|
INLEIDING
Bij alle spelers in het veld,
groeit de behoefte aan een duidelijke visie van de overheid ten aanzien
van de bescherming van het milieu en de natuur. Landelijke en eilandelijke
overheden kunnen aan zo'n visie hun geplande activiteiten toetsen, bedrijven
hun voorgenomen investeringen en milieu- en natuurorganisaties (NGO's)
hun actieplannen.
De centrale overheid, het
Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne heeft binnenkort
op basis van de Landsverordening Grondslagen Milieubeheer (LM) en de Landsverordening
Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming (LN) zelfs de wettelijke plicht
om beleidsplannen voor de Nederlandse Antillen op genoemde gebieden te
schrijven.
Onder milieu in de brede
zin des woord wordt over het algemeen verstaan de gebieden milieuhygiëne,
natuur en ruimtelijke ordening. Deze nota heeft tot onderwerp slechts de
milieuhygiëne en de natuur. Wat betreft de ruimtelijke ordening is
deze taak in de Landsverordening houdende voorschriften betreffende de
grondslagen van de Ruimtelijke Ordening (PB 1976, 195) gedelegeerd naar
de eilandgebieden. Op landsniveau is op dit moment dan ook geen der departementen
met ruimtelijke ordening belast.
In deze notitie wordt de
term milieu gebruikt ter aanduiding van het grijze milieu: de compartimenten
bodem, water en lucht. Aan natuur of te wel het groene milieu wordt in
de notitie steeds herkenbaar aandacht gegeven. Dat is niet ingegeven door
de wens tot onderscheiding van milieu en natuur, maar wel door het feit
dat natuurbeheer een eigen wetgeving kent, en dus als zodanig herkenbaar
moet worden gepresenteerd.
Er bestaat een nauwe relatie
tussen milieu en volksgezondheid. In deze nota wordt milieu echter benaderd
als een zelfstandig beleidsonderwerp.
Deze notitie "Contouren
van het Milieu- en Natuurbeleid" vormt de aanloop tot de beleidsplannen,
die na de inwerkingtreding van beide landsverordeningen, zullen worden
opgesteld.
Voornaamste doel van deze
notitie is om, ten behoeve van een constructieve dialoog, alle partijen
alvast op de hoogte te brengen van
de algemene opvattingen en de globaal
gewenste richting van het milieu- en natuurbeleid voor de periode 1996
- 2000 op de hoogte te brengen.
|
| |
2.
UITGANGSPUNT EN STRATEGIE.
Het streven naar een duurzame
toekomst is voor de eilanden van de Nederlandse Antillen het uitgangspunt
van het milieu- en natuurbeleid. Het begrip duurzaamheid is tijdens
de VN-Conferentie over Milieu en Ontwikkeling (UNCED, Rio 1992) verder
uitgewerkt. Onder
duurzame ontwikkeling wordt verstaan het voorzien
in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee voor toekomstige
generaties de mogelijkheid in gevaar te brengen om ook in hun behoeften
te voorzien.
Bij het veilig stellen van
de toekomst worden idealiter de grenzen van de draagkracht van milieu
en natuur afgetast, maar niet overschreden. In nauwe relatie daarmee
staat de sociaal-economische ontwikkeling. Deze voorwaarden beïnvloeden
elkaar. Het gaat derhalve om het maken van keuzes, het zoeken naar een
balans, om een duurzame ontwikkeling te kunnen realiseren, waarbij het
continu bewaken van de milieu- en de sociaal-economische doelstellingen
van groot belang is. Het te voeren milieubeleid dient daarom nauw te zijn
afgestemd met andere beleidsterreinen, zoals volksgezondheid, ruimtelijke
ordening, industriële ontwikkeling, landbouw en visserij en dient
duidelijk en transparant te zijn.
Daarbij kan niet voorbij
worden gegaan aan de benadering, die is ontwikkeld voor en door de zogenaamde
Small
Island Developing States (SIDS, Barbados 1993). SIDS worden door specifieke
geografische, sociale en economische kenmerken belemmerd in hun streven
duurzame ontwikkeling consequent als beleidslijn door te voeren. De Regering
zal in haar milieu- en natuurbeleid aansluiting zoeken bij deze benadering.
Het tot stand brengen van
Antilliaanse
milieu- en natuurwetgeving en het op basis daarvan formuleren van beleid
op landsniveau zijn wezenlijke pijlers van de activiteiten van de Antilliaanse
regering op het vlak van milieu- en natuur. Volgende stap op dit traject
zal zijn het stellen van normen met als sluitstuk het opzetten
van een inspectie om de naleving van wetgeving en normen te controleren.
In algemene zin zal in de
komende jaren de nadruk van het milieu- en natuurwerk liggen op de verbreding
van het draagvlak voor milieu en natuur. Zo zal via het onderwijs de jeugd
van de Nederlandse Antillen, de basis van onze samenleving, bewust worden
gemaakt van het belang van zorg voor milieu en natuur. Het beleid zal verder
goede mogelijkheden moeten bieden voor een optimale participatie
van alle betrokkenen binnen de overheid, het bedrijfsleven en milieu- en
natuurgroeperingen.
Bij de benadering van de
milieu- en natuurproblematiek geeft de Regering voorkeur aan de samenwerking
met bestaande organisaties en aan de
uitvoering van aanbevelingen
en suggesties uit bestaande rapporten en adviezen, boven het opzetten
van weer nieuwe structuren en het uitvoeren van weer nieuwe studies.
Het is belangrijk te onderkennen
dat diverse internationale en regionale initiatieven milieu- en natuurverdragen
hebben opgeleverd. Bij een aantal van deze verdragen is de Nederlandse
Antillen partij of heeft te kennen gegeven dat te willen worden. Genoemde
verdragen vormen mede het kader van het milieu- en natuurbeleid van de
Nederlandse Antillen.
In regionaal verband dient
hier tenslotte het Caraibische Milieu Programma van de VN Milieuorganisatie
(UNEP) met het daaraan verbonden aktieplan te worden genoemd.
3.
DE AANDACHTSGEBIEDEN.
Zoals in de concept LM en
de concept LN wordt gesteld, zal de Regering een plan opstellen waarin
een schets wordt gegeven van het door haar voorgestane milieu- en natuurbeleid.
Door de verwevenheid en de samenhang van milieu en natuur wordt voorlopig
gekozen voor het opstellen van één integraal plan, waarin
beide onderwerpen duidelijk herkenbaar zullen zijn.
De volgende criteria
zijn toegepast om de aandachtsgebieden te bepalen: het in gevaar brengen
van de duurzame toekomst, de omvang van de bedreiging van het milieu, de
relatie met de economie, de mate van gezamenlijkheid van de milieuvraagstukken.
In dit integraal beleidsplan
zullen de
aandachtsgebieden voor de Regering zijn:
-
afval en afvalwater,
-
olie en het milieu,
-
toerisme, milieu en natuur,
-
het beheer van de natuur,
-
vergroting van het draagvlak.
De keuze van deze vijf aandachtsgebieden
is gebaseerd op inventarisatierapporten, aanbevelingen en adviezen, die
in de afgelopen tijd over het milieu en de natuur van de Nederlandse Antillen
zijn uitgebracht en valt tevens terug te voeren op de regeringsverklaring.
Het ontbreken van beleid
gericht op preventie en hergebruik van afval, heeft als consequentie dat
de hoeveelheid afval alleen maar toeneemt. De gezamenlijkheid van de afvalwaterproblematiek
met de bedreigingen voor milieu en natuur, volksgezondheid en economische
ontwikkelingskansen, die daarmee gepaard gaan vraagt eveneens om een stevige
aanpak.
Het belang van de olie-industrie
voor economie en werkgelegenheid op de Nederlandse Antillen, met als keerzijde
de milieu-effecten van produktie, en de milieugevolgen van onzorgvuldigheid
bij overslag en transport van olie, kwalificeren dit thema als het tweede
aandachtsgebied.
Toerisme in relatie tot milieu
en natuur is het derde aandachtsgebied. Het economisch belang van deze
sector voor de Antillen, de effecten op milieu, natuur en ruimtelijke ordening
moeten in balans zijn. Toeristen kiezen de Nederlandse Antillen als vakantiebestemming,
onder andere om de natuurlijke schoonheid. Het is zaak om deze aantrekkingskracht
te behouden en aan de andere kant de effecten van de sector op milieu en
natuur te minimaliseren.
Behoud en beheer van de natuur,
het vierde aandachtsgebied, zijn niet alleen van belang vanwege de economische
waarde van gebieden en soorten, maar ook vanwege de waarde van de natuur
op zich.
Algemene leidraad van het
beleid is het creëren van draagvlak voor milieu en natuur. Indien
het belang van zorg voor milieu en natuur niet wordt beseft, kan niet worden
verwacht dat men bereid is om zich in te zetten voor het bereiken van de
gestelde doelen.
Het kiezen van een vijftal
aandachtsgebieden brengt met zich mee dat andere -ook belangrijke- milieuthema's
minder of geen aandacht krijgen. Daarbij valt te denken aan de thema's
energie, verkeer en vervoer, geluid, alsmede het beleidsinstrument milieu
effect rapportage.
Door de beperkte menskracht
en middelen bij de centrale en eilandelijke overheden, is echter aan een
prioriteitsstelling niet te ontkomen. Tegelijkertijd wordt op de eilanden
gerekend om, zover de menskracht en de middelen dat toelaten, in het eilandelijk
milieubeleid additionele onderwerpen zoveel mogelijk "mee te nemen". Soms
kan zonder al te veel inspanning snel winst geboekt worden. Bijvoorbeeld
op het gebied van verkeer door een betere controle op uitlaatgassen
bij de verplichte autokeuring.
In dergelijke gevallen zal de centrale overheid behulpzaam zijn bij het
aanreiken van normen.
