In samenwerking
met de afvalbeleidsdiensten van de eilandgebieden zijn de contouren van
het afvalbeleid nader uitgewerkt in "Het Raamwerk van het Afvalbeleid voor
de Nederlandse Antillen". Binnen het raamwerk van het nationale afvalbeleid,
zullen alle eilanden – voor zover nog niet gebeurd – afvalactieplannen
opstellen die ingaan op de specifieke lokale afvalproblematiek. Op Curaçao
is het Eerste Afvalstoffenplan in 1996 in werking getreden. Op Bonaire
is het afvalbeleid als onderdeel van het concept milieubeleidsplan opgenomen.
Op Sint Maarten is een beleidsnotitie afval verschenen. Op Saba en Sint
Eustatius wordt met assistentie van Selikor N.V. aan het opstellen van
zo een plan gewerkt.
Basisniveau.
Alvorens de doelstelling
verantwoorde verwerking van het afval te kunnen verwezenlijken, moet allereerst
een samenhangend pakket van minimumvoorzieningen aanwezig zijn. Dit voorzieningenniveau
wordt aangeduid als het basisniveau. Het basisniveau omvat de goed georganiseerde
inzameling – gesloten inzamelcontainers, frequente inzameling, geschikt
inzamelmaterieel - en het stortbeheer – voldoende stortcapaciteit, een
stortplan, geschikt materieel ten behoeve van het stortbeheer -. Het basisniveau
had eind 1998 op alle eilanden bereikt moeten zijn. Voor wat betreft Bonaire
en Curaçao is de inzameling op orde en heeft men het storten onder
controle. Curaçao is voornemens om een nieuw stortmanagementplan
met daaraan gekoppeld een investeringsplan voor het gehele bedrijf op te
stellen, maar de benodigde financiering ontbreekt ten enenmale. Bonaire
heeft deze fase achter de rug, maar door gebrek aan financiële middelen
kan de implementatie niet met voortvarendheid plaats vinden. Wel is gestart
met de acties die weinig investeringen vragen. Op Sint Maarten is de afgelopen
tijd met vergrote inzet gewerkt aan het op orde maken van de stortplaats.
Zo is een damwand rond de stort aangelegd, wordt er nu in vakken gestort
en is het beheer van de stort in ruime mate verbeterd. Door het plaatsen
van containers is een start gemaakt met de verbetering van de inzamelstruktuur.
De inzameling vergt nog wel wat inspanningen. Op Saba wordt gewerkt aan
het op peil brengen van de inzamel capaciteit. Het storten levert op dit
moment nog geen urgente problemen op. In de nabije toekomst moet wel actie
worden ondernomen, omdat de huidige verwerkingsmethode de levensduur van
de stortplaats sterk verkort en de ruimte voor verwerking van afval maar
zeer beperkt is. De situatie op Sint Eustatius is zorgelijk. Ten aanzien
van de inzamelcapaciteit is enige - maar nog lang niet voldoende – vooruitgang
geboekt, maar ten aanzien van het stortbeheer is helemaal geen vooruitgang
geboekt, terwijl juist dit eiland met betrekking tot het storten de grootste
inspanning vereist. Er is geen materieel om de stortplaats te onderhouden,
het afval wordt niet regelmatig afgedekt en wordt helemaal niet gecompacteerd.
Hierdoor is de overlast voor de omgeving en de druk op de ruimte onhoudbaar
geworden. Volgens de eilandelijke autoriteiten is de huidige stortruimte
volledig gebruikt en moet naar een andere locatie worden omgezien. De studie
naar een nieuwe stortlocatie en het materieel dat voor het onderhoud van
een stortplaats nodig is, is door het gebrek aan financiële middelen
niet uitgevoerd.
De afvalvereniging AMUST
– een samenwerkingsverband tussen de diensten en overheidsgedomineerde
bedrijven belast met de afvalinzameling - heeft het initiatief opgepakt
om voor de leden, die nog niet beschikken over stort- en bijbehorende investeringsplannen,
deze plannen te doen opstellen. Sint Eustatius zou vanwege de urgentie,
als eerste aan bod komen. De terms of reference zijn reeds voorbereid.
Deze activiteit stagneert omdat de toegezegde financiering (nog) niet ter
beschikking is gesteld.
Streefniveau.
In het kader van de preventie
is in 1997 op Bonaire een project uitgevoerd "de plastic zakken van Bonaire".
Doel van het project was om het gebruik van de plastic tassen te verminderen.
Middels een convenant hebben de supermarkten zich verplicht geen plastic
tassen meer te verstrekken en slechts tegen directe betaling papieren zakken
uit te reiken aan klanten. Bij de start van dit initiatief zijn aan de
consumenten op Bonaire duurzame boodschappentassen uitgereikt. Deze actie
is inmiddels geëvalueerd. De supermarkten houden zich goed aan de
afspraken, de consumenten nemen nu zelf een boodschappentas of –krat mee.
Bijkomend voordeel is de aanzienlijke daling van de kosten aan verpakkingsmateriaal.
Er zijn inventarisatie onderzoeken
uitgevoerd naar alle bestaande lokale recycling initiatieven, het RIB-
(Recycling Initiatieven Benedenwinden) en het RIBO-onderzoek (Recycling
Initiatieven BOvenwinden). Op de Bovenwinden is tevens aandacht besteed
aan de hoeveelheid en de samenstelling van het afval. Deze onderzoeken
hebben enerzijds tot doel gehad om een beter beeld te krijgen van de bestaande
lokale initiatieven en de knelpunten die in de bedrijfsvoering van de activiteiten
worden ervaren, en anderzijds om de consument te informeren over deze initiatieven.
Bonaire heeft de mogelijkheden van hergebruik in de lokale situatie onderzocht.
Op de derde afvalconferentie, oktober 1998, is het hergebruik van autowrakken
aan de orde geweest. De keuze om autowrakken als eerste hergebruik afvalstroom
te identificeren komt door het volume, de afzetmogelijkheden en de milieubelasting
van deze afvalstroom. Naar aanleiding van de opgestelde terms of reference
voor een implementatieplan zijn offertes aangeboden, die momenteel bestudeerd
worden. Door de schaal van de operatie, door de invloeden van de wereldmarkt
op de afzet, en door het ontbreken van lokale concurrentie op dit terrein,
dienen waarborgen voor de continuïteit van de verwerking te worden
gecreëerd. De participatie van de overheid in dit traject zal daarom
worden onderzocht.
Verantwoorde eindverwerking.
Voor alle eilanden geldt,
dat op termijn naar een betere wijze van eindverwerking van het afval moet
worden gezocht. Op Sint Maarten is een studie uitgevoerd naar een aantal
hoogwaardige eindverwerkingsalternatieven. Het beslismoment op welke wijze
het afval in de toekomst verwerkt zal worden is voor dit eiland nader.
Milieugevaarlijke afvalstoffen.
Vanaf 1997 is de mogelijkheid
gecreëerd om gevaarlijk afval dat op de Nederlandse Antillen is ontstaan
voor verwerking in Nederland aan te bieden. Overeenkomstig het gestelde
in het Verdrag van Basel, dat het internationaal transport van gevaarlijk
afval reguleert, is een bilaterale overeenkomst tussen de Nederlandse en
Antilliaanse Milieuminister afgesloten, januari 1997. Deze overeenkomst
is in januari 1999 verlengd. Van deze mogelijkheid is enkele malen gebruik
gemaakt. Selikor N.V. voert een inventarisatie uit naar het gevaarlijk
afval op Curaçao. De haalbaarheid van een verantwoorde verwijderingstructuur,
welke een integrale oplossing biedt voor alle op het eiland vrijkomende
gevaarlijke afvalstromen, zal worden onderzocht en een plan van aanpak
voor de realisatie zal worden geformuleerd. De projectstructuur is zodanig
dat onder begeleiding van deskundigen op verschillende niveaus lokaal kennis
wordt opgebouwd. De opgedane kennis en ervaring die tijdens deze studie
worden opgedaan zullen aan de andere eilanden ter beschikking worden gesteld.
Op Sint Maarten zijn de voorbereidingen gestart voor het oprichten van
een gevaarlijk afval depot.
Instrumenten.
Op de tweede afvalconferentie
is het wetgevend instrumentarium aan de orde geweest. Op deze conferentie,
oktober 1997, zijn de bouwstenen voor een model eilandverordening afvalstoffen,
geformuleerd. In april 1998 is de modelverordening aan de eilanden aangeboden,
en verschillende eilanden zijn nu doende om delen uit het model in de huidige
verordeningen op te nemen of om het model al dan niet op specifieke punten
aangepast voor te bereiden voor behandeling in de resp. eilandraden.
In het kader van het beleidsoverleg.
Op de eerste afvalconferentie,
oktober 1996, is afgesproken om minstens een maal per jaar bijeen te komen,
zowel beleidsdiensten als uitvoerende diensten, om de voortgang van het
afvalbeleid te bespreken. Het jaarlijkse afvaloverleg is nu drie keer op
een rij georganiseerd, te weten op Aruba, Sint Maarten en Curaçao.
Jaarlijks ten tijde van de afvalconferentie, waaraan participeren de afvalbeleidsdiensten,
de verantwoordelijke uitvoerende afvaldiensten of overheidsgedomineerde
N.V.’s van de Nederlandse Antillen en Aruba, wordt de voortgang van het
afvalbeleid tegen het licht gehouden. Het Nederlandse Ministerie VROM stelt
tijdens deze bijeenkomsten expertise ter beschikking.
Samenwerking tussen de eilanden
van de Nederlandse Antillen en samenwerking met Aruba vergroot de mogelijkheden
om het afvalprobleem aan te pakken. Het initiatief voor samenwerking is
op de eerste afvalconferentie, oktober 1996, genomen. Op Wereldmilieudag
1997 is de afvalvereniging A MUST, Asosashon pa Maneho Uní di Shushi
i Tèknologia, opgericht met als doel het in samenwerking tussen
de leden bevorderen van afvalverwijdering en reinigingstaken op een doelmatige
wijze. De leden van deze vereniging zijn de verantwoordelijke uitvoerende
diensten of overheidsgedomineerde N.V.’s van de Nederlandse Antillen en
Aruba. Speerpunt van de vereniging is om op alle eilanden zo snel mogelijk
het basisniveau van afvalinzameling en –verwerking te realiseren. Wanneer
dit is bereikt, kunnen de eilanden samen werken aan nieuwe ontwikkelingen.
