NOTA
|
|||||||
1. Inleiding"Toerisme, milieu en natuur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden". Met deze zin begint het hoofdstuk "Toerisme" in de nota "Contouren van het Milieu- en Natuurbeleid, 1996-2000", die in september 1996 werd aanvaard door de Raad van Ministers van de Nederlandse Antillen. Het toerisme in relatie tot het milieu en de natuur wordt in die nota benoemd tot een van de vijf prioritaire aandachtsgebieden van het milieubeleid in de periode tot het jaar 2000. Centrale doelstelling binnen het toerisme beleid zoals geformuleerd in de Contourennota is het toerisme in ecologische zin duurzaam maken. Het streven daarbij is dat toerisme zoveel mogelijk in evenwicht is met natuur en milieu. Want alleen in een schone natuurlijke omgeving kan toerisme ook economisch duurzaam zijn. Economie (toerisme) afhankelijk stellen van de ecologie (milieu en natuur), dat is de kern van deze doelstelling. Niet verbazingwekkend, want de toeristen die naar de Nederlandse Antillen komen, kiezen hun vakantiebestemming in toenemende mate vanwege de natuurlijke schoonheid. Zij kiezen de Antillen als hun vakantie bestemming omdat ze hier denken te kunnen rekenen op een rijk gevarieerde en zorgvuldig beschermde natuur en een schoon milieu; zij zijn daar ook in geïnteresseerd en willen daar best iets voor doen of - als dat nog beter is - iets voor laten. Een plicht dus van overheid en burgers om het juiste evenwicht tussen toerisme, milieu en natuur in stand te houden; een plicht ook van de toeristische sector en de toerist zelf om daar een flinke steen aan bij te dragen. Maar welke handvaten zitten er aan deze plicht en welke haken en ogen? Deze vraag stond centraal op de `Conference on Sustainable Tourism for the Netherlands Antilles', die van 11-13 juni 1997 op Sint Maarten en Saba werd gehouden. Voor deze conferentie was een mix van mensen uitgenodigd, die allemaal beroepshalve te maken hebben met hetzij toerisme, hetzij milieu of natuur op de Nederlandse Antillen, maar die eigenlijk nooit eerder de tijd hadden genomen om over de relatie tussen die drie thema's dieper na te denken. Het tastbare resultaat van deze bijzondere conferentie is de "Declaration on Sustainable Tourism for the Netherlands Antilles" (Sint Maarten June 13, 1997), die als een "groene" draad door deze beleidsnota heen loopt: de aanbevelingen uit de declaration zijn in de marge van de relevante pagina's opgenomen. Het niet tastbare resultaat van de conferentie is, dat de verschillende partijen die aan de conferentie deelnamen nu samen overtuigd zijn geraakt van de noodzaak van duurzaam toerisme en dat ook samen op de Nederlandse Antillen willen realiseren. In de Contourennota neemt de Regering zich voor om het beleid op de terreinen van de vijf aandachtsgebieden nader uit te werken. Voor het streven naar duurzaam toerisme, een toerisme in evenwicht met het milieu en de natuur, geschiedt dat in deze nota. Het duurzaam maken van toerisme kent vele kanten; in deze nota worden negen aspecten uitgewerkt. Deze aspecten vereisen voor een succesvolle uitvoering telkens andere partners op lands- maar nog vaker op eilandelijk niveau, binnen en buiten de overheid, partners uit de wereld van de natuurbescherming en uit die van het toerisme. Want de wens van de Regering om samen toe te werken naar een Duurzaam Toerisme voor de Nederlandse Antillen blijft tenslotte zonder de actieve steun van deze partners niet meer dan een wens. In separate bijlagen bij deze nota vindt U het Discussiedocument voor de Conferentie over Duurzaam Toerisme en de Proceedings van deze Conferentie. 