van de centrale overheid.

     
     

    5.2 instellen Programmeringscommissie Milieu-onderzoek

    samenwerking op het gebied van onderzoek
    Milieu. Ter ondersteuning van het milieubeleid is het van belang dat er gegevens beschikbaar zijn, op grond waarvan beleid kan worden geformuleerd of kan worden bijgesteld. Het Landslaboratorium kan hierin een belangrijke rol vervullen. Een Programmeringscommissie onder voorzitterschap van de Minister van VOMIL, zal sturing geven aan het onderzoek. Het Landslaboratorium verzorgt het secretariaat van deze commissie.
    5.3 instellen Programmeringscommissie Natuuronderzoek Natuur. Voor een solide natuurbeleid en een succesvolle uitvoering daarvan is beleidsondersteunend wetenschappelijk onderzoek een noodzaak. De regering ziet CARMABI als belangrijke instantie voor de toelevering van wetenschappelijke gegevens ten behoeve van natuurbeleid en -beheer. Ten einde beleidsrelevantie van het wetenschappelijk onderzoek te vergroten, zal echter vanuit het beleid meer dan voorheen sturing aan het onderzoek gegeven worden, door het te koppelen aan de beleidsprioriteiten. Ook zal de aandacht van het natuuronderzoek beter over de eilanden moeten worden verdeeld.
      samenwerking met onderwijs
    Onder het aandachtspunt vergroting van het draagvlak werd al ingegaan op de noodzaak van een intensieve samenwerking met het onderwijs. Daarbij kunnen diverse wegen worden behandeld. Ten eerste is het van groot belang dat milieu en natuur een geïntegreerde plaats krijgen in het onderwijs aan kleuters en leerlingen van de lagere school. De plannen die er op dat traject op sommige eilanden al liggen, moeten met voortvarendheid worden uitgevoerd en aan andere eilanden ter beschikking worden gesteld. Daarnaast zullen milieu en natuur ook als aparte onderwerpen aan de orde moeten komen; daarvoor lijkt de projectvorm de aangewezen methode. Ook op dit traject lopen er al een aantal goede initiatieven die aan alle eilanden moeten worden aangeboden. Voor het middelbaar onderwijs wordt een soortgelijk tweesporentraject bepleit. Een aantal middelbare scholen is inmiddels met bemiddeling van VOMIL het milieu-informatie en -educatieprogramma GLOBE gestart.
    Met het Departement van Onderwijs en met de diverse groepen en instanties die zich op de eilanden al met milieu en natuur binnen het onderwijs bezig houden, zal nauw worden samengewerkt.

    samenwerking met milieu- en natuurorganisaties
    Ook aan de samenwerking met milieu- en natuurorganisaties werd in het kader van draagvlakvergroting al aandacht besteed. De regering acht samenwerking met milieu- en natuurorganisaties van groot belang. Deze organisaties staan immers via hun leden in direct contact met de maatschappij, en kunnen vaak sneller dan de overheid inspelen op acute situaties met betrekking tot milieu en natuur. Dat zij daarbij een kritische toon aanslaan, moet niet afschrikken maar juist confronteren en stimuleren. Waar mogelijk zullen deze organisaties dan ook worden gesteund.

    Het is in dit kader belangrijk om op te merken dat op sommige eilanden de ambtelijke infrastructuur op milieu- en natuurgebied marginaal is. Sommige taken worden namens de overheid zeer competent door particuliere milieu- en natuurorganisaties overgenomen. Het gaat daarbij vooral om het beheer van de natuur. 

    samenwerking binnen het Koninkrijk
    Bij het optreden van de Nederlandse Antillen in het kader van regionale en internationale milieu- en natuurverdragen en -organisaties, zal om naar buiten toe zoveel mogelijk als eenheid op te treden en daarmee meer effect te sorteren, een goede afstemming vooraf met Nederland en Aruba moeten plaatsvinden. Voor het aangaan en onderhouden van regionale contacten in het kader van milieuverdragen wordt bovendien een grotere zelfstandigheid voor de Nederlandse Antillen bepleit.

    samenwerking met Aruba
    De Nederlandse Antillen en Aruba zullen op milieugebied nauw samenwerken. Daarbij gaat de aandacht uit naar samenwerking op de prioriteitsgebieden, wetgeving, normstelling en inspectie.

    samenwerkingsovereenkomst VOMIL - VROM
    In 1992 werd een milieu-samenwerkingsovereenkomst getekend door de Antilliaanse minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en zijn Nederlandse ambtgenoot van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Op basis van deze samenwerking vindt al geruime tijd een uitwisseling van informatie plaats en wordt door VROM regelmatig ondersteuning verleend.
    Zo zal de komende periode de samenwerking op het gebied van afval, olie, educatie, wetgeving en inspectie een extra impuls krijgen.