Twee Terms Of Reference zijn voorbereid: één voor het opstellen
van een stortmanagement plan en één voor een investeringsprogramma
voor de gehele dienst of bedrijf. A MUST heeft in 1998 een stage georganiseerd
in Nederland met als doel de leden in de gelegenheid te stellen kennis
te nemen van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van inzameling en verwerking
van afval. Tijdens deze stage maakten de leden kennis met alle aspecten
van de bedrijfsvoering van Nederlandse inzamel en –verwerkingsdiensten.
De laatste week van de stage was er een minisymposium bij het ministerie
van VROM.
Afvalwater
Het project afvalwatersanering
Kralendijk e.o., Bonaire, is weer op de rails. Een feasibility studie is
in opdracht van DEPOS in 1998 afgerond, en het projectdossier is onder
meer aan de Europese Unie aangeboden. Dit project zal voor co-financiering
worden voorgedragen. Een deel van de project begroting is reeds door de
Europese Unie toegezegd. Het voorstel omvat de aanleg van riolering en
twee zuiveringsinrichtingen ten behoeve van de gebieden van Kralendijk
e.o.
Het afvalwater saneringsproject
Kuststrook Marie Pompoen, Curaçao, is inmiddels bijna afgerond.
Met dit project is bereikt dat het afvalwater in dit gebied naar een zuiveringsinrichting
wordt getransporteerd.
Ook op Sint Maarten is in
het kader van de wederopbouw na orkaan Luis (1995) gestart met afvalwater
saneringen, waaronder de aanleg van riolering en het vergroten van de zuiveringscapaciteit.
Op regionaal niveau wordt
nog steeds gewerkt aan het formuleren van het Protocol Land-Based Sources
of Marine Pollution, als onderdeel van de Cartagena Conventie inzake de
bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraibische gebied.
Op een regionale workshop is een presentatie gehouden van de afvalwaterbehandeling
en het -beheer op de Nederlandse Antillen, in het bijzonder die op Curaçao.
Deze workshop heeft tot doel gehad regionaal elkaar te informeren over
de eigen afvalwatersituatie en kennis en ervaring over de inzamel en zuiveringssystemen
uit te wisselen.
5. Olie en het milieu.
Ten aanzien van de luchtverontreiniging
van de raffinaderij te Curaçao geldt als belangrijkste uitgangspunt
het beëindigen van emissies, die leiden tot onaanvaardbare immissie
concentraties van luchtverontreinigende stoffen op mens en milieu.
Voor de produktie van olieprodukten,
de op- en overslag en het transport over land geldt als belangrijkste doelstelling
dat de olie-industrie geen nieuwe bodemverontreiniging mag veroorzaken.
Wanneer het streven is om verspreiding
van de bestaande bodemverontreiniging tegen te gaan en verontreinigde gebieden
een andere bestemming te geven zal "oude" bodemverontreiniging door olie
en gerelateerde afvalstoffen systematisch moeten worden opgeruimd.
Verontreiniging van het water door
op- of overslag of tijdens transport dient ten alle tijden te worden voorkomen.
De initiatieven die zijn
ondernomen inzake de concrete opruiming van de erfenissen van de olie-industrie
op Curaçao zijn niet gelukt. Met betrekking tot het asfaltmeer zijn
door het eilandgebied diverse saneringsopties overwogen, maar de resultaten
hiervan zijn nog niet geconcretiseerd. De raffinaderij op Curaçao
is in juli 1997 een hindervergunning verleend. De centrale overheid heeft
een bezwaarschrift ingediend, waarin is aangegeven dat de opgenomen voorwaarden
in de vervolgfase moeten worden aangescherpt en dat de voorgestelde looptijd
van de vergunning te lang was. De looptijd van de vergunning is aangepast.
De participatie van de centrale overheid in de verlening van de vergunning
is niet succesvol verlopen. De rol en de bevoegdheden van de centrale overheid
in het inspectietraject zijn niet vastgelegd. Op procedurele gronden is
het werkverband met de inspecteur beëindigd. Inmiddels wordt gecontroleerd
op de naleving van de vergunning. De raffinaderij heeft in het kader van
het IRUP-programma (ISLA Refinery Upgrading Programme) milieu verbeteringsprojecten
uitgevoerd. Anderzijds wordt door een toegenomen produktie de verwachte
vermindering van verontreinigende stoffen niet gehaald. De raffinaderij
rapporteert op regelmatige basis over de emissies naar lucht en water.
Over noodzakelijke uitbreiding en aanscherping van normen wordt momenteel
overleg gevoerd. Het eilandgebied streeft er naar de communicatie over
de raffinaderij met name aan degenen die het meest getroffen worden door
de overlast, zoals scholen in de omgeving, te verbeteren.
Om de discussie over het
economisch belang van de raffinaderij richting te geven, is er het voornemen
om een kosten – baten analyse op te stellen van de huidige operatie, alsmede
de kosten en baten bij terugdringing van vervuiling. Het is van belang
om voor het uitvoeren van deze analyse voldoende bestuurlijk en maatschappelijk
draagvlak te hebben.
De regelmatige, goed gecoördineerde
inspecties van Statia Oil Terminal, die door het eilandgebied Sint Eustatius
worden georganiseerd werpen hun vruchten af. Aan deze inspecties nemen
de Arbeid- en Veiligheidsinspectie, de Scheepvaartinspectie en de milieu-inspectie
deel. De voorgenomen raffinage activiteiten op Sint Eustatius zijn van
de baan. Zowel van Sint Eustatius als van Curaçao hebben degenen
die belast zijn met de controle op de naleving van de hindervergunning
stage gelopen bij een Nederlandse raffinaderij. De olieterminal te Caracasbaai,
Curaçao, is ontmanteld, terwijl de olieterminal op Bonaire nog geen
hindervergunning heeft.
De Kustwacht voor de Nederlandse
Antillen en Aruba controleert op verzoek van de Regering van de Nederlandse
Antillen onder meer op overtredingen van milieu- en natuurverordeningen.
Regelmatig worden processen-verbaal opgemaakt over illegale olielozingen.
Tot op heden is geen vervolging gepleegd van de overtreders.
6. Toerisme, Milieu en
Natuur
De doelstelling is het toerisme in
ecologische zin duurzaam te maken. Het streven is dat toerisme zoveel mogelijk
in evenwicht is met zijn omgeving. Want alleen dan, in een schone natuurrijke
omgeving, kan toerisme ook economisch duurzaam zijn.
In 1997 is in goed overleg
met de doelgroep (hotelorganisaties, restaurants, vliegmaatschappijen,
toeristische organisaties, milieu- en natuurorganisaties etc.) en de overheden
tijdens een werkconferentie op Saba en Sint Maarten de Nota Duurzaam Toerisme
opgesteld. In deze nota wordt de richting van het beleid verder uitgewerkt.
Een aantal concrete voorbeeldprojecten
zijn de afgelopen periode uitgevoerd. Op de horecabeurs op Curaçao
is de hotelkamer van de toekomst getoond. Na dit geslaagde optreden is
besloten om de voorbeeldkamer in de praktijk uit te voeren. In samenwerking
met de Curaçaose toeristische organisatie is de ecokamer in een
lokaal hotel in gebruik genomen. In deze kamer zijn een aantal milieuvoorzieningen
aangebracht, zoals energie- en waterbesparende elementen, zonne-energie,
CFK-vrije koeling. Deze kamer wordt normaal ingezet door het hotelmanagement,
en het water en energieverbruik wordt gedurende een jaar apart gemonitored.
Na dit jaar zullen de energie en waterverbruiksresultaten worden vergeleken
met een niet-ecokamer. Een promotiefilm over milieuzorg in de sector moet
zowel hotelmanagement als -personeel over de waarde van milieubewust management
informeren.
In samenwerking met de ANWB
wordt een inventarisatie gemaakt van bestaand toeristisch informatiemateriaal
op milieu- en natuurgebied. Het is nu zaak om de doelgroep, de toerist
die de Nederlandse Antillen gaat bezoeken, te bereiken en die te voorzien
van bestaand of nieuw voorlichtingsmateriaal, waardoor zij vanaf het moment
van de reservering van de vakantie reeds kennis kunnen nemen van de milieu-
en natuurwaarden van hun vakantiebestemming en van de bijdrage die zij
daaraan kunnen leveren.
De introductie van milieuzorgprogramma’s
in de hotels op Curaçao is van start gegaan. Op Sint Maarten zijn
de voorbereidingen aangevangen voor een duurzame hotelbranche.
7. Het beheer van de
natuur
Hoofddoelstelling van het gebiedsgerichte
beleid zal zijn te komen tot een netwerk van beschermde natuurgebieden
dat representatief is voor de aanwezige ecosystemen in de Nederlandse Antillen.
De hoofddoelstelling van de soortenbescherming
is er zorg voor te dragen dat die dieren en planten die van oorsprong op
de Nederlandse Antillen voorkomen niet in hun voortbestaan worden bedreigd.
Migrerende soorten die zich tijdelijk op ons territoir bevinden, zullen
eveneens actief worden beschermd.
De Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en –bescherming is op 9
januari 1998 (PB 1998, 49) door de Staten aangenomen. De verordening is
op 1 februari 1999 in werking getreden (PB 1999, 24).
Het verzoek tot ratificatie van het CITES-verdrag (Convention on International
Trade of Endangered Species of Wild Fauna and Flora) en het Biodiversiteitsverdrag
kon hiermee worden gedaan.
Volgend uit de Landsverordening
moeten op alle eilandgebieden twee jaar na de inwerking treding een eilandverordening
natuur van kracht zijn en een eilandelijk natuurbeleidsplan zijn vastgesteld.