3.1
Afval en afvalwater.
afval
Op dit moment zijn op de
Nederlandse Antillen de meest zichtbare knelpunten het ontbreken van beleid
gericht op het voorkomen van afval, het ontbreken van georganiseerd hergebruik
van afvalstoffen, en op vele plaatsen een niet adequate inzameling en eindverwerking
van afval. Op alle eilanden van de Nederlandse Antillen wordt het ingezamelde
afval gestort op niet geïsoleerde landfills. Er vindt hoegenaamd geen
scheiding van afval plaats. In de komende jaren zal dan ook de nadruk liggen
op het wegnemen van de knelpunten.
De hoofddoelstelling
van het afvalbeleid is het verminderen van de hoeveelheid afval. Het beleid
zal gericht zijn op a) het voorkomen van afval, b) het zoveel mogelijk
hergebruiken
van afvalstoffen en tenslotte c) het treffen van voorzieningen voor
de
verantwoorde verwerking van afval.
Bij de aanpak van het afvalprobleem
geldt het principe dat preventie de voorkeur heeft boven hergebruik. Is
het afval eenmaal ontstaan, dan heeft hergebruik de voorkeur boven eindverwerking.
De eindverwerking van het afval dient op een voor het milieu verantwoorde
wijze plaats te vinden.
In overleg met de doelgroepen
overheid, industrie, huishoudens/consumenten, de toeristische sector, de
detailhandel en de importeurs wordt gestreefd naar reductie van de hoeveelheid
afval die voor eindverwerking bestemd is. Door toepassing van financiële,
juridische en sociale instrumenten waaronder voorlichting, zal verantwoord
gedrag van betrokkenen gestimuleerd worden.
De eilandelijke overheden
zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid. Voor zover dat
nog niet is gebeurd, zullen eilandelijke overheden worden aangespoord om
een afvalaktieplan op te stellen, waarin het bovenstaande beleidsprincipe
is vertaald. Op verzoek van de eilandelijke overheden kan de centrale overheid
op onderdelen assisteren. De centrale overheid zal de eilandgebieden stimuleren
om vervolgens ook daadwerkelijk invulling te geven aan het beleid. Zowel
de centrale als de eilandelijke overheid moeten het beleid, de uitvoering
en de resultaten monitoren.
|
| 3.1.1
eilandelijke, regionale samenwerking op het gebied van afval |
Samenwerking
tussen de eilanden van de Nederlandse Antillen, samenwerking met Aruba
en regionale initiatieven op het gebied van afval, zullen worden bevorderd.
Speciale aandacht gaat naar samenwerking op het gebied van recyclebare
afvalstromen, probleemstoffen en samenwerking op het gebied van organisatie,
kennis en materieel. |
3.1.2 ontwikkeling importregulerende
instrumenten
3.1.3 opnemen afvalaspect
in importheffingen en in leges hindervergunning |
Preventie.
In samenwerking met het
Departement voor Economische Zaken zal worden onderzocht welke regulerende
instrumenten ontwikkeld kunnen worden. Deze instrumenten hebben tot doel
de keuze voor milieuvriendelijke produkten te bevorderen. Milieuvriendelijke
produkten zijn op duurzame wijze geproduceerde goederen met een lange levensduur,
die weinig afval veroorzaken en bovendien zijn opgebouwd uit componenten
die geschikt zijn voor hergebruik, en als laatste zo min mogelijk gevaar
voor het milieu opleveren bij de eindverwerking. Niet milieuvriendelijke
produkten kunnen extra belast worden, enerzijds om het gebruik van milieuvriendelijke
alternatieven te stimuleren en anderzijds om de verwerking van deze produkten
te kunnen financieren. Het milieu (afval) aspect moet in de grondslag van
de heffing van goederen en van leges van hindervergunningen worden opgenomen. |
3.1.4 afvalvoorlichting en
-educatie
3.1.5 stimulering initiatieven
hergebruik |
Hergebruik.
De voorkeur wordt gegeven
aan zo vroeg mogelijk scheiden van afval. De economische waarde van "schone"
stromen is namelijk hoger. Infrastructurele voorzieningen dienen te worden
aangebracht om afval gescheiden te kunnen inzamelen. Tevens moet voorzien
worden in het terug voeren in de grondstoffen kringloop. Daarbij zal door
de schaal van de Nederlandse Antillen, rekening worden gehouden met de
mogelijkheid dat dit elders moet gebeuren. De actieve participatie van
bedrijfsleven en consumenten is op het hergebruikstraject essentieel. Intensieve
voorlichting en educatie zullen de succesfactor verhogen. Initiatieven
op het gebied van hergebruik van afval zullen in nauw overleg met de eilanden
en zoveel mogelijk in samenhang worden gestimuleerd. |
3.1.6 richtlijnen eindverwerking
afval
3.1.7 registratiesysteem
milieugevaarlijke stoffen en probleemstoffen
3.1.8 Landsbesluit Milieugevaarlijke
Stoffen
3.1.9 vergunningen internationaal
afvaltransport |
Verantwoorde
eindverwerking.
De centrale overheid zal
richtlijnen formuleren voor de verantwoorde eindverwerking van afval.
In samenwerking met het
Departement voor Economische Zaken wordt een registratie systeem opgezet
voor grondstoffen of produkten, die uiteindelijk vallen in de afvalcategorie
milieugevaarlijke afvalstoffen. Hetzelfde zal worden gedaan voor de categorie
probleemstoffen, waartoe bijvoorbeeld autobanden behoren.
Bij landsbesluit zullen
milieugevaarlijke stoffen worden aangewezen en zal worden aangegeven hoe
om te gaan met de verwijdering, verwerking, bewerking, bewaring, invoer
en uitvoer. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij terzake relevante verdragen,
zoals het Verdrag van Basel betreffende het grensoverschrijdend transport
van milieugevaarlijke afvalstoffen.
Op basis van verantwoorde
verwerking van geselecteerde afvalstromen elders zal in samenwerking met
het Departement voor Economische Zaken gewerkt worden aan de vergunningstechnische
aspecten van internationaal transport van afval.
Volgens het MARPOL verdrag,
waarbij de Nederlandse Antillen partij zijn, zouden in iedere internationale
haven havenontvangstinstallaties, hoi's, moeten zijn ingericht. Dergelijke
hoi's kunnen echter leiden tot verschuiving van afvalproblemen. Daarom
zoeken de Nederlandse Antillen aansluiting bij de discussies en initiatieven
over dit onderwerp. In regionaal verband wordt in het Wider Caribbean Initiative
on Ship Generated Waste programma deze materie besproken. De Nederlandse
Antillen participeren niet in dit overleg, maar worden op de hoogte gehouden
van de ontwikkelingen.
Concluderend.
Het afvalbeleid is gericht
op preventie, hergebruik en verantwoorde eindverwerking. Financiële,
juridische en sociale instrumenten zullen worden ingezet. Intensieve voorlichting
en educatie zullen het succes van het afvalbeleid bepalen. Nauwe samenwerking
tussen de eilanden van de Nederlandse Antillen, met Aruba en met de regio
zullen mogelijk meer oplossingsrichtingen bieden voor het afvalvraagstuk.
afvalwater
Op de Nederlandse Antillen
wordt in de meeste gevallen afvalwater via beerputten geïnfiltreerd
in de bodem. Op Curaçao wordt een deel van het afvalwater ingezameld,
verwerkt en hergebruikt. Op Sint Maarten is begonnen met de aanleg van
een inzamelingsstructuur en verwerkingscapaciteit. Op Bonaire is men al
geruime tijd bezig met plannen voor afvalwater inzameling en verwerking.
De hoofddoelstelling van
het afvalwaterbeleid is het beperken van het ontstaan van afvalwater en
vervolgens het verantwoord verwerken.
Daarbij zij vooropgesteld
dat aanleg van een uitgebreide structuur van riolering over de gehele Antillen,
vanwege de daaraan verbonden hoge kosten van aanleg en onderhoud niet wordt
nagestreefd. Aanleg en onderhoud van afvalwaterinfrastructuur is kostbaar
door de verspreide bebouwing en de geaccidenteerdheid van de eilanden.
Industriële ontwikkelingszônes, volkshuisvestings- en toeristische
projecten moeten bij voorkeur binnen het bereik van een afvalwaterzuiveringsinrichting
worden gepland of anders zelf voorzien in adequate, mogelijk gemeenschappelijke,
afvalwaterverwerking. In de komende jaren zal de nadruk liggen op het oplossen
van knelpunten in de afvalwaterstructuur en de -verwerking en de verbetering
van het beheer van riolering en afvalwaterzuiveringsinrichtingen.
|
3.1.10 algemene uitgangspunten
voor inzameling en verwerking van afvalwater |
Huishoudens
en industrie zullen gestimuleerd worden om minder water te gebruiken. Voor
de afvoer van afvalwater gaat de voorkeur gaat uit naar de toepassing van
septic-tanks in plaats van beerputten. Op centraal niveau zullen de voorwaarden
waaronder inzameling en verwerking van afvalwater raadzaam is, in een aantal
algemene uitgangspunten worden vastgelegd. De eilanden zullen worden ondersteund
in het streven afvalwater op een verantwoorde manier te verwerken. Stages
en training van personeel zullen worden bevorderd.
In de regio worden de initiatieven
voor de tot stand koming van het derde Protocol van de Cartagena Conventie,
Land-based Sources of Marine Pollution, ondersteund. Dit Protocol heeft
als doel de vervuiling van het mariene milieu door op het land gelegen
bronnen te reguleren. Afvalwater is voor de Nederlandse Antillen de grootste
bron van mariene vervuiling. |
| |
3.2
Olie en het milieu.