    samenwerkingsovereenkomst VOMIL - LNV
    In 1994 is een samenwerkingsovereenkomst gesloten op het gebied van natuurbescherming en -beheer tussen VOMIL en de directie Natuurbeheer van het Nederlandse Ministerie Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV). In deze verklaring werden gezamenlijke aandachtsvelden geïdentificeerd, die in de vorm van een programma zijn uitgewerkt. Dit programma identificeert vijf thema's, waar binnen de samenwerking concreet gestalte krijgt. Deze zijn: het opstellen van natuurbeleidsplannen, de implementatie van natuurbeschermingsverdragen, zoals CITES, directe technische hulp, samenwerking bij de beoordeling van ecologische effecten van ontwikkelingsprojecten en tenslotte natuuronderzoek.
    De uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst staat onder verantwoordelijkheid van een begeleidingscommissie. 

    samenwerkingsovereenkomst VOMIL - Verkeer en Waterstaat
    Op basis van de intentieverklaring die door het Land en het Nederlandse Ministerie van Verkeer en Waterstaat is ondertekend, zal in de komende periode nader worden bezien, op welke terreinen samenwerking zinvol en mogelijk is. Daarbij kan in eerste instantie worden gedacht aan samenwerking op het gebied van integraal kustzone beheer


      6. FINANCIERING VAN HET MILIEU- EN NATUURBELEID.

    De Nederlandse Antillen zullen het beheer van milieu en natuur een vaste plek op hun begroting geven. Het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne heeft hier vanaf begrotingsjaar 1995 een begin meegemaakt. Voor een overzicht van de begrotingsposten en bedragen die de regering voorstelt voor milieu en natuurbeheer te bestemmen, wordt verwezen naar het meerjaren programma, dat als bijlage bij deze notitie is gevoegd.

    Gegeven de relatieve nieuwheid van milieu en natuur als beleidsonderwerp op de Nederlandse Antillen, is binnen de huidige bestemming van middelen te weinig geld voor milieu beschikbaar. Bovendien zal een inhaalslag nodig zijn. Een aantal van de milieuinvesteringen gaan het financieel vermogen van de Nederlandse Antillen te boven. Om de gestelde beleidsdoelen te bereiken, kan een dergelijke inhaalslag niet zonder financiële steun van buiten worden gerealiseerd. Belangrijke bron van financiële steun zal het Meerjarenplanfonds zijn. Dit fonds wordt beheerd door KABNA. Binnen het beleid van de Nederlandse regering dat voor dit fonds geldt, heeft milieu een hoge prioriteit. Daarnaast wordt als bron van externe gelden gedacht aan de Europese Unie en aan andere internationale organisaties en verdragen. Deze externe steun zal vooral worden gebruikt voor het opstarten van initiatieven van de vijf aandachtsgebieden. De Antilliaanse coördinerende dienst voor deze fondsen is DEPOS. Voor Curaçao coördineert de Dienst voor Economische Zaken de aanvragen voor het Meerjarenplanfonds. De lopende kosten van milieu- en natuurbeheer zullen op termijn zoveel mogelijk door de Nederlandse Antillen zelf gedragen worden. Voor een aantal specifieke terreinen blijft externe hulp nodig.

    Het is overigens niet de bedoeling dat alle uitgaven op milieugebied via de centrale overheid gaan lopen. De eilanden blijven verantwoordelijk voor het financieren van hun eigen milieu-activiteiten en dienen op hun eilandsbegrotingen daarvoor voldoende geld bijeen te brengen. Wel is het de bedoeling dat de in deze nota zorgvuldig en in goed overleg met de eilanden gekozen aandachtsgebieden door de eilanden worden overgenomen, zodat ook aan de milieu-uitgaven van land en eilanden een gezamenlijke richting gegeven wordt.

    Waar mogelijk en relevant, is VOMIL vanzelfsprekend bereid om gezamenlijk activiteiten met de eilanden te ondernemen en daaraan een financiële bijdrage te leveren. Tevens zal VOMIL gaarne de eilanden terzijde staan bij het opstellen van de plannen en de bijbehorende begroting op het gebied van milieu en natuur. 