Daartoe is aan de eilanden aangeboden een model eilandverordening grondslagen
natuurbeheer en -bescherming. Tevens zijn de eilanden geassisteerd bij
het opstellen van een natuurbeleidsplan. Op Curaçao na is op alle
eilanden het concept van een eilandelijk natuurbeleidsplan gereed. Curaçao
is voornemens om medio dit jaar het concept van een natuurbeleidsplan gereed
te hebben. Als startpunt voor de gebiedsbescherming zal het Eilandelijk
Ontwikkelingsplan (EOP) dienen. De eilandelijke natuurbeleidsplannen zijn
opgesteld in overeenstemming met het geschetste kader in de Contourennota,
aangevuld met de eiland specifieke zaken. Het landelijk natuurbeleidsplan
zal vervolgens worden opgesteld en zal bestaan uit een op landsniveau nadere
invulling van de contouren en de eilandelijke beleidsplannen.
Gebiedsbescherming.
In het kader van de doelstelling
om natuurgebieden te beschermen, is op Sint Eustatius het eerste nationale
park een feit geworden. The Quill voldeed als eerste aan de gestelde criteria,
namelijk een representatief voldoende groot voorbeeld van een ecosysteem
met een unieke biodiversiteit, een wettelijke grondslag voor het te beschermen
gebied en een solide beheersregime. Het Saba Marine Park is onlangs toestemming
verleend om het predikaat van nationaal park te voeren. Hiermee is Saba
Marine Park het tweede nationale park van de Nederlandse Antillen. Voor
het Bonaire Marine Park en het Muriel Thissell Park op Saba zijn de gestelde
criteria bijna volledig ingevuld. Sint Maarten is hard op weg om de basis
te leggen voor een nationaal park. Zo zijn de gewenste te beschermen terrestrische
natuurgebieden en de grenzen van het marine park reeds aangegeven, is er
beleid geformuleerd ter bescherming van de Hill Sides en is de implementatie
reeds opgestart, is een natuurbeheerorganisatie, The Sint Maarten Nature
Foundation, opgericht, en is vooruitlopend op de aan te nemen mariene milieuverordening
reeds een zoneringsplan voor het mariene park opgesteld. Ook Curaçao
heeft inspanningen verricht, namelijk een concept eilandsverordening Marien
Natuurbeheer en –bescherming, die in lijn is met de Landsverordening Grondslagen
Natuurbeheer en -bescherming en als opvolger van de Rifbeheerverordening
wordt aangemerkt. Deze nieuwe verordening zal de mogelijkheid bieden om
mariene parken in te stellen en het beheer op een adequate wijze te regelen.
Op verschillende eilanden
tekent zich een beeld af dat grote particuliere gebieden in ruimtelijke
plannen van de overheid een conserveringsbestemming krijgen. De eilandelijke
overheid dient nu aan te geven, welk gebruik in dit gebied nog wel getolereerd
kan worden en op welke voorwaarden. Om enigszins bij te kunnen dragen aan
het overleg tussen eigenaar en overheid, is een case studie voor het landgoed
Oostpunt (Curaçao), een particulier gebied met een conserveringsbestemming,
uitgevoerd. Een aantal scenario’s voor haalbare duurzame economische ontwikkeling
van dit gebied zijn doorgerekend.
In het kader van de wens
om te voorkomen dat Klein Bonaire niet aan project ontwikkelingen ten prooi
valt - Klein Bonaire is van enorme waarde voor het mariene milieu -, is
een onderzoek uitgevoerd naar de juridische mogelijkheden om ongewenste
ontwikkelingen te voorkomen. Klein Bonaire is in particulier bezit en het
eilandgebied Bonaire is niet in de vermogenspositie om dit eiland in bezit
te krijgen. Bonaire beschikt nog niet over een ruimtelijk plan. Uit dit
onderzoek is naar voren gekomen dat Bonaire de smalle kuststrook tot vijftig
meter, die eigendom is van het eilandgebied, op basis van de natuurbeschermings-
en monumentenverordening 1967 (AB 1976, 7) kan bestemmen als beschermd
gebied. De invulling van de Eilandsverordening Ruimtelijke Ontwikkeling
Bonaire en de nog aan te nemen eilandsverordening grondslagen natuurbeheer
en –bescherming bieden mogelijkheden om Klein Bonaire als geheel te bestemmen
als conserveringsgebied.
Een van de opties in gevallen
dat (potentiële) conserveringsgebieden in particulier bezit zijn,
zou de aankoop door de overheid kunnen zijn. In dit kader is in een commissie,
waaraan participeerden de departementen voor Ontwikkelingssamenwerking,
Financiën en Milieu en de Centrale Bank, de mogelijkheid van een Debt
for Nature Swap bekeken. Specifiek is nagegaan of de aflossingen van de
schuld aan Nederland door Nederland kunnen worden kwijt gescholden in ruil
voor de aankoop van conserveringsgebieden, waarbij de Antilliaanse overheid
garandeert deze gebieden duurzaam te beheren. Deze constructie is in de
Nederlandse Ontwikkelingssamenwerking reeds eerder toegepast. Voordeel
van deze formule is dat lokale valuta in een duurzaam goed, namelijk natuur
wordt geïnvesteerd. Dit initiatief is ondermeer stuk gelopen op het
feit dat de aflossingen van de schulden door de Nederlandse Antillen aan
Nederland tijdig geschieden, waardoor de waarde van de schuld niet minder
werd, maar ook omdat de Nederlandse Antillen deze schuldenruil bij voorkeur
voor de sociaal economische ontwikkeling wilde bestemmen.
Om de eenmaal ingestelde
natuurgebieden te kunnen beheren, zijn goed draaiende professionele beheersorganisaties
nodig. Inmiddels zijn er op elk eiland beheersorganisaties aanwezig, die
regelmatig met elkaar overleggen. In sommige gevallen zijn voor het beheer
van natuurgebieden contracten afgesloten tussen overheid en beheersorganisatie.
Zoals bij zo vele natuurbeheersorganisaties zijn de financiële middelen
zeer beperkt. Op het natuurplatform van 1998 hebben de natuurorganisaties
besloten om een haalbaarheidsonderzoek uit te voeren naar de instelling
van een Trustfund, waarbij de jaarlijkse opbrengsten van dit fonds ten
behoeve van het beheer van natuurgebieden gebruikt zal worden. Een ander
initiatief is een onderzoek naar de verschillende lokale, Nederlandse,
Europese en internationale natuurfondsen, die mogelijk middelen ten behoeve
van de natuur ter beschikking hebben. Dit onderzoek is ook uitgevoerd voor
milieufondsen. Van beide onderzoeken is een boekje verschenen.
De natuurbeheersorganisaties
hebben de afgelopen jaren op steun uit verschillende hoeken kunnen rekenen:
in sommige gevallen subsidies van de overheid, particuliere giften, maar
ook middelen uit fondsen zoals het KNAP-fonds, het Wereld Natuur Fonds,
Stichting DOEN en het Prins Bernhard Natuur Fonds. In algemene bewoordingen
is steun verleend ten behoeve van de versterking van deze organisaties,
onderzoeken, draagvlakverbreding- en voorlichtingsactiviteiten.
Voor ieder beschermd gebied
zullen de betreffende beheersinstanties een beheersplan moeten opstellen,
waarin het beheer op lange termijn wordt geregeld. Voor de gebieden Lac
(Bonaire), Muriel Thyssel (Saba), The Quill (Sint Eustatius) en Hermanus
(Curaçao) zijn nu beheersplannen in concept gereed of in voorbereiding.
De Saba Bank, onder de jurisdictie
van de Sabaanse overheid en de landsoverheid, is een gebied rijk aan biodiversiteit
waaronder vis. Voor een duurzaam beheer van dit gebied is een aanvang gemaakt
met de inventarisatie van het gebied om te komen tot een beheersplan. In
1996 werd een eerste algemene inventarisatie van het gebied uitgevoerd
en een samenvatting gemaakt van de beschikbare gegevens over de Bank. Alle
aspecten van het gebruik van de Bank werden bekeken, en een ruwe indruk
werd verkregen over de locatie en samenstelling van het koraalrif van de
Bank. De resultaten van deze inventarisatie zijn in twee rapporten gepubliceerd:
"Towards Sustainable Management of the Saba Bank" en "Seabirds, Marine
Mammals and Human Activities on the Saba Bank" Uit deze voor-inventarisatie
kwam de daadwerkelijke noodzaak voor duurzaam beheer naar voren. Ook kwam
naar voren waar ontbrekende gegevens en kennis aangevuld moeten worden
voordat een verantwoord beheersplan geconcipieerd kan worden. Naar aanleiding
van deze studie zal een nadere inventarisatie van het gebied, in eerste
instantie van de visserij worden uitgevoerd. Gekozen is om de benodigde
kennis van moderne inventarisatiemethoden middels een op de Nederlandse
Antillen te geven opleiding in huis te halen. Ten behoeve van de Saba Bank
voert een coördinator, in samenwerking met op de Bovenwindse eilanden
werkzame personen, dit visstandonderzoek uit. Doel van het onderzoek is
om voldoende gegevens over de visstand te verzamelen, minimaal gedurende
een jaar, om zo te komen tot een duurzaam beheer van de Saba Bank.
Met betrekking tot de
soortenbescherming.
Op Curaçao is de Rifbeheerverordening
in 1996 gewijzigd en een eilandsbesluit aangenomen om alle zeeschildpadden
die in de wateren van Curaçao voorkomen en die hun eieren op de
stranden van Curaçao leggen, te beschermen. Hiermee volgt het grootste
eiland van de Nederlandse Antillen de eilandgebieden Bonaire, Saba en Sint
Eustatius. Alleen te Sint Maarten ontbreekt nu nog adequate regelgeving
om de zeeschildpadden via eilandelijke regelingen te beschermen. Losstaand
van de lokale wens om schildpadden te beschermen, heeft eind 1998 het Koninkrijk
der Nederlanden voor de Nederlandse Antillen de Inter American Sea Turtle
Convention, verdrag inzake de bescherming en het beheer van de zeeschildpadden
van de Amerikaanse continenten, getekend.
Ten behoeve van de kennis
van op de Nederlandse Antillen voorkomende soorten en de stand daarvan
voert Carmabi onderzoeken uit. Zo is een biologische inventarisatie van
de Bovenwinden uitgevoerd, is een studie gedaan naar de Iguana delicatissima,
vlinders en vleermuizen. Ook is een fenologie studie – dat is een beschrijving
gedurende de seizoenen van planten – uitgevoerd, om zo inzicht te krijgen
in de voedselvoorraad voor dieren. Een boekje getiteld "Inheemse bomen
van de Benedenwindse eilanden" is verschenen.