Voor de Nederlands Antilliaanse
economie is de verwerking, de op- en overslag en het transport van olie
van groot economisch belang. Aan deze belangrijke economische activiteit
kleven echter ook milieu-effecten, die dringend moeten worden aangepakt
vanwege het economisch belang en het voortbestaan van deze bedrijfstak,
volksgezondheid en milieu en de verdere ontwikkeling van andere bedrijfstakken,
waaronder de visserij en het toerisme. Internationaal nemen namelijk de
milieueisen die overheden en consumenten aan produktieprocessen stellen
toe en deze eisen worden in toenemende mate vastgelegd in internationale
overeenkomsten. Alleen al uit eigen belang zal de olieindustrie op de Nederlandse
Antillen aansluiting moeten zoeken bij deze ontwikkelingen en zal zich
moeten voegen bij de bedrijven die verantwoord omgaan met het milieu. Een
dergelijke positionering zal echter niet alleen financiële injecties
vergen, maar ook een gezamenlijk door bedrijfsleven en overheid gedragen
visie en de gezamenlijke wil om werkelijk iets te veranderen.
De problematiek van olie
en milieu op de Nederlandse Antillen laat zich in verschillende aspecten
onderscheiden, die elk een specifieke benadering vergen:
de erfenissen van de olie-industrie
in of op de (water)bodem;
de produktie van aardolieprodukten
met de daaruit voortvloeiende verontreiniging van lucht, bodem en water
en hinderaspecten;
de op- en overslag van olie
en de mogelijke gevolgen voor bodem- en waterverontreiniging;
de risico's van olietransport
over zee.
Al deze facetten van de olie-industrie
en -handel hebben gevolgen voor het milieu of kunnen die hebben. Voor de
aanpak van deze gevolgen wordt gekozen voor een verdeling naar medium
waar de gevolgen zich voordoen: lucht, bodem, water. |
|
lucht
De belangrijkste luchtvervuiler
binnen de Nederlandse Antillen is de raffinaderij op Curaçao.
Ten aanzien van de luchtverontreiniging
van de raffinaderij te Curaçao geldt als belangrijkste uitgangspunt
het beëindigen van emissies, die leiden tot onaanvaardbare immissie
concentraties van luchtverontreinigende stoffen op mens en milieu.
Uitbreidingen van de capaciteit of een verhoging van het verwerkt volume
kunnen alleen worden geaccepteerd, wanneer deze gepaard gaan met een afname
van de totale milieubelasting. Vanuit die doelstelling zal het beleid gericht
zijn op het systematisch terugdringen van de uitstoot van milieubelastende
stoffen naar de lucht en deze uitstoot laten voldoen aan de daarvoor
geldende internationale normen, waarbij de installaties zullen moeten gaan
voldoen aan de stand der techniek.
|
3.2.1
participatie in procedure hindervergunning raffinaderij Curaçao
3.2.2 toetsing en bekrachtiging
normen raffinaderij
3.2.3 training handhavingspersoneel
olie
3.2.4 toetsing op naleving
milieuregels door de raffinaderij |
Op
dit moment loopt de
procedure voor de verstrekking van de hindervergunning
voor de raffinaderij, die naar verwachting vóór 31 december
1996 zal zijn verleend. De centrale overheid participeert in dit overleg
vanuit haar verantwoordelijkheid voor normstelling en inspectie en ter
bewaking van de naleving van een aantal internationale overeenkomsten inzake
de luchtverontreiniging.
De normstelling voor de
raffinaderij is voor een deel al vastgelegd in de huurovereenkomst en zal
in overleg met betrokken partijen door de Milieudienst Curaçao worden
vertaald en geformaliseerd in de hindervergunning. Deze in de vergunning
vastgelegde normen zullen vervolgens vanuit de eigen verantwoordelijkheid
van de centrale regering worden getoetst en bekrachtigd. De controle van
de naleving van deze normen zal in eerste instantie bij de Milieudienst
Curaçao liggen. De Milieuinspectie, die onder het Departement van
Volksgezondheid en Milieuhygiëne zal worden opgezet, heeft vervolgens
op centraal niveau tot taak om tweedelijns toezicht op de naleving te houden.
De kosten van deze inspecties zullen door de vergunningplichtige moeten
worden gedragen.
Op het terrein van de olieterminal
op Sint Eustatius zal eveneens een raffinaderij worden opgestart. Alhoewel
deze raffinaderij bescheiden van omvang is, zal door de aard van de te
produceren oliederivaten, inspectie op de mogelijke gevolgen van de produktie
voor mens en milieu van groot belang zijn. Ook hier is het eilandgebied
verantwoordelijk voor het eerstelijns toezicht op de naleving van de milieuregels,
die worden vastgelegd in een hindervergunning voor terminal en raffinaderij,
die op dit moment wordt verleend.
|
| |
bodem
Onderscheid moet worden
gemaakt tussen erfenissen uit het verleden en de eventuele gevolgen van
de huidige produktie, op- en overslag.
Huidige activiteiten.
Voor de produktie
van olieprodukten, de op- en overslag en het transport over land
geldt als belangrijkste
doelstelling dat de olieindustrie geen
nieuwe bodemverontreiniging mag veroorzaken.
|
| 3.2.5
regelgeving ter voorkoming van bodemverontreiniging door olie |
Waar
nodig zullen op dit gebied garantieregels worden opgesteld of zal worden
meegeholpen om dit op eilandsniveau te doen. Een nader te ontwikkelen normstelling
moet richting geven aan de tijdelijke opslag van de restprodukten van het
raffinage proces op de bodem. Bodemverontreiniging die onverhoopt toch
ontstaat, moet direct door of voor rekening van de veroorzaker worden opgeruimd.
De milieu-inspectie zal toezicht
houden op de naleving van deze regels.
Erfenissen.
In een aantal gevallen zijn
vanuit ruimtelijk oogpunt geschikte lokaties voor bijvoorbeeld economische
ontwikkeling niet beschikbaar, vanwege verontreiniging van de bodem met
restanten van het raffinage proces, olie transport, op- en overslag.
Wanneer het streven is om
verspreiding van de bestaande bodemverontreiniging tegen te gaan en verontreinigde
gebieden een andere bestemming te geven zal "oude" bodemverontreiniging
door olie en gerelateerde afvalstoffen systematisch moeten worden
opgeruimd
|
3.2.6
in kaart brengen bodemverontreiniging door olie
3.2.7 haalbaarheid Olieopruimfonds |
Omdat
een alle eilanden dekkend en "up to date" overzicht van de omvang en aard
van bodemverontreiniging door olie en olie-gerelateerde produkten ontbreekt,
is een eerste vereiste dat de bodemverontreiniging door de betrokken bedrijven,
samen met de overheid, in kaart wordt gebracht. Het inschakelen van externe
expertise, en financiële steun van buitenaf, zal naar alle waarschijnlijkheid
bij het in kaart brengen van de bodemverontreiniging noodzakelijk zijn.
Op basis van het overzicht zal moeten worden gekozen tussen opruimen dan
wel isoleren of veiligstellen van de bodemverontreinigingen. Tenslotte
zal de bodemsanering of isolatie daadwerkelijk moeten worden uitgevoerd.
Voorzichtige schattingen
van de met deze opruimacties gemoeide kosten bedragen enige honderden miljoenen
guldens, alleen al voor Curaçao. Het moge duidelijk zijn dat deze
kosten onmogelijk door de Antilliaanse overheid gedragen kunnen worden.
In de komende periode zal de haalbaarheid worden onderzocht van het opzetten
van een Olieopruimfonds te beheren door de centrale overheid. Uit dat fonds
zouden bodemsaneringsaktiviteiten kunnen worden gefinancierd. De constructie
van een fonds geeft de mogelijkheid tot participatie door externe financiers
aan grootschalige opruimacties.
|
| |
water
Verontreiniging van het
water door op- of overslag of tijdens transport dient ten
alle tijden te worden voorkomen. |
| 3.2.8
gedragsregels ter voorkoming van waterverontreiniging
3.2.9 inspectie olie op- en
overslaginstallaties |
Gedragsregels
voor het beheren van terminals en voor olietransporten over water zullen
worden op- en waar nodig worden bijgesteld. Op- en overslag installaties
zullen regelmatig door de landelijke (tweede-lijns)milieuinspectie worden
geïnspecteerd op het juist naleven van de milieuregels. De kosten
van deze inspecties zullen door de installaties zelf gedragen moeten worden
en vooraf als onderdeel van een borgstelling aan de overheid moeten worden
betaald. In nauwe samenwerking met de milieuinspectie zal de Scheepvaartinspectie
Nederlandse Antillen (SINA) zorgdragen voor de inspectie van de technische
(milieu)veiligheid van olietankers en schepen in het algemeen. |
3.2.10 training terminalpersoneel |
Mochten
zich onverhoopt toch calamiteiten voordoen, dan is, afhankelijk van de
plek waar de verontreiniging wordt veroorzaakt, "het schip" dan wel de
beheerder van de installatie aansprakelijk voor het voorkomen van verspreiding
van de verontreiniging en voor het opruimen van de olieverontreiniging
op de voor het milieu meest verantwoorde manier. Het personeel van terminals
zal specifiek moeten worden getraind in het voorkomen en snel beheersen
en opruimen van oliecalamiteiten in relatie tot het oppervlaktewater.
Directe lozing van met olie
verontreinigd afvalwater op het oppervlakte water dient ten alle tijden
voorkomen te worden door een betere scheiding aan de bron.
Binnen tien jaar zal de
raffinaderij op Curaçao dienen te beschikken over een adequate waterzuiveringsinrichting.
Naast deze vormen van vervuiling
is er het fenomeen van afstromen van bodemverontreiniging onder meer vanaf
het raffinaderijterrein op Curaçao naar het oppervlakte water. Hieraan
moet, door het treffen van beheersmaatregelen, met prioriteit paal en perk
worden gesteld.
|
| |
olierampen
Het nationale olierampenplan
is opgebouwd uit de vijf eilandelijke olierampenplannen. De eilanden van
de Nederlandse Antillen zullen worden aangespoord de eilandelijke plannen
vast te stellen, waarna het nationale plan kan volgen. De verantwoordelijkheid
voor de coördinatie en uitvoering van deze plannen ligt bij de Scheepvaartinspectie
Nederlandse Antillen (SINA). Het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne
participeert in deze activiteiten vanuit de eigen beleidsverantwoordelijkheid.