2. Gepland toerismeVerspreid over de aarde zijn de trieste bewijzen van ongebreidelde toeristische groei te vinden. Met name een aantal (sub)tropische kusten zijn volgebouwd met betonnen bunkers, die als troosteloze monumenten van wat eens zo veelbelovend leek achterblijven, wanneer de toerist om wat voor reden dan ook besluit voortaan naar een ander land te gaan. Achter die monumenten gaan vaak totaal ontwrichte culturen, een vernietigde natuur en een verwaarloosd milieu schuil. De Nederlandse Antillen moeten uit deze lessen elders lering trekken en niet in de val van de ongebreidelde groei van het toerisme lopen. Het sleutelwoord voor een geregelde duurzame groei is dan ook: planning. schaarse ruimteRuimte is een schaars goed op onze eilanden. Daarom is een goede ruimtelijke planning van essentieel belang voor een wel uitgedachte verdeling van de ruimte over de verschillende gebruiksvormen. Het moge duidelijk zijn dat `natuur' daarbij net zo goed een gebruiksvorm is als `wonen', `industrie' en `toerisme'. Op sommige eilanden is gekozen voor het opstellen van een ruimtelijk ontwikkelingsplan. Zo'n plan staat of valt met een open dialoog tussen overheid en de gebruikers van de ruimte, tijdens de totstandkoming van het plan en met een consequent vasthouden door de overheid aan de eenmaal genomen beslissingen als het plan van kracht is geworden. Op andere eilanden is ruimtelijke planning nog niet aan de orde. Daar zal de Regering processen ondersteunen, die aan een geplande duurzame ontwikkeling kunnen bijdragen. Toerisme neemt in de bestaande plannen een belangrijke plaats in. Dat is niet verwonderlijk, want toerisme behoeft veel ruimte en eist bovendien vaak de mooiste locaties op, bijvoorbeeld direct aan zee. Bovendien moet toerisme flink gescheiden gehouden worden van bijvoorbeeld industriële activiteiten, teneinde belangen-conflicten te voorkomen. Een van de stelregels bij ruimtelijke toeristische planning is: probeer te concentreren in plaats van dun uit te smeren; met name de collectieve voorzieningen in de milieusfeer worden door zo'n concentratiebeleid makkelijker bereikbaar. Bovendien kan er op die manier meer natuur worden gespaard. Want een belangrijke relatie in de ruimtelijke planning is die tussen toerisme en natuur. Toerisme is afhankelijk van de natuur en zal zich graag in een mooie natuurlijke en schone omgeving willen vestigen. Een dergelijk vestigingsbeleid mag echter niet ten koste van unieke en aaneengesloten natuurgebieden gaan. Wanneer er geen eilandelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan bestaat, kan het eilandelijk Natuurbeleidsplan (NBP) een belangrijke bijdrage aan de toeristische planning leveren (datzelfde geldt overigens ook voor eilanden die wel een ontwikkelingsplan kennen). In het afgelopen jaar (1997) zijn deze NBP's, waarin wordt aangegeven welke gebieden als natuurgebied beschermd moeten worden, door de eilanden met steun van de landsoverheid (VOMIL/MINA en via hen het Nederlandse ministerie van LNV) opgesteld. Op Curaçao zal dit nog dit jaar (1998) geschieden. Daarnaast hebben alle eilanden een toeristisch ontwikkelingsplan dat - voorzover het niet een simpele opsomming van de dromen van projectontwikkelaars is - een belangrijk medium voor duurzaam toerisme kan zijn, zeker wanneer in deze plannen natuur en milieu in voldoende mate zijn geïntegreerd. toeristen planningEen andere vorm van planning is het plannen van de soort toerist dat men graag op bezoek zou hebben. Sommige eilanden, zoals Bonaire en Saba hebben daar uitgesproken ideeën over. Op Bonaire bijvoorbeeld - zo vindt de bevolking van dat eiland blijkens uitgebreide inspraak - mag de natuurlijke en culturele integriteit van het eiland niet onder het toerisme lijden. Door het beeld van een mooi, schoon en cultureel sterk ontwikkeld eiland prominent in de presentatie naar de potentiële toerist neer te zetten, verwacht het eiland toeristen aan te trekken, die daar respect voor hebben, zonder dat er op de economische kant van het toerisme behoeft te worden ingeleverd. Dergelijke gemeenschappelijk gedragen visies over de toekomst van een eiland zijn zeer belangrijke bouwstenen voor duurzame ontwikkeling. De Regering zal het tot stand komen van dergelijke ontwikkelingsvisies op eilandelijk niveau dan ook waar mogelijk steunen. grenzen aan de