Ofschoon formeel door de
Nederlandse Antillen nog geen ratificatie van het CITES-verdrag heeft plaats
gevonden, zijn er wel reeds op basis van de Landsverordening Grondslagen
Natuurbeheer en –bescherming, die de nationale uitvoeringswetgeving van
dit verdrag is, een aantal activiteiten ontplooid. De beheersinstantie
is aangewezen, namelijk de sectie milieu en natuur van het Departement
Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Het polsen van - op elk eiland minstens
een – personen voor de oprichting van de wetenschappelijke autoriteit is
in volle gang. De douane en de eilandelijke autoriteiten hebben een CITES-training
gevolgd. Nu moet een publieke bewustmakingscampagne worden opgestart, waardoor
de burger op de hoogte wordt gebracht wat wel en wat niet meer kan onder
de nieuwe Landsverordening. Onder meer moet gedurende de zes maanden overgangsperiode
de registratie van dieren die nu een beschermde status hebben gekregen
plaats vinden. Momenteel worden CITES-voorlichtingsfolders ontwikkeld.
Op Sint Eustatius bezorgt
het loslopend vee diverse problemen, onder meer op het gebied van hygiëne,
veiligheid, aantasting van de natuur en de landbouw. Sinds de Registratieverordening
in werking is getreden, is het onder meer niet meer toegestaan om vee op
publieke terreinen te houden. Het publiek is als onderdeel van deze campagne
regelmatig geïnformeerd. Statia Farmers Cooperation heeft ten behoeve
van de afscherming van het vee terrein scheidingsmateriaal ontvangen. Volgende
op deze verordening is een actieplan opgesteld, "Report on Agriculture
and Livestock in Statia". Er zijn in goed overleg met de doelgroep aanbevelingen
geformuleerd. In hoofdlijnen komen deze aanbevelingen neer op het duurzaam
ontwikkelen van de landbouw en veeteelt sector op Sint Eustatius met als
doel de export te bevorderen en het invullen van de behoefte om in deze
ontwikkelingen te kunnen voorzien. Het Bestuurscollege toetst momenteel
de aanbevelingen. In het Christoffelpark op Curaçao is het geitenprobleem
grotendeels bedwongen.
Carmabi heeft de vegetatiekartering
van de Nederlandse Antillen ter hand genomen. De vegetatiekaart van Curaçao
is gereed en aan de productie van de kaarten van de Bovenwinden en Bonaire
wordt gewerkt.
8. Vergroting van het
draagvlak
Het is van zeer groot belang dat een
ieder zich meer verantwoordelijk gaat voelen voor zijn leefomgeving. De
overheid kan deze zorg onmogelijk alleen dragen. Daarom zal worden gewerkt
aan de verbreding van het draagvlak voor milieu- en natuurbeheer - waarbij
wordt voortgebouwd op de waardevolle lopende activiteiten – door het aanhalen
van de banden met het onderwijs, het bedrijfsleven, particuliere milieu-
en natuurorganisaties en de media.
Op het terrein van vergroting
van het draagvlak zijn diverse initiatieven ondernomen of ondersteund.
Vooral initiatieven van milieu- en natuurorganisaties en initiatieven in
het onderwijs zijn aan de orde geweest.
In 1998 is op Bonaire een
workshop Natuur- en Milieu-educatie georganiseerd. Doel van deze workshop
was het bijeenbrengen van de makers van NME-materiaal en het elkaar informeren
over het bestaande materiaal. Er is een informatie markt georganiseerd
waarbij al het educatie materiaal is tentoongesteld. Tevens is de behoefte
van aanvullend materiaal vastgesteld. Deze workshop is als zeer nuttig
ervaren door degenen die zich met ontwikkeling van educatie materiaal bezig
houden en het voornemen is vergelijkbare bijeenkomsten met gepaste frequentie
te organiseren.
De natuurbeheerorganisaties
zijn alle actief om de schooljeugd voor te lichten over de waarde van de
natuur. Op Bonaire is voor een periode van drie jaar een natuur- en milieu
educatie medewerker aangetrokken door Stinapa Bonaire, terwijl op Curaçao
de eilandsdienst Onderwijs het NME-programma van Carmabi financieel voor
zijn rekening heeft genomen..
Het door de Leerstoel voor
Milieu en Ontwikkeling van de Universiteit van de Nederlandse Antillen
ontwikkelde afval educatie programma voor het basisonderwijs "Rommelton"
is geëvalueerd, aangepast en vertaald. De Rommelton wijdt leerlingen
in in het ontstaan van afval en de mogelijkheden om daarmee alsnog iets
nuttigs te doen. Bonaire en de Bovenwinden zullen nog dit jaar getraind
worden in het gebruik van dit educatie programma.
Het door de Fundashon Material
pa Skol ontwikkelde lesmateriaal ten behoeve van het vak aardrijkskunde
van de basisvorming "Wij verzuipen in ons afval" is vertaald, bijgesteld
en gedrukt ten behoeve van scholen op de Bovenwinden. De leerlingen krijgen
via het materiaal inzicht in het ontstaan van afval, de gevolgen van afval
voor het milieu en de wijze waarop de mens het ontstaan van afval kan beïnvloeden.
Het GLOBE-programma is op
zes middelbare scholen op de Nederlandse Antillen geïntroduceerd.
Het programma "Global Learning and Observation to Benefit the Environment"
is een internationaal milieuwetenschappelijk en onderwijs programma dat
scholieren, leraren en wetenschappers samenbrengt voor het bestuderen van
het wereldmilieu. Scholieren leren volgens vastgestelde protocollen informatie
over milieu- en natuuronderwerpen verzamelen en versturen deze gegevens
via moderne communicatiemiddelen, internet, naar een centrale databank
die de gegevens verwerkt en onder andere vergelijkt met gegevens die door
de NASA zijn verzameld. De scholieren kunnen hun gegevens vervolgens weer
opzoeken, maar kunnen ook de gegevens van andere deelnemende scholen opsporen.
De voortgang van de uitvoering
van het GLOBE-project stagneerde. Er is inmiddels een evaluatie uitgevoerd.
Uit de evaluatie is ondermeer naar voren gekomen dat de scholieren een
hoge mate van interesse vertonen voor dit project. Hun interesse is voornamelijk
gericht op het verzamelen en verwerken van gegevens - dat het milieu- en
natuurgegevens zijn is een leuke bijkomstigheid -. Het draagvlak bij de
docenten en soms ook wel de schoolleiding is minder, onder meer door een
discussie over de toekenning van taakuren. Sommige GLOBE-scholen hebben
aangegeven een doorstart te willen maken en krijgen daarvoor een tegemoetkoming.
Aan de andere kant staat daar tegenover een inspanningsverplichting. Afhankelijk
van de resultaten van de doorstart zal een beslissing worden genomen over
de voortgang van dit initiatief.
In het kader van de bewustwording
wordt in samenwerking met de Dierenbeschermingeen campagne gevoerd tegen
het in gevangenschap houden van inheemse, in het wild levende dieren onder
het motto "Een huisdier haal je niet uit de vrije natuur" en een actie
tegen het invoeren en in gevangenschap houden van exotische dieren "Een
exotisch dier, hoort niet hier". Leerlingen van scholen, douane, bezoekers
van dierenklinieken, bezoekers en eigenaren van dierenwinkels en de gemeenschap
zijn de doelgroepen van deze actie.
9. Wetgeving, Normstelling
en Inspectie
Het opstellen en vaststellen van de
raamwetten, de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming
en de Landsverordening Grondslagen Milieubeheer, de juridische grondslag
op basis waarvan de centrale overheid de milieu- en natuurtaak uitvoert,
alsmede de eilandverordeningen die in relatie staan tot deze raamwetten.
Die basis moet in de komende jaren via normstelling en de Milieu-inspectie
verder worden versterkt en ingevuld.
Op 9 januari 1998 is de Eilandenregeling
Nederlandse Antillen (ERNA) die de bevoegdheden van de eilandgebieden en
het land dwingend regelt, veranderd zodat duidelijkheid gecreëerd
is voor wat betreft milieu en natuur. Waren voorheen slechts de eilandgebieden
verantwoordelijk voor deze twee zorggebieden, terwijl daarentegen het land
wel de verantwoordelijkheid droeg voor verdragsverplichtingen, ook op het
gebied van milieu en natuur, door de wijziging is nu duidelijk dat het
land verantwoordelijk en bevoegd is voor het uitvoeren van verdragsverplichtingen,
maar deze verplichting wel dwingend kan delegeren naar de eilandgebieden.
Op het gebied van toezicht op de uitvoering van de verdragsverplichtingen
heeft het land zelfs extra bevoegdheden gekregen om, als de eilanden hun
verplichtingen voortvloeiende uit natuur en milieuwetgeving niet uitvoeren,
deze dan bij landsbesluit te regelen.
In samenwerking met de wetgevingscapaciteit
van het Nederlandse Ministerie Landbouw, Natuur en Visserij, de eilandgebieden,
het Centraal Bureau voor Juridische en Algemene Zaken en VOMIL is de Landsverordening
Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming afgerond. De Staten van de Nederlandse
Antillen hebben deze verordening op 9 januari 1998 goedgekeurd, terwijl
deze Landsverordening op 1 februari 1999 in werking is getreden. Met de
inwerkingtreding van deze verordening is het juridische kader voor natuurbeleid
op de Nederlandse Antillen gelegd. De Landsverordening verdeelt taken tussen
het land en de eilandgebieden. De taken zijn toegespitst op de uitvoering
van vijf natuurverdragen waar het Koninkrijk voor de Nederlandse Antillen
partij bij zijn of binnenkort partij worden. Deze verdragen zijn het CITES
verdrag dat de handel in bedreigde wilde dieren en planten reguleert, het
RAMSAR verdrag ter bescherming en beheer van waterrijke gebieden en in
het bijzonder als broedplaats voor vogels, de Bonn Conventie dat de bescherming
en het beheer van migrerende diersoorten regelt, het SPAW protocol als
onderdeel van de Cartagena Conventie, die handelt over bijzondere natuurgebieden
en wilde flora en fauna van het mariene milieu van de Wider Caribbean Region
en tenslotte het Biodiversiteitsverdrag dat de bescherming, het beheer
en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit regelt. Voornaamste
strekking van de Landsverordening is dat het land opgedragen wordt de handel
in bedreigde planten en dieren te reguleren door middel van een vergunningsstelsel,
terwijl de eilandgebieden opgedragen worden om voor hun eigen territoir
zorg te dragen dat bijzondere natuurgebieden en bedreigde inheemse soorten
wettelijk beschermd worden en actief worden beheerd om een duurzaam gebruik
en een langdurig voortbestaan te garanderen.