Tussen de Nederlandse Antillen,
Aruba en Venezuela zijn de afspraken voor deze aangelegenheid in een verdrag
vastgelegd. |
| |
3.3
Toerisme, Milieu en Natuur.
Toerisme, milieu en natuur
zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Toeristen kiezen de Nederlandse
Antillen als vakantiebestemming vanwege de natuurlijke schoonheid. Hun
vakantie heeft echter de nodige gevolgen voor het milieu. In een aantal
gevallen dragen toeristen ook financieel bij aan het beheer van de natuur.
De doelstelling is
het toerisme in ecologische zin duurzaam te maken. Het streven is
dat toerisme zoveel mogelijk in evenwicht is met zijn omgeving. Want alleen
dan, in een schone natuurrijke omgeving, kan toerisme ook economisch duurzaam
zijn.
Aan het duurzaam maken van
toerisme zitten vele kanten. De Regering neemt zich voor aan de volgende
aspecten in dit kader specifieke aandacht te geven.
|
| |
ruimtelijk
beleid
Bij nieuwe toeristische
ontwikkelingen zal terdege met de ruimtelijke gevolgen voor milieu en natuur
rekening gehouden moeten worden. Sommige eilanden hebben al een zekere
ruimtelijke planning, in de vorm van eilandelijke ontwikkelingsplannen,
die richting aan de bestemming van gebieden geeft. Voor een aantal eilanden
is bovendien een toeristisch masterplan opgesteld. Bij andere eilanden
moet een dergelijke planning nog gestalte krijgen. Duidelijk is echter
dat toeristische ontwikkeling niet ten koste mag gaan van de nog resterende
ongerepte natuur, die immers vaak de bestaansreden van het toerisme is.
Bovendien moet worden voorkomen dat toeristische ontwikkelingen de bewegingsruimte
van de bevolking van de Nederlandse Antillen beperken. |
3.3.1 stimuleren duurzame
ruimtelijke planning in relatie tot toerisme |
Doelgroepen
waarmee hieraan moet worden gewerkt zijn de ruimtelijke planners, milieudiensten
en toeristische organisaties, de project ontwikkelaars en de financiers
en bouwers van hotels en vakantiecomplexen. De centrale regering zal stimuleren
dat er in relatie tot toerisme op de diverse eilanden, ruimtelijke planning
tot stand komt, waarin de aandacht voor milieu en natuur een belangrijke
en vooral geïntegreerde plaats inneemt. |
| |
milieumanagement
hotels
De afgelopen tijd zijn in
internationaal verband op het gebied van milieumanagement van hotels een
aantal goede initiatieven ondernomen. Deze initiatieven, onder meer dat
van de International Hotel Association (IHA), the International Hotels
Environment Initiative (IHEI) en het VN Milieuprogramma (UNEP), voorzien
in een samenhangend pakket van milieumaatregelen op afval-, water- en energiegebied,
dat direct door hotels valt toe te passen. |
3.3.2 bevorderen milieuvriendelijk
management en plannen hotels
|
Hotels
zullen worden aangespoord om deze initiatieven voor het milieuvriendelijk
maken van deze economisch belangrijke bedrijfstak, ook daadwerkelijk door
te voeren. Dat zal gebeuren in nauw overleg met de branche organisaties
en, -in een voorbeeldrol-, met individuele hotels.
Bij de ontwikkeling van
toeristische projecten zal bevorderd worden om al in de planfase een aantal
milieuaspecten, zoals een goede water-, energie-, afval-, en afvalwater
planning, rekening te houden.
Gegeven de toenemende aandacht
van de vakantieganger voor het milieu kan een dergelijke gecoördineerde
en wellicht zelfs gestandariseerde aanpak de Nederlandse Antillen als milieubewuste
vakantiebestemming op de kaart zetten. |
3.3.3 "Cruise-afval" overleg
met toerisme bureaus |
afval
Binnen het milieumanagement
van de toeristische sector neemt afval een belangrijke plaats in. In een
dialoog met de hotels, luchtvaart- en cruisemaatschappijen zal worden gewerkt
aan vermindering van de afvalstroom, aan een scheiding van afval aan de
bron en bevordering van hergebruik. Hotels zullen worden aangespoord om
langs deze lijn een afvalmanagement op te zetten, daarbij gesteund door
de vele goede voorbeelden en initiatieven, die er op dit gebied internationaal
al bestaan.
Voor wat betreft het afval
van cruiseschepen zal de samenstelling van het afvalpakket en de hoeveelheid
bepalend zijn voor de vraag of het eiland het afval kan ontvangen of niet. |
|
De
eilanden zullen worden aangespoord en waar nodig geassisteerd om gesprekken
met toeristische brancheorganisaties over de aanpak van dit belangrijke
milieuprobleem aan te gaan. De centrale overheid zal hierbij als adviseur
beschikbaar zijn en in overleg met de eilanden initiatieven steunen. |
| |
natuur
Grote aantallen toeristen
die natuurlijke schoonheid van de Nederlandse Antillen van dichtbij willen
bekijken en beleven, hebben onherroepelijk een impact op deze natuur. Het
is daarom belangrijk om kwetsbare en druk bezochte natuur zorgvuldig te
beheren.
Het toerisme heeft overigens
niet alleen negatieve gevolgen voor natuur. Toerisme kan immers ook in
belangrijke mate bijdragen aan het beheer van de natuur bijvoorbeeld via
toegangsgelden voor beschermde gebieden of via heffingen voor bijvoorbeeld
het onderwatertoerisme.
De centrale overheid stelt
zich tot taak de eilanden te assisteren bij het instellen van beschermde
gebieden, bij het beheer van deze gebieden vooral in relatie tot het gebruik
ervan door bezoekers en bij het ontwikkelen van systemen om bezoekers mee
te laten betalen aan het beheer van de natuur.
transport
In het algemeen moet worden
gestreefd naar een minimale invloed van het toerisme op milieu en natuur.
Dat geldt ook voor de wijze van transport naar, op, en van de vakantiebestemming.
Het is niet de bedoeling om op dit terrein op korte termijn een actief
beleid te gaan voeren. Desalniettemin worden de ontwikkelingen, die kunnen
bijdragen aan een vermindering van de milieubelasting van vakantietransporten,
actief gevolgd en waar mogelijk gestimuleerd. Daarbij kan worden gedacht
aan de inzet van de nieuwste generatie energiezuinige en geluidsarme vliegtuigen,
een betere vluchtplanning en aan cruiseschepen, die door milieuvriendelijker
energiegebruik (bijv. zwavelarme stookolie) minder luchtverontreiniging
veroorzaken. |
| |
3.4
Het beheer van de natuur.
Duurzame ontwikkeling vertaalt
zich in het natuurbeleid naar het behoud en beheer van biodiversiteit.
Onder biodiversiteit wordt verstaan de verscheidenheid aan planten en dieren
die op het land en in de zee voorkomen en hun leefgebieden.
Binnen het natuurbeheer zijn
twee lijnen van aanpak te onderscheiden, namelijk het gebiedsgerichte
beleid, dat er op is gericht om ecosystemen met de daarin voorkomende
soorten te beschermen en bescherming van de soorten als afzonderlijke
activiteit.
gebiedsbescherming
Hoofddoelstelling
van het gebiedsgerichte beleid zal zijn te komen tot een netwerk van
beschermde natuurgebieden dat representatief is voor de aanwezige ecosystemen
in de Nederlandse Antillen.
De gebieden die voor bescherming
kwalificeren, moeten representatieve voorbeelden zijn van mariene-, kust-
en landecosystemen, groot genoeg om ook op lange termijn een bestaansrecht
te hebben en hun biologische diversiteit te behouden. Daarnaast omvatten
zij leefgebieden die belangrijk zijn voor het voortbestaan en herstel van
bedreigde inheemse soorten. |
3.4.1 wettelijke grondslag
beschermde gebieden
3.4.2 selectie criteria beschermde
gebieden |
Voor
het voortbestaan van beschermde gebieden op lange termijn is het van belang
dat de beschermde status een wettelijke grondslag krijgt. Dat zal over
het algemeen dienen te gebeuren door een aanwijzing als beschermd natuurgebied
door de eilandsoverheid. Aan een beperkt aantal grote gebieden met een
wettelijk beschermde status, uitzonderlijke natuurlijke en landschappelijke
waarde en een solide beheersregime kan de centrale overheid de status van
"nationaal park" verlenen. De criteria die bij de selectie van te beschermen
natuurgebieden worden gehanteerd zullen in beginsel worden ontleend aan
het classificatie systeem voor beschermde gebieden van de International
Conservation Union (IUCN). Deze criteria zullen door het departement van
VOMIL verder op de Antilliaanse situatie worden afgestemd. |
| 3.4.3
instellen nationale parken |
Het
is de bedoeling om te komen tot een netwerk van nationale parken dat wordt
geflankeerd en gecompleteerd door een systeem van eilandelijke beschermde
gebieden. Op dit moment is op de Nederlandse Antillen al een aantal representatieve
natuurgebieden beschermd. Twee van deze gebieden te weten het Slagbaai
Washington Park op Bonaire en het Christoffel Park op Curaçao kwalificeren
op voorhand als nationaal park. Gestreefd wordt om hieraan in ieder geval
nog een vijftal nationale parken toe te voegen. De gebieden die daarvoor
kwalificeren zijn Klein Bonaire en de aangrenzende zee, het landgoed Oostpunt
en de aangrenzende zee op Curaçao, de Mount Scenery op Saba, The
Quill op Sint Eustatius en tenslotte de Hillsides op Sint Maarten. Daarnaast
kan de status van nationaal park worden verleend aan een aantal beschermde
onderwatergebieden. Eenmaal aangewezen als nationaal park staat vervolgens
de weg open naar aanmelding door de centrale overheid van deze gebieden
bij de daarvoor relevante internationale organisaties en verdragen. |
| 3.4.4
faciliteren grensoverschrijdende gebiedsbescherming
3.4.5 inventarisatie en beheersplan
Sababank |
Andere
taak voor het land is om grensoverschrijdende gebiedsbescherming te faciliteren.