    Voor sommige activiteiten op milieu- en natuurbeheersgebied zal de rekening rechtstreeks of via een systeem van heffingen bij de vervuiler of gebruiker worden neergelegd. Dat geldt niet alleen voor toegangsgelden voor natuurgebieden of leges voor CITES vergunningen, maar bijvoorbeeld ook voor milieuinspecties van grote en gecompliceerde bedrijven. De op die manier verkregen "inkomsten" zullen weer aan milieu en natuur ten goede moeten komen.

    In het kader van de draagvlakvergroting en de samenwerking met diverse maatschappelijke partners zullen in de toekomst subsidies kunnen worden verstrekt. Om een te grote afhankelijkheid op termijn te voorkomen en om "waar voor ons geld te krijgen" zal een subsidiebeleid worden gevoerd gericht op concrete resultaten, waarbij de projectmatige aanpak voorop staat. Het beleid terzake zal in nauw overleg met het Departement van Financiën, andere betrokken departementen en diensten en de onderzoeksinstanties worden opgesteld.

    Tenslotte dienen zich voor financiering van het milieu- en natuurbeleid nog verschillende andere mogelijkheden aan. Zo heeft het Antilliaanse bedrijfsleven interesse om in milieu-educatie te participeren en hebben naast de Nederlandse overheid, NGO's en onderzoeksinstellingen belangstelling om bij te dragen aan het milieu- en natuurbeheer.

    Daarnaast wordt onderzocht of de schulden van de Nederlandse Antillen niet via een zogenaamde "Debt for Nature Swap" kunnen worden geruild tegen een eenmalige storting van de Antillen in een fonds voor aankoop en beheer van natuurgebieden. Een recent initiatief op dit gebied is de oprichting van de Stichting Aankoop Antilliaanse Natuur, kortweg STAAN. Deze particuliere stichting stelt zich tot doel om gelden bijeen te brengen voor het veilig stellen van, om te beginnen, een vijftal grote natuurgebieden op onze eilanden.

    Om vooral het bedrijfsleven een structuur aan te bieden voor hun bijdragen aan milieu en natuur is een tweetal fondsen opgericht, het KNAP Fonds Nederlandse Antillen en het MINA Fonds Nederlandse Antillen.

    KNAP Antillen Fonds
    Vanuit een toenemende aandacht voor de Antilliaanse natuur werd in juli 1995 tijdens een conferentie over het Nederlandse internationale natuurbeleid in Den Haag een verklaring ondertekend, waarin de basis werd gelegd voor de oprichting van een fonds voor kleine natuurprojecten, het KNAP Antillen fonds. Aan dit fonds betalen mee het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV), het Wereldnatuurfonds (WNF) Nederland en het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken (KABNA). Deze organisaties hebben gezamenlijk voor 1996 en 1997 een bedrag van Nfl 150.000 per jaar gereserveerd. Ook de centrale overheid betaalt mee aan dit fonds, in 1996 ANG. 20.000. Het is de bedoeling dat bedrijven op de Nederlandse Antillen financieel aan dit fonds gaan bijdragen.

    Het fonds is bedoeld voor de financiering van kleine activiteiten (tot ANG 15.000 per project) op het gebied van voorlichting, educatie, beheer en onderzoek ten behoeve van de Antilliaanse natuur en wordt beheerd door een speciaal daarvoor aangewezen coördinator.

    MINA-fonds 
    Voor kleine milieuprojecten is in januari 1996 een vergelijkbaar fonds opgericht, het Milieufonds Nederlandse Antillen. Aan dit fonds dragen bij voor een periode van twee jaar de Nederlandse Ministeries VROM en KABNA, elk totaal NFL. 150.000. De centrale overheid stelt in 1996 ANG. 20.000 ter beschikking. Daarnaast heeft het bedrijfsleven te kennen gegeven te willen participeren. Het fonds is bedoeld voor de financiering van milieuprojecten tot ANG. 20.000, op het gebied van de gestelde milieuprioriteiten, afval en afvalwater, olie, toerisme en de vergroting van het draagvlak voor milieu, en wordt beheerd door een aangewezen coördinator.



     

     

    7.1 opstellen milieu- en natuurbeleidsplan
     
     
     
     

    7.2 vastellen jaarlijkse activiteiten
     
     

    7.3 voortgansrapportage milieu- en natuurbeleid

    7. BELEIDSONTWIKKELING EN RAPPORTAGE.

    Binnen twee jaar na het van kracht worden van de Landsverordeningen Milieu- en Natuurbeheer zullen een milieubeleidsplan resp. een natuurbeleidsplan worden opgesteld. Daarbij gaat de voorkeur uit naar een geïntegreerde aanpak, waarbij beide beleidsterreinen, die immers nauw met elkaar samenhangen in een plan worden behandeld. In dat plan zullen de voornemens van de centrale overheid voor de komende vijf jaar worden neergelegd. In separate bijlagen zullen jaarlijks de activiteiten van de centrale overheid en de eilandgebieden worden toegevoegd.
    De Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne zal jaarlijks ten tijde van de begrotingsbehandeling, rapporteren over de voortgang van de verschillende activiteiten op het gebied van milieu en natuur. Deze rapportage zal het karakter krijgen van een evaluatie van de resultaten die in het afgelopen jaar werden geboekt, in combinatie met een opsomming van activiteiten die voor het komende jaar op het programma staan.