Om de eilandgebieden bij
te staan bij de totstandbrenging van de verplichte natuurregelgeving op
eilandsniveau is in samenwerking met LNV een model natuurverordening (eilandsverordening
grondslagen natuurbeheer en bescherming) opgesteld, dat vervolgens samen
met de Landsverordening aan de eilandgebieden is aangeboden.
Ten behoeve van de Landsverordening
Grondslagen Milieubeheer, die de grondslag vormt voor eilandelijke milieuregelgeving,
zoals de hinder-, afval- en lozingsverordeningen, is in 1997 een werkconferentie
georganiseerd, waaraan hebben geparticipeerd de juridische- en milieuafdelingen
van de eilandgebieden, CBJAZ, het Nederlandse Ministerie Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en VOMIL. Tijdens deze werkconferentie
hebben de eilandgebieden en het land op basis van een eerste ontwerp-verordening
de gewenste inhoud van een definitieve verordening die het milieubeheer
regelt vastgesteld. De Landsverordening Grondslagen Milieubeheer had nu
in concept gereed moeten zijn. De wetgevingscapaciteit van het Nederlandse
Ministerie VROM heeft door omstandigheden niet voortvarend aan de tekst
kunnen werken. Door de beperkte wetgevingscapaciteit aan Antilliaanse zijde
laten specifieke kwesties die dezerzijds moeten worden ingevuld langer
dan wenselijk is op zich wachten.
Met betrekking tot internationale
milieuregelgeving. Op regionaal niveau zijn de landen van de Wider Caribbean
Region actief om het derde protocol van de Cartagena Conventie, Protocol
on Land-Based Sources of Marine Pollution, te ontwikkelen. Dit protocol
streeft na de Caribische Zee te beschermen tegen verontreiniging door op
het land gelegen bronnen. Omdat het onderwerp van dit protocol ernstige
– vooral financiële – gevolgen zal hebben voor de partijen, zijn de
onderhandelingen zeer moeizaam en zijn de verwachtingen voor spoedige ratificatie
van het protocol niet erg hoog gespannen. De bedoeling is dat in 1999 de
definitieve wettekst plus bijlagen gereed zijn voor ondertekening door
partijen.
De Antilliaanse regering
heeft aangegeven het Verdrag van Basel, verdrag inzake het internationale
transport van milieugevaarlijke afvalstoffen, te willen ratificeren. Daartoe
zal de nationale wetgeving op orde moeten worden gebracht. Om nu al gevaarlijk
afval voor adequate eindverwerking aan te kunnen bieden, hebben de Nederlandse
Antillen
en Nederland, dat wel partij is, conform het gestelde in het verdrag een
bilaterale overeenkomst afgesloten die in deze mogelijkheid voorziet. De
overeenkomst is afgesloten op 3 januari 1997 voor de duur van twee jaar.
In 1999 is deze overeenkomst verlengd met twee jaar. Ook op regionaal niveau
wordt de belangrijkheid van dit verdrag onderkend. In dit kader worden
regionaal activiteiten ondernomen. Onlangs is Venezuela toegetreden tot
het Basel Verdrag, hetgeen tot gevolg heeft dat ook met dit land een bilaterale
overeenkomst zal moeten worden afgesloten.
In het kader van de samenwerking
met VROM op het gebied van wetgevingscapaciteit is een model eilandverordening
afvalstoffen opgesteld, die gedeeltelijk uitvoer geeft aan de nog vast
te stellen Landsverordening Grondslagen Milieubeheer. De model eilandverordening
afvalstoffen is inmiddels aan alle eilandgebieden aangeboden voor eigen
gebruik.
Op basis van verdragsverplichtingen
(de Nederlandse Antillen zijn partij bij het Ozon verdrag en het Montreal
Protocol) moet het gebruik van harde CFK’s (chloor-fluor-koolstofverbindingen),
een ozonlaag aantastend gas dat o.a. als koelvloeistof wordt toegepast,
verboden worden en het gebruik van andere CFK’s uitgefaseerd worden. Omdat
de verbodsperiode internationaal al is ingetreden, is prioriteit gegeven
aan de aanpak van dit probleem. In mei 1997 is een workshop gehouden, waarbij
in overleg met de eilandgebieden en de doelgroep de richting van het beleid
is vastgesteld. In samenwerking met CBJAZ is een CFK-Landsbesluit opgesteld
plus een Ministeriële beschikking met algemene werking om spoedig
over te kunnen gaan tot een import en export verbod van harde CFK’s. Het
ontwerp is inmiddels in de Sociaal Economische Raad behandeld en kan spoedig
in werking treden. Het is wel zaak, zeker nu de Nederlandse Antillen hebben
aangegeven partij te willen worden bij het Klimaatverdrag, dat de tijdelijke
regeling van het CFK-besluit wordt opgenomen in een specifieke regeling.
Voor wat betreft de maritieme
verdragen waaraan een grote milieucomponent verbonden is, is geadviseerd
op het gebied van wenselijkheid van nieuwe verdragen of verdragswijzigingen
en de nationale uitvoeringswetgeving. Genoemd kunnen worden de Landsverordening
maritieme aansprakelijkheid die uitvoering geeft aan het CLC/Fund verdrag
plus protocollen, de ontwerp-Landsverordening maritiem beheer die uitvoering
geeft aan o.a. het OPRC verdrag en de London Convention 1972. Met het Departement
voor Scheepvaart en Maritieme Zaken (voorheen Scheepvaart Inspectie Nederlandse
Antillen) is afgesproken dat het primaat voor dit soort verdragen primair
bij hun is gelegen.
In de procedure om te komen
tot een hindervergunning voor de raffinaderij op Curaçao is het
ontbreken van nationale, of zelfs eilandelijke milieunormen een ernstige
hindernis gebleken. In nog andere gevallen, de stofoverlast veroorzaakt
door één en hetzelfde bedrijf op Sint Maarten en Saba, hebben
in het eerste geval de omwonenden gerechtelijke stappen ondernomen. De
aanwezigheid en de verwerking van asbesthoudend materiaal is recentelijk
ook aan de orde geweest.
Het opzetten van een milieu-inspectie,
een milieu-inspectie met een juridische grondslag die op basis van milieunormen
de taakstelling uitvoert, blijkt moeilijk van de grond te krijgen. Deels
wordt de noodzaak van zo een inspectie ingezien - voor de stofoverlast
problematiek wordt de centrale overheid onmiddellijk ingeschakeld en de
participatie bij de gecoördineerde inspecties van Statia Oil Terminal
hebben hun nut bewezen -, deels levert dat conflictsituaties op. De betrokkenheid
van de centrale overheid bij de verlening van de hindervergunning aan de
raffinaderij te Curaçao heeft zijn sporen nagelaten. De centrale
overheid is niet betrokken geweest bij de verlening van een hindervergunning
voor een nieuw te bouwen energiecentrale te Curaçao. In zijn algemeenheid
kan worden gesteld dat de bevolking steeds vaker protesteert tegen overlast
of milieu-bedreigende activiteiten.
Handhaving van wettelijk
geregelde normen is ook voor milieu en natuur noodzakelijk. De Kustwacht
van de Nederlandse Antillen en Aruba verricht nuttig werk op het terrein
van handhaving van naleving van enkele milieu- en natuurregelingen. Vooral
op het gebied van de rapportage van olieverontreinigingen door schepen
en het overtreden van de Visserijverordening – met name op de Saba Bank
– werkt dit zeer effectief. De opvolging van de processen verbaal bij het
constateren van olieverontreiniging verloopt zowel bestuursrechtelijk als
strafrechtelijk minder.
10. Samenwerking
De samenwerking met landsdepartementen
en –diensten, de eilanden, de samenwerking op het gebied van onderzoek,
met milieu- en natuurorganisaties, binnen het Koninkrijk, met de Nederlandse
Ministeries VROM, LNV en Verkeer en Waterstaat zal worden geïntensiveerd.
Samenwerking met landsdepartementen
en –diensten loopt naar tevredenheid. Met sommige departementen is de samenwerking
intensief, met andere minder. Dit hangt samen met de prioriteiten die de
betrokken departementen hebben, versus de krappe bezetting en de beperkte
financiële ruimte. De Antilliaanse regering heeft besloten dat de
taakverantwoordelijkheid voor visserij bij het Departement Economische
Zaken ligt. Met dit departement en met de Visserijcommissie is afgesproken
dat voor zover dit de Saba Bank betreft – e.e.a. in het kader van duurzaam
beheer van dit gebied -, VOMIL de coördinerende rol vervult.
Op frequente basis, voornamelijk
rond afgesproken thema’s, zijn platform bijeenkomsten georganiseerd met
de eilandgebieden. De thema’s afval, duurzaam toerisme, natuur, natuur-
en milieueducatie en wetgeving zijn aan de orde geweest. Het voornemen
om ten tijde van het opstellen van de begrotingen gezamenlijk de activiteiten
voor het volgende jaar te plannen is niet gelukt.
Op de eerste afvalconferentie,
oktober 1996, is door de eilandgebieden en Aruba besloten om onderling
samen te werken. Op 5 juni 1997 is de afvalvereniging AMUST, Asosashon
de Maneho Uni pa Sushi I Tecnologia opgericht. De afvalvereniging komt
regelmatig bijeen, onderling worden adviezen uitgebracht en informatie
uitgewisseld. Ondanks gebrek aan (eigen) geld is A MUST uitgegroeid tot
een centraal aanspreekpunt voor iedereen betrokken bij de inzameling en
verwerking van afval op de Nederlandse Antillen en Aruba, een belangrijke
ontwikkeling met het oog op de toekomst. De toegezegde financiering van
het secretariaat en de activiteiten van de vereniging is op de helling
gekomen, hetgeen een zware wissel trekt op de met moeite tot stand gebrachte
samenwerking.