Voorbeeld daarvan is het natuurgebied, de Hillsides, op de grens tussen
het Nederlandse en Franse deel van Sint Maarten.
Ook de Saba bank dient niet
onvermeld te blijven. De Saba bank valt deels onder de jurisdictie van
de Sabaanse- en deels onder die van de landsoverheid. Er is reeds een begin
gemaakt met de inventarisatie van biologische gegevens over de Sababank.
Deze gegevens moeten in de komende tijd door middel van onderzoek verder
worden aangevuld. Vervolgens zullen Saba en de centrale overheid voor dit
biodiverse en visrijke gebied op basis van gegevens over de diversiteit
en dichtheid van het mariene leven een beheersplan opstellen en (doen)
uitvoeren. |
| |
Het
is van groot belang om eenmaal ingestelde beschermde gebieden ook daadwerkelijk
te beheren. Het ligt in de rede om het beheer over de beschermde natuurgebieden
op te dragen aan particuliere organisaties die met dat doel zijn opgericht.
Op Bonaire zijn dat STINAPA Bonaire en het Onderwaterpark Bonaire, op Curaçao
is dat STINAPA Curaçao, op Saba de Saba Conservation Foundation
en op Sint Eustatius STENAPA. Op Sint Maarten is een beheersorganisatie
in oprichting.
Het is van groot belang
dat het beheer geschiedt op een manier waar enerzijds de verschillende
"stakeholders", te weten de overheid en de diverse gebruikers, zich goed
kunnen vinden, maar waarbij anderzijds de integriteit van de natuur niet
in gevaar komt. De uitbesteding van het beheer van de natuur aan particuliere
natuurbeheersorganisaties zal contractueel tussen eilandoverheden en beheersorganisaties
dienen te worden vastgelegd. De centrale overheid kan ook hier een faciliterende
rol spelen. |
3.4.6 advisering natuurbeheersorganisaties
3.4.7 overleg natuurbeheerders |
Voor
ieder beschermd gebied zullen de betreffende beheersinstanties een beheersplan
moeten opstellen, waarin het beheer op lange termijn wordt geregeld. Het
departement van VOMIL is beschikbaar om waar nodig de eilanden op dit traject
te begeleiden. VOMIL zal adviseren en assisteren bij het opzetten van beheersapparaten
op die eilanden waar zo'n apparaat nog niet voldoende functioneert. Ten
behoeve van de coördinatie tussen de diverse beschermde gebieden en
de eenheid in beheer zal de centrale overheid regelmatig overleg tussen
de beheerders van beschermde gebieden organiseren. Daarmee wordt voortgebouwd
op het overleg tussen de beheerders van mariene beschermde gebieden, dat
al regelmatig plaatsvindt. |
| |
Op
verschillende eilanden tekent zich een beeld af dat grote particuliere
gebieden in ruimtelijke plannen van de overheid een conserveringsbestemming
krijgen. Eigenaren zien zich op deze wijze geconfronteerd met een bestemming,
die geen of nauwelijks economische ontwikkeling toestaat. De eilandelijke
overheden zullen in de vervolgstap dienen uit te werken welk gebruik in
dergelijke gebieden nog wel getolereerd kan worden en op welke voorwaarden.
Een van de mogelijkheden die zich in dit kader aandient, is de aankoop
van conserveringsgebieden door de overheid. |
| 3.4.8
studie "Debt for Nature Swap" |
Voor
de financiering van aankoop en beheer van grote natuurgebieden kan gedacht
worden aan een "Debt for Nature Swap". In de financiële paragraaf
van deze nota wordt nader op deze optie ingegaan. Daar wordt ook aandacht
besteed aan de stichting STAAN.
Doelgroepen van dit onderdeel
van het natuurbeleid zijn de overheden van de eilandgebieden, de natuurorganisaties,
die in een aantal gevallen de natuurgebieden namens de eilandelijke overheid
beheren, het toerisme dat vaak gebruik maakt van de faciliteiten van de
beschermde gebieden en andere gebruikers en omwonenden.
|
| |
soortenbescherming
De hoofddoelstelling
van de soortenbescherming is er zorg voor te dragen dat die dieren en planten
die van oorsprong op de Nederlandse Antillen voorkomen niet in hun voortbestaan
worden bedreigd. Migrerende soorten die zich tijdelijk op ons territoir
bevinden, zullen eveneens actief worden beschermd.
Doelgroepen van dit onderdeel
van het beleid zijn naast de overheid de natuurbeschermings-organisaties,
toeristen, verzamelaars en handelaren in wilde planten en dieren, de douane
en de inwoners van de Nederlandse Antillen.
|
| 3.4.9
inventarisatie soorten |
De
basis voor een goed soortenbeleid wordt gevormd door een inventarisatie
van in het wild voorkomende planten en dieren, waarbij de mate van bedreiging
een belangrijke rol speelt. Als soorten worden bedreigd, dan zal worden
geprobeerd deze bedreiging door beschermende maatregelen weg te nemen.
Hiermee wordt inhoud gegeven aan de bescherming van de biologische diversiteit
van onze eilanden. |
| 3.4.10
formuleren juridische instrumenten voor de bescherming van soorten |
De
centrale overheid zal in eerste instantie de juridische instrumenten voor
de bescherming van soorten formuleren. De eilanden kunnen hierop hun eigen
beleid laten aansluiten en moeten op grond van de LN eigen, afgeleide wetgeving
maken. Daarnaast zullen de eilanden maatregelen in het veld moeten treffen,
zoals herstel, beheer en planning, om de bedreiging weg te nemen. Het land
is bereid te assisteren bij het totstandbrengen van de wet- en regelgeving
terzake.
Bij de bescherming van soorten
speelt de controle van de handel in bedreigde planten en dieren een belangrijke
rol. De internationale overeenkomst die deze handel reguleert, is het Verdrag
inzake de Handel in Bedreigde Planten- en Dierensoorten (CITES). De Nederlandse
Antillen is nog geen partij bij dit verdrag. Wel is al enige nationale
wetgeving op dit gebied aanwezig. Voordat toetreding tot het verdrag kan
worden gerealiseerd zal de Antilliaanse wetgeving overeenkomstig het verdrag
moeten worden aangepast. Door de vaststelling van de LN, wordt dit direct
gerealiseerd. |
| 3.4.11
opzetten CITES-beheersinstantie
3.4.12 opzetten legessysteem
CITES
3.4.13 opzetten netwerk "CITES"-wetenschappers |
De
centrale overheid zal een CITES beheersinstantie opzetten, die de handel
in bedreigde dieren en planten zal monitoren. Afgifte van in-, uit- en
doorvoervergunningen, registratie en advisering zal door dit bureau geschieden.
Voor de dekking van de door dit bureau te maken kosten zal aan de vergunninguitgifte
een legessysteem worden gekoppeld. Voor de advisering van de CITES-beheersinstantie
zal door het bureau een netwerk van wetenschappers worden opgezet. |
3.4.14 "CITES"-training
douane |
Na
het van kracht worden van de verordening zal adequate controle op de naleving
van de CITES-regels moeten plaats vinden, uit te voeren door daarvoor speciaal
opgeleide instanties op centraal niveau. In overleg met de douane zal worden
bezien hoe het douane personeel het beste kan worden opgeleid, om op alle
eilanden controle in het kader van CITES te verrichten. |
| 3.4.15
opstellen eilandelijke natuurbeleidsplannen |
De
plannen op natuurgebied zullen nader worden uitgewerkt. Daartoe zal met
assistentie van het Nederlandse ministerie LNV en het Antilliaanse departement
VOMIL voor en door elk van onze vijf eilanden een eilandelijk natuurbeleidsplan
worden opgesteld. Deze plannen te samen zullen met toevoeging van de plannen
op het niveau van de centrale overheid de kern vormen van een op te stellen
nationaal natuurbeleidplan voor de Nederlandse Antillen. |
| |
3.5
Vergroting van het draagvlak.
Het is van zeer groot belang
dat de bevolking van de Nederlandse Antillen zich meer verantwoordelijk
gaat voelen voor zijn leefomgeving. De overheid kan deze zorg onmogelijk
alleen dragen. Daarom zal worden gewerkt aan de verbreding van het draagvlak
voor milieu- en natuurbeheer, waarbij wordt voortgebouwd op de waardevolle
lopende activiteiten.
|
| 3.5.1
integratie milieubeleid in andere beleidsvelden |
Dat
draagvlak moet niet alleen bij de bevolking worden gezocht, ook overheden
dienen goed doordrongen te worden van het feit dat aan milieu en natuur
geïntegreerde en expliciete aandacht en steun moet worden verleend.