     
    Afkortingen.
    CARMABI Caraibisch Marien Biologisch Instituut, Nederlandse Antillen
    CBJAZ  Centraal Bureau Juridische en Algemene Zaken, Nederlandse Antillen
    CITES Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora
    DCMR Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond, Nederland
    DEPOS Departement voor Ontwikkelingssamenwerking, Nederlandse Antillen
    DvF Departement van Financiën, Nederlandse Antillen
    GLOBE Global Learning and Observations for the Benefit of the Environment
    hoi havenontvangstinstallaties
    IHA International Hotel Association
    IHEI International Hotels Environment Initiative
    IMO International Maritime Organization
    IUCN The World Conservation Union
    KABNA Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken, Nederland
    KNAP Kleinschalige Natuurbeschermingsprojecten
    LM Landsverordening Grondslagen Milieubeheer
    LN Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming
    LNV Ministerie Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Nederland
    MARPOL Internationaal Verdrag ter Voorkoming van Verontreiniging door Schepen
    MINA Milieufonds Nederlandse Antillen
    NGO Non Governmental Organization
    PAHO Pan American Health Organization
    ppp public-private partnerships
    SIDS Small Island Developing States
    SINA Scheepvaartinspectie Nederlandse Antillen
    STAAN  Stichting Aankoop Antilliaanse Natuur
    UNCED United Nations Conference on Environment and Development
    UNEP United Nations Environment Programme
    UNESCO United Nations Educational Scientific Cultural Organization
    VN Verenigde Naties
    VOMIL Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, Nederlandse Antillen
    VROM Ministerie Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Nederland
    WNF Wereld Natuur Fonds


     
    Literatuur.
    - STINAPA, Wetgeving Natuurbeheer op de Nederlandse Antillen 1978, documentatie serie no. 6, 1979.
    - Raad voor Zee-onderzoek en Zee-activiteiten, Inventory of the Land-Based Sources of Marine Pollution Netherlands Antilles, 1992.
    - Regering van de Nederlandse Antillen, National Environmental Report, 1992.
    - Regering van de Nederlandse Antillen, UNCED Delegatieverslag Nederlandse Antillen, 1992.
    - UNCED, Agenda 21, 1992.
    - Leerstoel voor Milieu en Ontwikkeling, Milieurecht in de Nederlandse Antillen, 1992.
    - VOMIL, Voorstel voor het Strategisch Integraal Milieubeleidsplan van de Nederlandse Antilen, Inventarisatie Milieu-activiteiten Nederlandse Antillen, 1993.
    - VOMIL, Missie Strategisch Milieubeleid Nederlandse Antillen, 1993.
    - VROM, Nationaal Milieubeleidsplan 2, 1993
    - VOMIL, Natuurbescherming op de Nederlandse Antillen. Voorstellen ter versterking van het natuurbeleid op de Antillen op basis van een inventariserende missie, 1993.
    - VOMIL, Achtergronden van het toepassen van milieunormering op de Nederlandse Antillen, 1993.
    - VOMIL, "Normstelling" en "Netwerk voor controle en handhaving van milieuregels" op de Nederlandse Antillen, 1993.
    - VOMIL, Evaluatie koers milieubeleid Nederlandse Antillen, een 'second' opinion, 1993.
    - Regering van de Nederlandse Antillen, Regeringsverklaring 1994 - 1998.
    - SIDS, Programme of Action for the Sustainable Development of Small Island Developing States, 1994.
    - Leerstoel voor Milieu en Ontwikkeling, Structuren voor een Nederlands Antilliaanse milieuwetgeving, 1994.
    - Leerstoel voor Milieu en Ontwikkeling, Naar een integraal stelsel van milieuwetgeving voor de Nederlandse Antillen, 1994.
    - VOMIL, SIDS Position Paper of the Netherlands Antilles, 1995.
    - LNV, Programma Internationaal Natuurbeheer 1995 - 2000, 1995.

    Informatie © 1998 Sectie Milieu en Natuur;This site is hosted by NetTech N.V., Bonaire