Een netwerk van internet
aansluitingen bij de diverse milieu- en natuur focal points op de eilanden
is ingesteld. De website van de sectie milieu en natuur, http://mina.vomil.an,
waarin informatie is opgenomen over het beleid, de thema’s, informatie
over milieu- en natuuraangelegenheden en de activiteiten van land en eilanden
is in 1998 geactiveerd. De website wordt momenteel bijgesteld, met als
doel deze toegankelijker te maken en van meer informatie te voorzien. Wetgeving
en de nieuwsbrief zijn de meest bezochte informatieblokken. Een MINA-nieuwsbrief
verschijnt minstens tien maal per jaar en wordt ook op de website geplaatst.
De samenwerking op het gebied
van milieu-onderzoek is niet opgestart. De samenwerking op het gebied van
natuuronderzoek met CARMABI komt langzaam van de grond. Sinds kort vindt
met regelmaat overleg plaats. CARMABI participeert actief aan de natuurbijeenkomsten
van de centrale overheid, maakt gebruik van financiële middelen uit
de KNAP- en MINA-fondsen en sinds kort - als resultaat van het overleg
– worden op verzoek adviezen aan VOMIL uitgebracht. Het natuuronderzoeksinstituut
CARMABI wordt door de centrale overheid en door het eilandgebied Curaçao
gesubsidieerd. De centrale overheid heeft het voornemen om de aansturing
van CARMABI te regelen in de vorm van een zorgcontract. Tussen het eilandgebied
Curaçao en Carmabi zal binnenkort een zorgcontract worden afgesloten.
Door de grootschalige veranderingen
in het onderwijs, en alle aspecten die daarbij komen kijken, is de structurele
integratie van milieu in het onderwijs nog niet geëffectueerd. Bij
de basisvorming is inmiddels in het leerplan Mens en Natuur het domein
Milieubewustzijn opgenomen. Momenteel wordt materiaal ontwikkeld voor de
Antilliaanse scholen voor het voortgezet onderwijs dat aansluit bij de
belevingswereld van de leerlingen en hun nader kennis laat maken met de
eigen omgeving. Het primaire doel is hun milieubewustzijn te vergroten
en meer belangstelling te creëren voor de eigen natuur en de milieuproblemen
op de eilanden. Dit domein bestaat uit vier subdomeinen, te weten water,
leefomgeving, ecosystemen en natuurparken. Thema’s die onder meer aan de
orde komen zijn: afval, energie, natuur, broeikaseffect, de ozonlaag en
zure regen.
Anderzijds is bij het funderend
onderwijs ("basisscholen") en voor de bovenbouw (na de basisvorming) nog
weinig concreet vastgelegd. De toekomstige ontwikkelingen zijn door de
Raad van Ministers goedgekeurd, maar de specifieke leerdoelen zijn nog
niet vastgesteld. Het ziet er wel naar uit dat het onderwerp milieu in
de leerplannen zal worden opgenomen.
Fundashon Material Pa Skol,
een stichting voor ontwikkeling van lesmateriaal ten behoeve van Bonaire
en Curaçao, is een goed draaiende instelling die nuttig werk verricht.
De ontwikkeling van materiaal voor milieuonderwijs wordt gestimuleerd en
zo nodig wordt bijgedragen aan de produktie, bijstelling of vertaling ten
behoeve van de andere eilanden. Nadeel is de facultatieve toepassing van
dit materiaal op scholen.
Omdat de wetgevingscapaciteit
bij de overheden gering is, is voor dit aspect een samenwerkingsrelatie
met de Juridische Faculteit van de Universiteit van de Nederlandse Antillen
aangegaan.
De samenwerking met milieu-
en natuurorganisaties loopt in zijn algemeenheid naar tevredenheid. Geconstateerd
wordt dat op sommige eilanden een enorme groei van deze organisaties plaats
vindt. Dit zou kunnen betekenen dat milieu en natuur meer aan belangstelling
winnen, maar zou ook kunnen betekenen dat er versplintering optreedt. De
indruk is dat er geen afstemming van de activiteiten plaats vindt. Een
daarbij komend nadeel is dat meerdere organisaties dezelfde hoeveelheid
beschikbare middelen aanspreken. Op Bonaire is vorig jaar besloten een
platform voor Bonairiaanse milieu- en natuurorganisaties op te richten.
Dit platform verricht ten behoeve van de leden ondermeer activiteiten in
de sfeer van coördinatie, overleg, afstemming, advisering en bovendien
worden een aantal infrastructurele en logistieke zaken gezamenlijk aangeschaft
en gebruikt.
In 1997 is de samenwerking
op milieu- en natuurgebied tussen de Nederlandse Antillen en Aruba geformaliseerd.
De formele invulling van de samenwerking heeft niet plaats gevonden. De
informele samenwerking, Aruba wordt bij diverse door VOMIL georganiseerde
activiteiten uitgenodigd om te participeren, vindt al veel langer plaats
en zal ook worden voortgezet.
De samenwerkingsovereenkomst
met het Nederlandse Ministerie VROM is in 1997 nader uitgewerkt. Er zijn
thema’s van samenwerking vastgesteld: afval, draagvlak, wetgeving en inspectie.
De samenwerking heeft als produkten opgeleverd: advisering inzake afvalonderwerpen,
de bilaterale overeenkomst inzake het gevaarlijk afval, een model eilandverordening
afvalstoffen, assistentie bij drie afvalconferenties, assistentie bij de
activiteiten van de vereniging AMUST, introductie GLOBE, milieuwetgevingsconferentie,
een aanzet voor de Landsverordening Grondslagen Milieubeheer, de Regeling
Groen Beleggen, het MINA-fonds, trainingen en stages.
In het kader van de samenwerking
is in 1997 de eerste Koninkrijksmilieutop gehouden, waarbij aanwezig de
drie milieuministers van het Koninkrijk en de vijf milieugedeputeerden
van de eilandgebieden. Deze top is als nuttig ervaren en het is de bedoeling
om in de toekomst weer zo een bijeenkomst te organiseren.
De samenwerkingsovereenkomst
met het Nederlandse Ministerie LNV, die op 12 januari 1994 voor het eerst
gesloten werd, is op 4 juni 1997 voor een periode van vier jaar verlengd.
De activiteiten waarop de samenwerking zich in de nieuwe periode zal richten
zijn verdere ontwikkeling van natuurbeleid en –wetgeving op lands- en eilandsniveau,
uitvoeringsmaatregelen gericht op bescherming en beheer van habitats en
soorten, handhaving van de uitvoering van natuurbeleid en –wetgeving, met
nadruk op het CITES verdrag in Koninkrijksverband, wisselwerking met andere
beleidssectoren, werken aan ‘capacity building’ binnen en buiten de overheid,
educatie en voorlichting, onderzoek en tenslotte financiering van het natuurbeheer.
De samenwerking heeft als produkten opgeleverd: de Landsverordening Grondslagen
Natuurbeheer en –bescherming, een model eilandelijke verordening natuur,
eilandelijke natuurbeleidsplannen, beheersplannen voor natuurgebieden,
het KNAP-fonds en een CITES-training.
Op regionaal niveau wordt
geparticipeerd aan de milieu- en natuuractiviteiten in het kader van het
Caribbean Environment Programme, onder secretariaat van UNEP, het regionale
actie programma ter uitvoering van duurzame ontwikkeling in relatie tot
‘Small Island Developing States’ en het nog nieuwe initiatief van de Association
of Caribbean States, die een subcommissie milieu heeft ingesteld.
11. Financiering van
het milieu en natuurbeleid
Ter financiering van het beleid is
een werkbudget 1996 – 2000 opgesteld. In dit werkbudget zijn activiteiten
benoemd en zijn de daaraan verbonden financiering, de betrokken organisaties
en een tijdspad vastgesteld. De financiering van het milieubeleid gaat
de draagkracht van de Nederlandse Antillen te boven. Gegeven de relatieve
nieuwheid van milieu en natuur als beleidsonderwerp op de Nederlandse Antillen
(de Antilliaanse regering heeft in 1995 voor het eerst het onderdeel milieu
op de begroting opgevoerd), is binnen de huidige bestemming te weinig geld
voor milieu beschikbaar. Bovendien zal een inhaalslag nodig zijn.
De begroting van VOMIL leek
zich in eerste instantie volgens de geplande ramingen te ontwikkelen. Door
de financiële situatie van de Nederlandse Antillen is in 1997 een
bezuinigingsronde van 35% doorgevoerd, en het Departement van Financiën
kondigde begrotingskaders af, die geen rekening hielden met opgestelde
en geaccordeerde beleidsnota’s of werkbudgetten. Deze trend heeft zich
in de navolgende jaren voortgezet. Tevens zijn door de lange draagtijd
van administratieve procedures de bestedingen in sommige jaren achterop
geraakt, of worden bestedingen naar volgende jaren door geschoven.
Op 18 februari 1997 is de
Contourennota door het Departement voor Ontwikkelingssamenwerking (DEPOS)
aan de Vertegenwoordiging van Nederland te Willemstad aangeboden, met het
verzoek programma financiering te overwegen en aan de Minister voor Nederlands
Antilliaanse en Arubaanse Zaken ter financiering aan te bieden. Op 28 juli
1997 heeft het toenmalige KABNA onder voorwaarden ingestemd met de medefinanciering
van de nota. Dit bericht heeft de sectie Milieu en Natuur in oktober 1997
bereikt.
In bijlage 1 is een overzicht
van activiteiten weergegeven over de periode 1996 - 1998. Dit schema is
niet uitputtend, maar geeft een beeld van projecten, die al dan niet in
opdracht van of door de centrale overheid of de eilandbesturen op milieu
en natuurgebied zijn uitgevoerd.
Voor wat betreft het KNAP-fonds
(Kleine NAtuur Projecten Nederlandse Antillen).