Met name departementen als dat van DEPOS en Economische Zaken zijn belangrijke
partners voor VOMIL voor het gestalte geven aan deze integratie van
milieu en natuur in andere beleidsterreinen. |
| 3.5.2
intensivering samenwerking met NGO's |
Verder
zal de verbreding onder meer moeten geschieden via een intensievere
samenwerking met milieu-, natuur- en consumentenorganisaties. In de
relatie met milieu- en natuurorganisaties zal worden bezien of financiële
steun aan bepaalde op communicatie en voorlichting gerichte activiteiten
van deze organisaties mogelijk is. Uitgangspunt daarbij is, dat zoveel
mogelijk op projectbasis zal worden samengewerkt, waarbij de handhaving
van de onafhankelijke positie van de NGO's voorop staat. |
| 3.5.3
samenwerking met onderwijs |
Op
het gebied van
onderwijs en informatie zullen door de centrale overheid
impulsen gegeven worden om de schooljeugd bewust te maken van de noodzaak
zorgvuldig met het milieu en de natuur om te gaan. Daarbij wordt vanzelfsprekend
gebruik gemaakt van de bestaande netwerken op het gebied van milieu- en
natuureducatie. Waar mogelijk en relevant zullen ervaringen en produkten
op dit gebied tussen de eilanden worden uitgewisseld |
| 3.5.4
gerichte samenwerking met de media |
De
media
heeft
een belangrijke rol te vervullen bij het creëren van draagvlak voor
milieu- en natuuraangelegenheden. Samenwerking gericht op informatie naar
het publiek zal worden bevorderd. |
| 3.5.5
samenwerking met het bedrijfsleven |
Ten
aanzien van het bedrijfsleven zal worden gezocht naar zgn. public private
partnerships (ppp's), samenwerkingsvormen waar zowel milieu en natuur
als het bedrijfsleven baat bij kunnen hebben. Een voorbeeld hiervan
is de bescherming van het broedgebied van de flamingo op Bonaire door het
zoutbedrijf aldaar. Een andere formule waaraan kan worden gedacht, is het
(natuur)-compensatie beginsel bij bedrijfsvestigingen of andere activiteiten,
die ten koste van de natuur gaan.
|
4.1 vaststelling LM |
4.
WETGEVING, NORMSTELLING EN INSPECTIE.
wetgeving
De bestaande nationale en
eilandelijke
milieuwetgeving vertoont hiaten en is geen samenhangend
geheel. De Landsverordening Grondslagen Milieubeheer is een kaderwet, die
mogelijkheden biedt voor doelmatige bescherming en beheer van het milieu
en het raamwerk vormt om te komen tot een samenhangend en geïntegreerd
geheel van regelgeving. Deze verordening zal binnenkort voor commentaar
naar de eilanden worden gezonden. In de loop van 1997 mag vervolgens de
behandeling van deze verordening in de Staten verwacht worden.
|
| |
De
verordening draagt de centrale overheid op om een voor de Nederlandse Antillen
geldend milieubeleid op te stellen. Als afgeleide hiervan zullen de eilanden
op hun beurt een milieuaktieplan opstellen en in eilandelijke wetgeving
de nodige juridische basis verschaffen. Aangezien het hiermee gemoeide
proces tijd kan vergen en de zorg voor het milieu geen uitstel duldt, geeft
het in deze notitie vastgelegde beleid al de nodige algemene richting aan
het milieubeleid. VOMIL zal bevorderen dat de betreffende wetgeving snel
wordt ingevoerd en wordt vertaald naar de eilanden.
Het samenspel tussen wetgeving
en beleid en tussen land en eilanden is er op gericht om de verontreiniging
van lucht, water en bodem beter te kunnen voorkomen en tegengaan.
|
4.2 vaststelling LN |
Wat
hiervoor ten aanzien van de wetgeving op milieugebied werd gesteld, geldt
grotendeels ook voor natuurbeheer. De Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer
en -bescherming is de kaderwet, waarin regels worden gesteld ten behoeve
van de bescherming en het beheer van de inheemse flora en fauna mede in
het kader van de toetreding van de Nederlandse Antillen tot diverse verdragen.
De LN is in het voorjaar van 1996 aan de Staten aangeboden voor behandeling.
De LN draagt de centrale
overheid op een natuurbeleid voor de Nederlandse Antillen te ontwikkelen.
Dit geschiedt in nauwe samenwerking met de eilanden. Deze dienen op hun
beurt een eilandelijk natuuraktieplan te ontwikkelen, dat grotendeels is
gebaseerd op verplichtingen voortvloeiend uit in de verordening genoemde
internationale en regionale natuurverdragen waar de Nederlandse Antillen
partij bij is of wordt.
|
4.3 instellen Commissie
Natuurbeheer |
Belangrijk
gevolg van de invoering van deze wetgeving is dat op deze wijze een samenhangend
natuurbeheer kan worden gerealiseerd. Ingevolge de LN zal een Commissie
Natuurbeheer worden ingesteld, die de centrale en de eilandelijke overheden
adviseert over natuuraangelegenheden. VOMIL zal bevorderen dat de LN snel
wordt ingevoerd en dat de doorvertaling naar de eilanden eveneens snel
plaatsvindt. |
4.4 eilandelijke milieu
en natuur modelwetgeving |
Voortvloeiend
uit de LM en de LN zullen de eilandgebieden eilandelijke milieu en natuurwetgeving
moeten vaststellen. Tegen het licht van de beperkte juridische capaciteit
van zowel centrale als eilandelijke overheden, wordt er naar gestreefd
door middel van een wetgevingsproject modelwetgeving voor de eilandgebieden
te concipiëren die zij zelf daarna op maat kunnen aanpassen.
Andere nationale wetgeving
met milieu- of natuuraspecten of -raakvlakken zal nauwlettend worden gevolgd,
en waar nodig worden bijgesteld.
|
| 4.5
milieu- en natuurverdragen |
milieu- en natuurverdragen
Er zijn een aantal milieu-
en natuurverdragen, die relevant zijn voor de Nederlandse Antillen. Om
de prioriteiten te bepalen voor aansluiting bij deze verdragen en de nationale
wetgeving voor te bereiden, zullen de relatie met de vijf aandachtsgebieden
en de urgentie om regelgeving over een bepaald onderwerp te introduceren,
maatgevend zijn.
Zo zal worden gewerkt aan
een landsbesluit milieugevaarlijke stoffen, ter uitvoering van het Verdrag
van Basel, dat het internationaal transport van milieugevaarlijke stoffen
regelt.
Ook zijn er verdragen, die
in hoofdzaak een ander beleidsveld omvatten, maar waarin milieu-aspecten
zijn opgenomen, bijvoorbeeld een aantal maritieme verdragen. In dergelijke
gevallen wordt het voortouw door de verantwoordelijke instanties genomen,
terwijl VOMIL bijdraagt aan de milieucomponent.
Zo zal bij de uitvoering
van het Marpol-verdrag de upgrading van bestaande en waar niet aanwezig,
de aanleg van havenontvangstinstallaties (hoi's) nauwlettend worden gevolgd.
|
| |
normstelling
Milieuwetgeving is per definitie
normatief. Normstelling is in het milieubeleid dan ook een belangrijk instrument.
In vergunningen of ontheffingen op grond van milieuwetten, staan voorschriften
of normen. Deze voorschriften of normen bevatten waarden voor vereiste
kwaliteiten. Deze waarden hoeven niet uitsluitend getalswaarden te zijn
(hoeveelheden en percentages verontreiniging). Omschrijvingen zijn ook
mogelijk. Zo moet voor conserveringsgebieden of natuurparken (land en water)
worden omschreven waarom deze gebieden bescherming verdienen. |
4.6 vaststellen van milieunormen |
Op
basis van de nog aan te nemen LM moeten in het belang van de bescherming
van het milieu normen en grenswaarden ontwikkeld worden. Deze milieunormen,
zowel emissie (bij de bron), als immissienormen (bij de ontvanger), zullen
in eerste instantie vooral voor de aandachtsgebieden worden opgesteld.
Bij de opstelling van normen
voor de Nederlandse Antillen zijn de uitgangspunten: de " best available
technique" en de schaalgrootte van het milieuprobleem (mondiaal, regionaal
of lokaal). |
4.7 opzetten van de Milieuinspectie |
inspectie
Allereerst zal vaart worden
gezet achter de introductie van milieuwetgeving op centraal niveau en de
gecoördineerde vertaling daarvan op eilandsniveau. In een parallel
lopende activiteit zullen op centraal niveau normen worden ontwikkeld die
de wetgeving kwantificeren. Als laatste stap in deze trits volgt het opzetten
van een (landelijke) Milieu-inspectie, die de naleving van de wetgeving
en de daaraan verbonden normen moet gaan controleren. Het betreft hier
een tweedelijns toezicht. Het eerstelijns toezicht, de controle van de
milieuregels, is een taak van de eilandelijke dienst belast met het afgeven
van milieuvergunningen.
De Milieuinspectie zal naar
verwacht in 1997 haar beslag krijgen. In het kader van de samenwerkingsovereenkomst
tussen de minister van VOMIL en de Nederlandse minister voor Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) wordt op ad hoc basis reeds
gebruik gemaakt van de in Nederland terzake aanwezige expertise. |
4.8 controle natuurbeheersinstanties |
Ook
op natuurgebied kan worden gedacht aan een zekere vorm van inspectie. Aangezien
de centrale en de eilandelijke overheden als uitvloeisel van hun beleid
komen met een netwerk van beschermde gebieden en lijsten van beschermde
planten en dieren, zal namelijk mettertijd moeten worden gecontroleerd
of beheersinstanties hun taken op deze gebieden naar behoren verrichten.
Voor het instellen van beschermde
natuurgebieden en de aanwijzing van beschermde dieren en planten bestaan
criteria. Regelmatig zal moeten worden geëvalueerd of nog steeds aan
die criteria wordt voldaan. In het kader van de samenwerkingsrelatie met
het Nederlandse Ministerie Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zal worden
bezien hoe het beste aan deze tweedelijns evaluatie gestalte kan worden
gegeven.
|
| |
5.