groeiDoor de beperkte ruimte op onze eilanden en door de kwetsbaarheid van de natuur en cultuur is het belangrijk om de toeristische groei binnen de grenzen van de duurzaamheid te houden. Het algemene beeld over onze eilanden is, dat op Curaçao en Sint Eustatius een uitbreiding van de hotelaccomodaties - mits goed gepland en in evenwicht met de natuur ontwikkeld - nog mogelijk is zonder onherroepelijke consequenties voor de duurzame ontwikkeling van deze eilanden. Bij de voorgenomen bouw van nieuwe toeristische accomodatie van enige omvang pleit de Regering overigens voor het uitvoeren van een milieutoets om de gevolgen van een dergelijke ontwikkeling op de natuur en het milieu goed in te schatten en bewust te kunnen minimaliseren. Op Saba en Bonaire - zo is de algemene mening - is het kwantitatieve plafond aan accomodaties bereikt en moet nu worden toegewerkt naar een betere spreiding van de toeristen over het jaar, het verbreden van het pakket aan vrijetijds-bestedingsmogelijkheden en het maximaliseren van de kwaliteit van de bestaande hotelaccomodaties. Op Sint Maarten is de situatie, wanneer deze aan de duurzaamheidscriteria wordt getoetst, zorgwekkend. De verhoudingen tussen beschikbare ruimte en toerisme en die tussen toerisme, natuur en milieu zijn niet in evenwicht en moeilijk zonder ingrijpende saneringen te verbeteren. Op dat eiland zal - omdat bijna alle beschikbare ruimte in feite al is ingenomen - slechts via een intensieve (milieu)kwaliteitsverbetering van de hotelaccomodaties en een zeer stringente bescherming van wat er nog aan natuurlijke waarden over is, enig uitzicht op duurzaamheid kunnen ontstaan. Concreet komen de beleidsvoornemens terzake van gepland toerisme neer op:
3. Te land, ter zee en in de luchtinternationaal en intereilandelijk luchttransportDe Nederlandse Antillen zijn voor hun toerisme afhankelijk van luchttransport: "Zonder vliegtuig geen toerisme op de Nederlandse Antillen". Deze stelling lijkt niet helemaal waar, want er komen toch ook grote cruiseschepen naar met name Sint Maarten en Curaçao en in mindere mate naar Bonaire? Dat is zo, maar ook de passagiers van deze cruiseschepen zijn naar het beginpunt van hun cruisereis gevlogen en zullen aan het einde van hun cruise weer naar huis toe vliegen. Dus ook daarvoor geldt de afhankelijkheid van het luchttransport. De voornaamste milieubelasting die door vliegtuigen wordt veroorzaakt zijn luchtverontreiniging en lawaaioverlast. Daarnaast beleggen landingsbanen kostbare schaarse ruimte op onze eilanden en brengen vliegtuigen afval en afvalwater mee dat netjes moet worden opgeruimd. Wanneer het luchttransport als een conditio sine qua non voor het toerisme op de Nederlandse Antillen wordt geaccepteerd, kan nog steeds wel naar mogelijke verbeteringen ten aanzien van het milieu bij dat luchttransport worden gekeken. Daarbij vallen twee sporen te onderscheiden: ten eerste kan geconstateerd worden dat nieuwe vliegtuigen beter zijn voor het milieu dan oudere. De vliegtuigen van de nieuwe generatie gebruiken minder brandstof dan oudere toestellen; dat leidt weer tot een minder zware atmosferische belasting. Bovendien maakt de nieuwe generatie vliegtuigen aanmerkelijk minder lawaai dan de oudere. De Regering is er dan ook voorstander van om de luchtvloot die de Antillen aandoet, zoveel mogelijk te laten bestaan uit nieuwe generatie toestellen die de atmosfeer minder belasten en minder geluidshinder veroorzaken. Daarnaast moet er in de vliegschema's van de verschillende luchtvaartmaatschappijen naar gestreefd worden om het aantal starts en landingen zo klein mogelijk te houden, aangezien tijdens het landen en opstijgen de meeste brandstof wordt gebruikt en het meeste lawaai wordt geproduceerd. Tussenlandingen door grote vliegtuigen op dicht bij elkaar liggende eilanden, met name Bonaire en Curaçao (en buurland Aruba) dienen te worden voorkomen. Het fijnmazig netwerk tussen die eilanden dient naar de mening van de Regering