In de drie jaar sinds de
oprichting van het KNAP fonds in 1995, door gezamenlijke inbreng van VOMIL,
KABNA, LNV en WNF, zijn er in totaal door het fonds 43 kleine natuurprojecten
gesubsidieerd. De gesubsidieerde projecten kunnen in drie categorieën
gegroepeerd worden, namelijk op het terrein van voorlichting en educatie,
projecten betrekking hebbende op beheer van natuur en ondersteuning van
infrastructuur en faciliteiten van (nieuwe) organisaties die zich met natuurbescherming
bezig houden. Totaal werd ca. vijf ton toegezegd aan projecten. Concluderend
kan gesteld worden dat het KNAP-fonds volledig aan de verwachtingen heeft
voldaan. Helaas viel de bijdrage van het WNF met ingang van 1998 weg. Er
kwamen ook geen nieuwe donateurs bij om het fonds te versterken, echter
zowel het Nederlandse Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(voorheen KABNA), als LNV en VOMIL besloten opnieuw voor een periode van
twee jaar, ingaande 1998, het fonds te doteren. In bijlage 2 wordt een
overzicht gegeven van de projecten die van het KNAP-fonds gelden toegewezen
hebben gekregen.
Voor wat betreft het MINA-fonds
(MIlieufonds Nederlandse Antillen).
Dit fonds is in 1996 opgericht
en wordt gevoed door VOMIL, KABNA en VROM. De Maduro en Curiel’s Bank heeft
in 1996 een donatie gedaan. Globaal kunnen de projecten ingedeeld worden
in drie categorieën: projecten ter vergroting van het draagvlak en
milieubewustzijn in de maatschappij, demonstratieprojecten en aanpak van
acute problemen. In totaal zijn 25 projecten goedgekeurd: veertien vielen
onder de noemer draagvlakvergroting en vergroting milieubewustzijn, zes
in de categorie demonstratieprojecten en vijf betroffen acties om direct
milieuproblemen aan te pakken, veelal in samenhang met een bewustwordingsaspect.
Concluderend kan gesteld worden dat er van het MINA fonds een zeer positieve
werking uitgaat. De snelle beslissings- en toekenningsperiode stimuleert
NGO’s - maar ook opleidings- en branche-organisaties - om met creatieve
projecten te komen, die anders zeer waarschijnlijk niet van de grond gekomen
zouden zijn. Hiermee beantwoordt het fonds geheel aan haar doelstelling,
het stimuleren van kleine milieuprojecten op de Nederlandse Antillen. In
bijlage 3 wordt een overzicht gegeven van de projecten die van het MINA-fonds
gelden toegewezen hebben gekregen.
Ook het Wereldnatuurfonds,
het Prins Bernard Fonds, het Prins Bernhard Natuurfonds, de Stichting Doen
en Reda Social zijn actief geweest in het stimuleren van natuuractiviteiten.
Deze activiteiten zijn gericht geweest op versterking van de natuurbeheerorganisaties
en verbreding van het draagvlak. Maar ook de aankoop van een bijzonder
natuurgebied, Jeremi te Curaçao (financiering Stichting DOEN en
het eilandgebied Curaçao, beheer door Carmabi), is een wapenfeit
geweest. De activiteiten van deze organisaties hebben een welkome bijdrage
geleverd aan de ondersteuning van het natuurbeleid.
Om zowel overheden als branche
organisaties, milieu en natuurorganisaties meer inzicht te geven in ter
beschikking staande lokale, Nederlandse, Europese en internationale milieu
en natuurfondsen, is een onderzoek uitgevoerd. Er zijn twee boekjes verschenen:
een voor milieufondsen en een voor natuurfondsen.
Onder de natuurparagraaf
is reeds aangegeven dat het voornemen bestaat een onderzoek uit te voeren
naar het instellen van een Trustfund, waarvan de jaarlijkse opbrengsten
van het fonds ter beschikking worden gesteld aan natuurbeheerorganisaties.
Sinds juni 1994 is in Nederland
de Regeling Groen Beleggen van kracht. Met het oog op het bevorderen van
beleggingen en investeringen die in het belang zijn van de bescherming
van het milieu, waaronder natuur en bos, bewerkstelligt deze regeling voor
particulieren dat voordelen uit vermogen dat wordt belegd via aangewezen
instellingen, zogenaamde Groenfondsen, in projecten of categorieën
van projecten die in het belang zijn van de bescherming van het milieu,
waaronder natuur en bos ("groene projecten"), niet belast zijn met inkomstenbelasting.
In 1997 besloot Nederland,
in overleg met de Nederlandse Antillen, om de mogelijkheid van Groen Beleggen
ook open te stellen voor projecten op de Nederlandse Antillen en Aruba.
In overleg met het Departement van Financiën en VOMIL is een Regeling
Groen Beleggen Nederlandse Antillen opgesteld die in januari 1998 in werking
is getreden. Hierdoor komen als ‘groen’ aangemerkte projecten op de Antillen
ook in aanmerking voor goedkope financiering middels de Nederlandse groenfondsen,
waardoor de kans op realisatie van milieuprojecten op de Nederlandse Antillen
wordt vergroot. In de Regeling wordt bepaald welk type projecten in aanmerking
komen voor de regeling. Bij de beoordeling of projecten binnen de Regeling
vallen - de ‘groenverklaring’ – heeft VOMIL een adviserende rol en beoordeelt
of een project binnen het milieu- en natuurbeleid van de Antilliaanse overheid
past. De uiteindelijke groenverklaring berust bij VROM Nederland. In april
1998 is een seminar rond de Groenbeleggen Regeling voor de Nederlandse
Antillen georganiseerd om aldus deze nieuwe regeling bekendheid te geven.
In oktober 1998 is vervolgens nagegaan welke knelpunten bij de implementatie
van de regeling naar voren zijn gekomen. In 1998 adviseerde VOMIL over
één project op Curaçao waarvoor een groenverklaring
was aangevraagd. In 1999 zijn reeds twee projecten ingediend.
12. Beleidsontwikkeling
Centrale overheid.
Zoals in diverse officiële standpunten
van de Regering van de Nederlandse Antillen verwoord en herhaaldelijk bevestigd
streven de Nederlandse Antillen naar duurzame ontwikkeling. De ervaring
leert dat de praktische uitvoering van deze gedachte immer zo moeilijk
blijkt te zijn. De kreet duurzaamheid is weliswaar gemeengoed geworden,
maar het begrip als zodanig wordt nog te veel gezien als een onderwerp
uit de milieuhoek, terwijl duurzaamheid een integraal onderdeel van de
diverse beleidsvelden behoort te zijn. Beleidsterreinen zoals bijvoorbeeld
energie, economische en industriële ontwikkeling en het toerisme,
blijven in werkelijkheid achter. Met deze constatering is het voornemen
opgevat om het proces van verduurzaming van de ontwikkeling op een breder
draagvlak te stoelen, waardoor de kans op het ontwikkelen van een werkelijk
samenhangende visie wordt vergroot. Momenteel wordt gewerkt aan het opstellen
van een beleidsvisie t.a.v. de duurzame ontwikkeling van de Nederlandse
Antillen en vervolgens het op basis van deze visie bij elkaar brengen van
concrete ideeën, die bijdragen tot een samenhangend pakket van activiteiten
om de beleidsvisie tot realiteit te maken.
De thema’s afval en duurzaam toerisme
zijn reeds nader uitgewerkt in beleidsnota’s. Voor het thema natuurbeheer
zal over niet al te lange tijd ook een beleidsnota verschijnen. Conform
de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming moet twee
jaar na de in werking treding het beleid zijn vastgesteld.
Destijds is besloten om - ondanks de
belangrijkheid - energie niet als prioriteit op te nemen. Dit besluit is
genomen indachtig de beperkte middelen en menskracht die de centrale overheid
ter beschikking heeft. De ontwikkelingen van de afgelopen jaren doen bedenkingen
opkomen. Enerzijds wordt op kleine schaal gewerkt aan duurzame energie
vormen – voorbeelden zijn het windmolen project op Curaçao en het
gebruik van zonne-energie in de landbouw op Bonaire – en worden onderzoeken
gedaan naar de introductie van duurzame energie of naar mogelijkheden van
energiebesparing – Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius -, anderzijds wordt
besloten om een energiecentrale op te starten die volgens ouderwetse technologie
met een kwalitatief mindere grondstof gaat functioneren.
Eilandelijke overheden.
Bonaire is gestart met het opstellen
van een milieubeleidsplan. De looptijd van het milieubeleidsplan van Curaçao
is verstreken. In het kader van de wijzigingen in de positie van de Curaçaosche
milieudienst binnen de eilandelijke overheidsorganisatie is een uitvoeringsplan
opgesteld. Op Sint Maarten is het beleid in diverse sectorale beleidsnotities
reeds verwoord, en daarom is de keus gemaakt om met het oog op efficiëntie
in plaats van een milieubeleidsplan een concreet milieu-uitvoeringsprogramma
(looptijd 1999 – 2002) op te stellen, waarbij prioriteit gegeven wordt
aan het uitvoeren van wettelijke taken, waar veel achterstand is ontstaan.
13. Conclusies
Vanwege de lange draagtijd van de nota,
de wisselende personele bezetting en het immer durende tekort aan capabele
krachten over de gehele linie heeft de uitvoering van het activiteitenschema
vertraging opgelopen. De financiële situatie van de centrale overheid
en de eilandelijke overheden en de daaruit volgende prioriteitstelling
van aandachtsgebieden door de besturen hebben de voortgang parten gespeeld.
Een niet onbelangrijk aspect is de staatkundige realiteit van de Nederlandse
Antillen.
In hoofdlijnen kan – behoudens het
thema olie en in het kielzog de normstelling en inspectie – geconstateerd
worden dat er voortgang is geboekt bij de verschillende thema’s. Door interne
en externe factoren zijn op details wijzigingen opgetreden, maar deze zijn
niet van invloed geweest op het uitgestippelde beleid.
Het begrip duurzame ontwikkeling rekening
houdende met de realiteit van SIDS komt onvoldoende tot zijn recht. Nog
veel te vaak wordt – zeer zeker op cruciale momenten – de zorg voor het
milieu tegenover ontwikkeling geplaatst, terwijl bij de duurzame ontwikkeling
van een land milieu een integraal karakter heeft. Daarom is in 1998 een
medewerker aangetrokken, die als hoofdtaak de integratie van duurzame ontwikkeling
in de diverse beleidsvelden heeft meegekregen. Energie zal een van de speerpunten
zijn.