SAMENWERKING.
samenwerking met landsdepartementen
en -diensten
Om een optimale integratie
van milieu- en natuurbeleid in het werk van aanpalende landsdepartementen
en -diensten te bereiken zal door de sectie Milieu en Natuur van VOMIL
intensief worden samengewerkt met:
-
het Bureau Buitenlandse Betrekkingen
ten aanzien van internationale milieu- en natuurverdragen en organisaties
en in de coördinatie en afstemming met Nederland en Aruba bij internationale
vertegenwoordiging;
-
Centraal Bureau Juridische en
Algemene Zaken (CBJAZ) op het gebied van milieu- en natuurwetgeving;
-
de sectie Volksgezondheid van
VOMIL voor de integratieaspecten van volksgezondheid en milieu;
-
de Inspectie voor de Volksgezondheid
en de Inspectie der Geneesmiddelen voor het opzetten van de Milieuinspectie
en andere inspecties;
-
het Landslaboratorium inzake
milieuonderzoek;
-
het Departement van Financiën
voor de contributies aan internationale verdragen en organisaties, de milieubegroting
en andere financiële kwesties zoals een mogelijke "Debt for Nature
Swap";
-
DEPOS inzake de integratie van
milieu in de ontwikkelingssamenwerking, het stagefonds, de financiering
uit het Meerjarenplanfonds, fondsen van de Europese Unie en kwesties zoals
een "Debt for Nature Swap";
-
de Douane in verband met de
controle op de naleving van het CITES verdrag;
-
het Departement van Onderwijs
inzake milieu- en natuureducatie, -onderzoek en het UNESCO World Heritage
verdrag;
-
Departement voor Economische
Zaken inzake het afvalbeleid, op het gebied van in- en uitvoer van milieugevaarlijke
stoffen, op energiegebied en inzake toerisme;
-
de Visserijcommissie inzake
het beheer van de mariene biodiversiteit en de visserij;
-
de Scheepvaartinspectie (SINA)
op het gebied van olieverontreiniging van de zee en het MARPOL-verdrag;
-
de Kustwacht inzake monitoring
van milieudelicten, en het beheer van de marine natuur en de visserij;
-
de Universiteit van de Nederlandse
Antillen, de Leerstoel voor Milieu en Ontwikkeling, inzake beleidsontwikkeling;
-
het Centraal Bureau voor de
Statistiek inzake de milieustatistieken;
-
de Meteorologische Dienst voor
de Nederlandse Antillen en Aruba inzake klimaatveranderingen en de milieugevolgen
daarvan, luchtverontreiniging, en aangelegenheden betreffende alternatieve
energie, met name zonne- en windenergie.
bevoegdheidsverdeling land
- eilanden
Deze nota gaat niet in op
de merendeels juridische discussie over de bevoegdheidsverdeling voor milieu
en natuur. Uitgangspunt is, dat de Nederlandse Antillen en de eilandgebieden
vorm willen geven aan het milieu- en natuurbeleid. De LM en de LN beschrijven
in hun toelichting de bevoegdheidsverdeling tussen centrale en eilandelijke
overheden als volgt.
Milieu. De landelijke
taken omvatten het periodiek opstellen van een milieu ontwikkelingsplan,
de ontwikkeling van milieuhygiënische normen, de Inspectie voor het
Milieubeheer en via die inspectie toezicht houden op de naleving van de
milieuwetten en regels, het uitwerken van de verplichtingen die voortvloeien
uit verdragen en andere internationale afspraken. De eilandelijke taken
en bevoegdheden beslaan het opstellen van een eilandelijk milieu aktieplan,
de vaststelling en de handhaving van een milieu- of hinderverordening,
een afvalstoffenverordening en een lozingsverordening.
Natuur. De landelijke
taken omvatten het periodiek opstellen van een natuurbeleidsplan voor
de Nederlandse Antillen. Daarnaast stelt het land een Commissie Natuurbeheer
in die de overheden adviseert over natuuraangelegenheden. Niet expliciet
genoemd, maar wel denkbaar is de instelling van een natuurinspectie eventueel
te koppelen aan de milieuinspectie. Ter ondersteuning van deze gedachte
zegt de wet, dat toezicht op de naleving en opsporing zowel op eilandelijk
als landelijk niveau kan worden gedaan. Verder zijn er nationale verplichtingen
volgend uit de verdragen, bv. rapportage aan de verdragsbureaus. De eilandelijke
taken en bevoegdheden bestaan o.a. uit de directe uitvoerende aspecten
volgend uit de internationale verdragen. Verder dient ieder eiland periodiek
een natuurplan op te stellen. Tevens dienen de eilanden de wettelijke basis
te leggen om dat plan daadwerkelijk te kunnen uitvoeren.
|
5.1 opzetten Platform Milieu
en Natuur |
samenwerking
land - eilanden
Samenwerking en ondersteuning
dienen voorop te staan tussen de eilandgebieden onderling en tussen het
land en de eilandgebieden. Indien het juridische kader daarbij knelt zullen,
bijvoorbeeld via protocollen, afspraken met elkaar worden gemaakt.
De centrale overheid en
de eilandelijke overheden zullen overleggen voor afstemming en synchronisatie
van de diverse beleidsaspecten, wetgeving, planning. Daartoe zal een Platform
voor Milieu en Natuur worden ingesteld, waarin alle eilanden vertegenwoordigd
zijn. Het doel is de succesfactor voor het verwezenlijken van de gestelde
milieudoelen te verhogen, door coördinatie en het nuttig gebruik maken
van kennis en middelen. Het Platform staat onder voorzitterschap van de
centrale overheid. |
5.2 instellen Programmeringscommissie
Milieu-onderzoek |
samenwerking
op het gebied van onderzoek
Milieu. Ter ondersteuning
van het milieubeleid is het van belang dat er gegevens beschikbaar zijn,
op grond waarvan beleid kan worden geformuleerd of kan worden bijgesteld.
Het Landslaboratorium kan hierin een belangrijke rol vervullen. Een Programmeringscommissie
onder voorzitterschap van de Minister van VOMIL, zal sturing geven aan
het onderzoek. Het Landslaboratorium verzorgt het secretariaat van deze
commissie. |
| 5.3
instellen Programmeringscommissie Natuuronderzoek |
Natuur.
Voor
een solide natuurbeleid en een succesvolle uitvoering daarvan is beleidsondersteunend
wetenschappelijk onderzoek een noodzaak. De regering ziet CARMABI als belangrijke
instantie voor de toelevering van wetenschappelijke gegevens ten behoeve
van natuurbeleid en -beheer. Ten einde beleidsrelevantie van het wetenschappelijk
onderzoek te vergroten, zal echter vanuit het beleid meer dan voorheen
sturing aan het onderzoek gegeven worden, door het te koppelen aan de beleidsprioriteiten.
Ook zal de aandacht van het natuuronderzoek beter over de eilanden moeten
worden verdeeld. |
| |
samenwerking
met onderwijs
Onder het aandachtspunt
vergroting van het draagvlak werd al ingegaan op de noodzaak van een intensieve
samenwerking met het onderwijs. Daarbij kunnen diverse wegen worden behandeld.
Ten eerste is het van groot belang dat milieu en natuur een geïntegreerde
plaats krijgen in het onderwijs aan kleuters en leerlingen van de lagere
school. De plannen die er op dat traject op sommige eilanden al liggen,
moeten met voortvarendheid worden uitgevoerd en aan andere eilanden ter
beschikking worden gesteld. Daarnaast zullen milieu en natuur ook als aparte
onderwerpen aan de orde moeten komen; daarvoor lijkt de projectvorm de
aangewezen methode. Ook op dit traject lopen er al een aantal goede initiatieven
die aan alle eilanden moeten worden aangeboden. Voor het middelbaar onderwijs
wordt een soortgelijk tweesporentraject bepleit. Een aantal middelbare
scholen is inmiddels met bemiddeling van VOMIL het milieu-informatie en
-educatieprogramma GLOBE gestart.
Met het Departement van
Onderwijs en met de diverse groepen en instanties die zich op de eilanden
al met milieu en natuur binnen het onderwijs bezig houden, zal nauw worden
samengewerkt.
samenwerking met milieu-
en natuurorganisaties
Ook aan de samenwerking
met milieu- en natuurorganisaties werd in het kader van draagvlakvergroting
al aandacht besteed. De regering acht samenwerking met milieu- en natuurorganisaties
van groot belang. Deze organisaties staan immers via hun leden in direct
contact met de maatschappij, en kunnen vaak sneller dan de overheid inspelen
op acute situaties met betrekking tot milieu en natuur. Dat zij daarbij
een kritische toon aanslaan, moet niet afschrikken maar juist confronteren
en stimuleren. Waar mogelijk zullen deze organisaties dan ook worden gesteund.
Het is in dit kader belangrijk
om op te merken dat op sommige eilanden de ambtelijke infrastructuur op
milieu- en natuurgebied marginaal is. Sommige taken worden namens de overheid
zeer competent door particuliere milieu- en natuurorganisaties overgenomen.
Het gaat daarbij vooral om het beheer van de natuur.
samenwerking binnen het
Koninkrijk
Bij het optreden van de
Nederlandse Antillen in het kader van regionale en internationale milieu-
en natuurverdragen en -organisaties, zal om naar buiten toe zoveel mogelijk
als eenheid op te treden en daarmee meer effect te sorteren, een goede
afstemming vooraf met Nederland en Aruba moeten plaatsvinden. Voor het
aangaan en onderhouden van regionale contacten in het kader van milieuverdragen
wordt bovendien een grotere zelfstandigheid voor de Nederlandse Antillen
bepleit.
samenwerking met Aruba
De Nederlandse Antillen
en Aruba zullen op milieugebied nauw samenwerken. Daarbij gaat de aandacht
uit naar samenwerking op de prioriteitsgebieden, wetgeving, normstelling
en inspectie.
samenwerkingsovereenkomst
VOMIL - VROM
In 1992 werd een milieu-samenwerkingsovereenkomst
getekend door de Antilliaanse minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne
en zijn Nederlandse ambtgenoot van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer. Op basis van deze samenwerking vindt al geruime tijd een
uitwisseling van informatie plaats en wordt door VROM regelmatig ondersteuning
verleend.