met kleinere en dus relatief schonere vliegtuigen te worden onderhouden. In het jargon van de luchtvaart wordt dit het "hub and spoke" systeem genoemd. Daarbij moet echter wel de snelle doorverbinding van de "hub" naar de andere eilanden, de "spokes", gegarandeerd zijn en niet als vrijblijvende optie in de lucht blijven hangen. Tenslotte zal de regering actief bevorderen dat de door de luchtvaart veroorzaakte hoeveelheid afval systematisch wordt teruggedrongen en - bijvoorbeeld door voorscheiding - meer dan nu voor hergebruik of gescheiden verwerking in aanmerking komt. Daarbij kan ook gedacht worden aan "groene" catering met biologische produkten en geheel afbreekbare borden, bakjes en bestek. intra-eilandelijk transportVoor wat betreft het eilandelijk transport is de Regering voorstander van verbeteren van het openbaar vervoer op de diverse eilanden en het toegankelijker maken ervan voor toeristen. Dit kan bijvoorbeeld geschieden via een betere voorlichting aan de toerist over de routes en tijden van het openbaar vervoer. Het prominenter aanbieden van het openbaar vervoer aan de toerist past bij het streven naar meer collectieve vervoersvormen versus individuele in de vorm van huurauto's en taxi's. De ongebreidelde groei van het aantal huurauto's en taxi's per eiland moet naar de mening van de Regering worden afgeremd, terwijl het gebruik van alternatieve transport-middelen die het milieu minder belasten dient te worden gepropageerd. Bij deze alternatieven kan bijvoorbeeld verder worden gedacht aan de introductie van elektrische auto's. Deze laatste aanbeveling sluit goed aan bij een nieuwe trend in toerisme die de fiets als vervoermiddel centraal stelt. Concreet komen de beleidsvoornemens terzake van het internationaal en intereilandelijk luchttransport en het intra-eilandelijk transport neer op:
Het cruisetoerisme maakt wereldwijd een explosieve groei door waarbij het Caribisch gebied wereldwijd het meest in trek is. Niet alleen komen er steeds meer cruiseschepen in de vaart, ze worden ook groter en vervoeren meer passagiers. Het belangrijkste seizoen voor het cruisetoerisme is de winter op het Noordelijk halfrond wanneer Amerikanen en Europeanen in onze streken de zon komen opzoeken. Alhoewel het cruisetoerisme zo op het eerste gezicht wellicht een weinig milieubelastende vorm van toerisme is, zijn toch ook aan deze vorm van toerisme consequenties voor het milieu verbonden. Zo vereist het scheepgaan op een cruiseschip een verplaatsing heen en terug per vliegtuig; op de milieugevolgen van het vliegverkeer werd in hoofdstuk 3 al ingegaan. Daarnaast produceren cruiseschepen afval en afvalwater dat op gezette tijden van boord moet. Alhoewel de nieuwste generatie schepen al afvalwaterzuiveringsinstallaties aan boord heeft, is dat bij de wat oudere schepen nog niet het geval. De schaarse afvalwaterverwerkingscapaciteit op onze eilanden is in feite niet in staat om deze extra stroom zorgvuldig aan te kunnen. Een soortgelijke situatie geldt voor het afval dat net als het afval dat op de eilanden is ontstaan, wordt gedumpt op de landfills. Het zelfverwerken van afvalwater en het beperken, scheiden en waar mogelijk hergebruiken van afvalwater en afval op cruiseschepen dient dan ook te worden gepropageerd. Ten behoeve van schepen waarop het verwerken van afval(water) technisch niet haalbaar is, dienen de bestaande havenontvangstinstallaties voor afval(water) in de diverse havens op de eilanden te worden geoptimaliseerd conform de eisen van het MARPOL verdrag. Verder is het relevant om te bezien of niet - liefst in internationaal verband - kan worden toegewerkt naar het verlagen van de zwavelgehaltes in de door cruiseschepen gestookte bunker. Een dergelijke verlaging van het zwavelgehalte - die bijvoorbeeld op de Noordzee al voor alle schepen verplicht is - kan een forse bijdrage leveren aan de verlaging van de atmosferische belasting in het Caribisch gebied. Met de groei van het cruisetoerisme en toename