Betreft het thema afval: Op Sint Eustatius
na is er vooruitgang geboekt. De situatie op Sint Eustatius vereist op
de eerste plaats een financiële inspanning voor de inzet van adequaat
onderhoudsmaterieel, waardoor er mogelijkheden gecreëerd kunnen worden
voor verbetering van het beheer. De samenwerking tussen de eilandgebieden,
A MUST, verloopt naar tevredenheid, voor zover het niet kapitaalintensieve
activiteiten betreft. Door het gebrek aan financiële middelen kunnen
noodzakelijke kapitaalintensieve activiteiten niet worden ondernomen en
de samenwerking wordt daarmede op de proef gesteld. Het uitblijven van
een financiële injectie stagneert de voortgang bij het thema afval.
Betreft het thema duurzaam toerisme:
Bonaire heeft destijds de bewuste keus gemaakt voor duurzaam toerisme.
Saba en Sint Eustatius zijn goed op weg, terwijl op Curaçao verschillende
initiatieven worden ontplooid om duurzamer te gaan opereren. De komende
tijd zal de aandacht zich naar Sint Maarten verplaatsen. Het initiatief
om activiteiten bij dit thema te ondernemen is in hoge mate bij de sector
gelegen. De overheden stimuleren deze activiteiten en geven voorlichting
over het belang van milieuzorg bij deze sector. De doelgroep, de toerist,
wordt door middel van voorlichting gewezen op hun bijdrage in deze.
Betreft het thema natuurbeheer: De
Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming is in werking
getreden. De verplichtingen volgend uit deze raamwet worden stapsgewijs
ingevuld. De eilanden moeten eilandelijke natuurwetgeving en natuurbeleidsplannen
vast stellen. Een model eilandelijke natuurverordening is aan de eilanden
aangeboden. Sommige eilanden hebben al concept natuurbeleidsplannen gereed,
andere hebben al wettelijk vastgestelde beschermde gebieden. De Nederlandse
Antillen telt inmiddels twee nationale parken "The Quill" op Sint Eustatius
en Saba Marine Park. Voor het Bonaire Marine Park en het Muriel Thissell
Park op Saba zijn de gestelde criteria bijna volledig ingevuld. Op alle
eilanden zijn er nu natuurbeheerorganisaties. De financiering van de activiteiten
van deze organisaties, met name het beheer van de natuur, blijft een zorgpunt.
Betreft het thema draagvlak: dit thema
is tot nu toe geïntegreerd bij de andere thema’s meegenomen. Initiatieven
om milieu en natuur geïntegreerd in de leerplannen van de diverse
scholen te doen opnemen biedt meer soelaas, dan het tot nu toe facultatieve
karakter van milieu- en natuur onderwijs. Wel hebben de afzonderlijke initiatieven
in het onderwijs en initiatieven door de NGO’s hun nut bewezen. Door de
reeds moeizame veranderingen in het onderwijs en het lange traject dat
deze onderwijs vernieuwingen beslaan, is het niet haalbaar om op korte
termijn de structurele opname van milieu en natuur in de diverse leerplannen
te bewerkstelligen. In zijn algemeenheid is er meer aandacht voor milieu
en natuur aangelegenheden, de overheid bij de taakuitvoering, maar ook
het bedrijfsleven houdt in de bedrijfsvoering steeds vaker rekening met
het milieu. Steeds vaker wordt de gemeenschap geïnformeerd over milieu
onderwerpen. Vooral de milieu- en natuurorganisaties zijn aktief op dit
terrein. De media moeten actiever worden ingezet bij het verbreden van
het draagvlak.
Betreft het thema olie: de voortgang
bij deze beleidsprioriteit is gering. Positief is het goed gecoördineerde
toezicht, de controle op de activiteiten van Statia Oil Terminal, en de
naleving van de verplichtingen die volgen uit de vergunning. Het feit dat
de raffinaderij te Curaçao een hindervergunning is verleend is een
stap in de goede richting. De openheid over criteria, emissies en handhaving
verdient de aandacht.
Op wetgevingsgebied is de Landsverordening
Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming in werking getreden, is een model
eilandverordening natuur en een model eilandverordening afvalstoffen opgesteld.
Het concept Landsverordening Grondslagen Milieubeheer heeft weinig voortgang
geboekt.
Het vaststellen van normen en het opzetten
van een milieu-inspectie is niet van de grond gekomen. In de discussie
rond het thema olie is dit onderwerp meegesleurd.
De samenwerking verloopt grotendeels
naar tevredenheid. Op de gebieden onderzoek en het wetgevingstraject, met
name milieuwetgeving, moet de samenwerking worden geïntensiveerd.
Op het financiële front: de centrale
overheid als ook de eilandelijke overheden verkeren in een moeilijke financiële
positie. De geplande financiële inspanningen van de centrale overheid
lijken niet te verwezenlijken. Toch is met de inspanning van velen, centrale
overheid, eilandelijke overheden en NGO’s, nuttig niet-kapitaalintensief
werk verricht. De ter beschikking gestelde samenwerkingsmiddelen in de
vorm van programmafinanciering van het vastgestelde beleid, hebben in belangrijke
mate bijgedragen aan de gerealiseerde voortgang. Het ingestelde coördinatie
mechanisme – het BOM-team - en de werkwijze is een zeer werkbaar instrument
gebleken. Ook het KNAP- en het MINA-fonds hebben hun waarde bewezen. Een
minpunt is de onzekerheid over de continuering van de fondsen. Door de
algehele financiële malaise van het Antilliaanse bedrijfsleven is
het - op een enkele eenmalige bijdrage na - niet gelukt lokaal donateurs
te werven. De bijdragen aan milieu- en natuuractiviteiten van het Wereldnatuur
Fonds, Stichting DOEN, het Prins Bernard Fonds, het Prins Bernhard Natuurfonds
en Reda Social zijn zeer gewaardeerd.
De bezetting van de sectie Milieu en
Natuur is bij het verschijnen van deze nota in vergelijking met de start
van de sectie op sterkte gebleven. Voor het normstellingstraject en de
inspectie moeten hernieuwde inspanningen worden verricht. Op alle eilanden
blijkt het moeilijk te zijn om geschikte kandidaten te vinden voor het
invullen van vacatures. VOMIL heeft het initiatief genomen om JOnge ANtilianen
(JOAN-ers), professionals, te interesseren in milieu en natuurwerk op de
Nederlandse Antillen, door hen direct na de opleiding voor een beperkte
duur, bv. twee jaar, op een of meerdere geselecteerde onderwerpen ervaring
op te laten doen. Deze groep professionals komt lokaal door gebrek aan
ervaring en door het terughoudende personeelsbeleid niet snel aan werk.
De eerste JOAN-er zal als coördinator van het visstandonderzoek op
de Sababank aktief zijn.
14. Aanbevelingen.
Het gaat de goede kant uit met het milieu
en de natuur van de Nederlandse Antillen en er wordt gestaag gewerkt om
de doelen te bereiken. De komende periode wordt op de ingeslagen weg verder
gegaan. Op de volgende onderdelen zal meer nadruk worden gelegd.
De voortgang van het thema afval is
in hoge mate afhankelijk van de beschikking van financiële middelen.
Evenzo geldt dit voor het beheer van de natuur. Er zal naar oplossingen
of alternatieven gezocht moeten worden voor de financiering van deze activiteiten.
De introductie van milieuzorgprogramma’s in de toeristische sector op Sint
Maarten krijgt de komende periode extra aandacht, terwijl de lopende initiatieven
op de andere eilanden nauwlettend gevolgd en gestimuleerd zullen worden.
Het thema olie komt maar moeilijk van de grond. Mogelijk kan bij voortzetting
van een onafhankelijke studie naar de werkelijke kosten en baten van de
huidige situatie, en de financiële consequenties bij gewijzigd beleid,
de discussie gerichter worden gevoerd.
Verbreding van het draagvlak voor milieu
en natuur is van evident belang. In zijn algemeenheid moet het belang van
zorg voor het milieu en de natuur meer worden benadrukt. Het natuurlijke
milieu van onze eilanden is immers een van de belangrijkste trekpleisters
van het toerisme, hetgeen een belangrijke bron van inkomsten voor de Nederlandse
Antillen is. De aansluiting bij de onderwijsvernieuwingen wordt in de gaten
gehouden, maar - realistisch gezien – volgt de structurele opname in leerplannen
het tempo van deze veranderingen. Vooralsnog zal de verbreding van het
draagvlak via het onderwijs niet integraal doch weloverwogen worden voortgezet.
Op een breder vlak moet worden gewerkt
aan de integratie van duurzame ontwikkeling in het dagelijkse handelen.
Niet alleen het maatschappelijke belang van milieu en natuur moet worden
benadrukt, het vereiste kader om dit belang te kunnen implementeren dient
even goed te worden vastgesteld. Het concept van de Landsverordening Grondslagen
Milieubeheer dient te worden afgerond, waarna vervolgens de vaststelling
moet plaats hebben. Van de eilandverordeningen die aan deze raamwet zijn
verbonden, heeft het formuleren van een lozingenverordening de grootste
prioriteit gekregen. Vervolgens zal gewerkt moeten worden aan de normstelling.
Een werkgroep onder voorzitterschap van VOMIL en waaraan alle eilanden
participeren zal voortvarend aan deze taakstelling moeten werken, waarna
de inspectie vervolgens kan worden opgebouwd.
De financiële middelen, de menskracht
en de expertise om het doel, een duurzame toekomst voor de bevolking van
de Nederlandse Antillen te bereiken, zijn in beperkte mate aanwezig. Dit
is de realiteit van Small Island Developing States. De regering en de eilandbesturen
hebben milieu en natuur een steeds prominentere plaats gegeven in het beleid,
maar in de huidige financiële situatie worden andere beleidsonderdelen
belangrijker geacht. Toch is het budget voor milieu- en natuur de afgelopen
periode toegenomen. Maar helaas is de verwachting dat de geplande toename
van dit budget niet zal worden gehaald. De afgelopen periode is met financiële
steun van derden en met de inzet van velen veel bereikt. Deze steun is
onmisbaar gebleken en de verwachting is dat externe hulp de komende periode
nodig blijft.