Zo zal de komende periode
de samenwerking op het gebied van afval, olie, educatie, wetgeving en inspectie
een extra impuls krijgen.
samenwerkingsovereenkomst
VOMIL - LNV
In 1994 is een samenwerkingsovereenkomst
gesloten op het gebied van natuurbescherming en -beheer tussen VOMIL en
de directie Natuurbeheer van het Nederlandse Ministerie Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij (LNV). In deze verklaring werden gezamenlijke aandachtsvelden
geïdentificeerd, die in de vorm van een programma zijn uitgewerkt.
Dit programma identificeert vijf thema's, waar binnen de samenwerking concreet
gestalte krijgt. Deze zijn: het opstellen van natuurbeleidsplannen, de
implementatie van natuurbeschermingsverdragen, zoals CITES, directe technische
hulp, samenwerking bij de beoordeling van ecologische effecten van ontwikkelingsprojecten
en tenslotte natuuronderzoek.
De uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst
staat onder verantwoordelijkheid van een begeleidingscommissie.
samenwerkingsovereenkomst
VOMIL - Verkeer en Waterstaat
Op basis van de intentieverklaring
die door het Land en het Nederlandse Ministerie van Verkeer en Waterstaat
is ondertekend, zal in de komende periode nader worden bezien, op welke
terreinen samenwerking zinvol en mogelijk is. Daarbij kan in eerste instantie
worden gedacht aan samenwerking op het gebied van integraal kustzone beheer
|
| |
6.
FINANCIERING VAN HET MILIEU- EN NATUURBELEID.
De Nederlandse Antillen zullen
het beheer van milieu en natuur een vaste plek op hun begroting geven.
Het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne heeft hier vanaf
begrotingsjaar 1995 een begin meegemaakt. Voor een overzicht van de begrotingsposten
en bedragen die de regering voorstelt voor milieu en natuurbeheer te bestemmen,
wordt verwezen naar het meerjaren programma, dat als bijlage bij deze notitie
is gevoegd.
Gegeven de relatieve nieuwheid
van milieu en natuur als beleidsonderwerp op de Nederlandse Antillen, is
binnen de huidige bestemming van middelen te weinig geld voor milieu beschikbaar.
Bovendien zal een inhaalslag nodig zijn. Een aantal van de milieuinvesteringen
gaan het financieel vermogen van de Nederlandse Antillen te boven. Om de
gestelde beleidsdoelen te bereiken, kan een dergelijke inhaalslag niet
zonder financiële steun van buiten worden gerealiseerd. Belangrijke
bron van financiële steun zal het Meerjarenplanfonds zijn. Dit fonds
wordt beheerd door KABNA. Binnen het beleid van de Nederlandse regering
dat voor dit fonds geldt, heeft milieu een hoge prioriteit. Daarnaast wordt
als bron van externe gelden gedacht aan de Europese Unie en aan andere
internationale organisaties en verdragen. Deze externe steun zal vooral
worden gebruikt voor het opstarten van initiatieven van de vijf aandachtsgebieden.
De Antilliaanse coördinerende dienst voor deze fondsen is DEPOS. Voor
Curaçao coördineert de Dienst voor Economische Zaken de aanvragen
voor het Meerjarenplanfonds. De lopende kosten van milieu- en natuurbeheer
zullen op termijn zoveel mogelijk door de Nederlandse Antillen zelf gedragen
worden. Voor een aantal specifieke terreinen blijft externe hulp nodig.
Het is overigens niet de
bedoeling dat alle uitgaven op milieugebied via de centrale overheid gaan
lopen. De eilanden blijven verantwoordelijk voor het financieren van hun
eigen milieu-activiteiten en dienen op hun eilandsbegrotingen daarvoor
voldoende geld bijeen te brengen. Wel is het de bedoeling dat de in deze
nota zorgvuldig en in goed overleg met de eilanden gekozen aandachtsgebieden
door de eilanden worden overgenomen, zodat ook aan de milieu-uitgaven van
land en eilanden een gezamenlijke richting gegeven wordt.
Waar mogelijk en relevant,
is VOMIL vanzelfsprekend bereid om gezamenlijk activiteiten met de eilanden
te ondernemen en daaraan een financiële bijdrage te leveren. Tevens
zal VOMIL gaarne de eilanden terzijde staan bij het opstellen van de plannen
en de bijbehorende begroting op het gebied van milieu en natuur.
Voor sommige activiteiten
op milieu- en natuurbeheersgebied zal de rekening rechtstreeks of via een
systeem van heffingen bij de vervuiler of gebruiker worden neergelegd.
Dat geldt niet alleen voor toegangsgelden voor natuurgebieden of leges
voor CITES vergunningen, maar bijvoorbeeld ook voor milieuinspecties van
grote en gecompliceerde bedrijven. De op die manier verkregen "inkomsten"
zullen weer aan milieu en natuur ten goede moeten komen.
In het kader van de draagvlakvergroting
en de samenwerking met diverse maatschappelijke partners zullen in de toekomst
subsidies
kunnen worden verstrekt. Om een te grote afhankelijkheid op termijn te
voorkomen en om "waar voor ons geld te krijgen" zal een subsidiebeleid
worden gevoerd gericht op concrete resultaten, waarbij de projectmatige
aanpak voorop staat. Het beleid terzake zal in nauw overleg met het Departement
van Financiën, andere betrokken departementen en diensten en de onderzoeksinstanties
worden opgesteld.
Tenslotte dienen zich voor
financiering van het milieu- en natuurbeleid nog verschillende andere mogelijkheden
aan. Zo heeft het Antilliaanse bedrijfsleven interesse om in milieu-educatie
te participeren en hebben naast de Nederlandse overheid, NGO's en onderzoeksinstellingen
belangstelling om bij te dragen aan het milieu- en natuurbeheer.
Daarnaast wordt onderzocht
of de schulden van de Nederlandse Antillen niet via een zogenaamde "Debt
for Nature Swap" kunnen worden geruild tegen een eenmalige storting van
de Antillen in een fonds voor aankoop en beheer van natuurgebieden. Een
recent initiatief op dit gebied is de oprichting van de Stichting Aankoop
Antilliaanse Natuur, kortweg STAAN. Deze particuliere stichting stelt zich
tot doel om gelden bijeen te brengen voor het veilig stellen van, om te
beginnen, een vijftal grote natuurgebieden op onze eilanden.
Om vooral het bedrijfsleven
een structuur aan te bieden voor hun bijdragen aan milieu en natuur is
een tweetal fondsen opgericht, het KNAP Fonds Nederlandse Antillen en het
MINA Fonds Nederlandse Antillen.
KNAP Antillen Fonds
Vanuit een toenemende aandacht
voor de Antilliaanse natuur werd in juli 1995 tijdens een conferentie over
het Nederlandse internationale natuurbeleid in Den Haag een verklaring
ondertekend, waarin de basis werd gelegd voor de oprichting van een fonds
voor kleine natuurprojecten, het KNAP Antillen fonds. Aan dit fonds betalen
mee het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV), het Wereldnatuurfonds
(WNF) Nederland en het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse
Zaken (KABNA). Deze organisaties hebben gezamenlijk voor 1996 en 1997 een
bedrag van Nfl 150.000 per jaar gereserveerd. Ook de centrale overheid
betaalt mee aan dit fonds, in 1996 ANG. 20.000. Het is de bedoeling dat
bedrijven op de Nederlandse Antillen financieel aan dit fonds gaan bijdragen.
Het fonds is bedoeld voor
de financiering van kleine activiteiten (tot ANG 15.000 per project) op
het gebied van voorlichting, educatie, beheer en onderzoek ten behoeve
van de Antilliaanse natuur en wordt beheerd door een speciaal daarvoor
aangewezen coördinator.
MINA-fonds
Voor kleine milieuprojecten
is in januari 1996 een vergelijkbaar fonds opgericht, het Milieufonds Nederlandse
Antillen. Aan dit fonds dragen bij voor een periode van twee jaar de Nederlandse
Ministeries VROM en KABNA, elk totaal NFL. 150.000. De centrale overheid
stelt in 1996 ANG. 20.000 ter beschikking. Daarnaast heeft het bedrijfsleven
te kennen gegeven te willen participeren. Het fonds is bedoeld voor de
financiering van milieuprojecten tot ANG. 20.000, op het gebied van de
gestelde milieuprioriteiten, afval en afvalwater, olie, toerisme en de
vergroting van het draagvlak voor milieu, en wordt beheerd door een aangewezen
coördinator.
|
7.1 opstellen milieu- en
natuurbeleidsplan
7.2 vastellen jaarlijkse
activiteiten
7.3 voortgansrapportage milieu-
en natuurbeleid |
7.
BELEIDSONTWIKKELING EN RAPPORTAGE.
Binnen twee jaar na het van
kracht worden van de Landsverordeningen Milieu- en Natuurbeheer zullen
een milieubeleidsplan resp. een natuurbeleidsplan worden opgesteld. Daarbij
gaat de voorkeur uit naar een geïntegreerde aanpak, waarbij beide
beleidsterreinen, die immers nauw met elkaar samenhangen in een plan worden
behandeld. In dat plan zullen de voornemens van de centrale overheid voor
de komende vijf jaar worden neergelegd. In separate bijlagen zullen jaarlijks
de activiteiten van de centrale overheid en de eilandgebieden worden toegevoegd.
De Minister van Volksgezondheid
en Milieuhygiëne zal jaarlijks ten tijde van de begrotingsbehandeling,
rapporteren over de voortgang van de verschillende activiteiten op het
gebied van milieu en natuur. Deze rapportage zal het karakter krijgen van
een evaluatie van de resultaten die in het afgelopen jaar werden geboekt,
in combinatie met een opsomming van activiteiten die voor het komende jaar
op het programma staan. |