van de omvang van de schepen en het aantal passagiers is er een sterke roep naar een uitbreiding van de afmeer- en ontschepingscapaciteit voor cruiseschepen, de megapieren. Dergelijke grote infrastructurele werken dienen naar de mening van de Regering vooraf op hun milieugevolgen te worden getoetst en op een plek en wijze te worden gebouwd, dat zij de natuur minimaal belasten. Door toegangsgelden te betalen voor het bezoeken van beschermde natuur kunnen cruisetoeristen tenslotte ook in positieve zin bijdragen aan de kosten voor het natuurbeheer. Concreet komen de beleidsvoornemens ten aanzien van cruiseschepen en het milieu neer op:
5. Het "groene" hotelDe hotels op de Nederlandse Antillen zijn - op een enkele uitzondering na - niet milieuvriendelijk. Een aantal hotels is gebouwd in een tijd dat milieu nog geen factor van betekenis was en zelfs in de nieuwere hotels is veel te weinig aandacht aan het milieu besteed. In bijna alle gevallen wordt in hotels te weinig gedaan aan afvalwaterzuivering, aan afvalpreventie en verwerking en aan besparing van water en energie. Dit betekent dat de hotels een constante belasting voor het milieu en de omliggende (onderwater) natuur opleveren. Deze constatering heeft niet alleen consequenties voor natuur en milieu, maar evenzo vergaande economische consequenties, wanneer beseft wordt dat in de zeer nabije toekomst de mate waarin een hotel aan de milieu-eisen voldoet, zal bepalen of dit hotel wel of niet in de brochures van de grote Europese touroperators wordt opgenomen. Dit besef dringt echter veel te langzaam tot de hotels door, waarschijnlijk omdat een nog grotere prioriteit, het economisch overleven van de dag van vandaag, meer in de aandacht staat. (In feite is dit een beeld van afweging van korte termijn belangen tegen die op lange termijn, geen vreemd fenomeen bij het streven naar duurzame ontwikkeling). Een voorbeeld van een pakket aan milieukwaliteitseisen voor hotels wordt geleverd door de grootste touroperator van Europa, TUI. De Regering zal al het mogelijke doen om de hotelsector te overtuigen van de noodzaak om in milieusparende maatregelen te investeren. Gezocht zal worden naar financieringsmogelijkheden en andere ondersteunende maatregelen om de noodzakelijke inhaalslag op milieugebied voor de hotels snel te realiseren. Een van die financiële faciliteiten is de mogelijkheid om tegen een aantrekkelijk rentetarief bij Nederlandse Groenfondsen geld te lenen voor het milieuvriendelijk maken van het hotel. Concreet stelt deze Groenfondsenregeling de hotels in de gelegenheid om goedkoper geld te lenen voor investeringen in onder andere wind- en zonne-energie. In een aantal pilotprojecten, die zijn uitgevoerd met steun van het MINA fonds van VOMIL, is bewezen dat besparende maatregelen ten aanzien van het gebruik van water en elektra in hotels zich bijzonder snel terug verdienen en daarna een blijvende besparing voor zowel het milieu als het hotelbudget oplevert. Op het gebied van energieproductie is de Regering voorstander van een aan het net gekoppeld systeem van decentrale milieuvriendelijke energieopwekkingsinstallaties. Een dergelijk systeem maakt het mogelijk om per hotel of groep hotels milieuvriendelijk (en vaak goedkoper) energie op te wekken en tegelijkertijd een bijdrage te leveren aan de energiezekerheid per eiland.
De Regering bepleit de spoedige instelling van milieucommissies onder de diverse eilandelijke hotel organisaties, die tot taak hebben de informatie over het milieuvriendelijk maken van hotels tussen de hotels te faciliteren. Voor nieuwe hotelprojecten dringt de Regering aan op het hanteren van strenge milieu-eisen. Concreet komen de beleidsvoornemens ten aanzien van het milieuvriendelijk maken van hotels neer op:
Een belangrijke plaats in de toeristische presentatie van onze eilanden wordt maar al te vaak ingenomen door het tropische strand. Op de keper beschouwd hebben de Nederlandse Antillen - in tegenstelling tot bijvoorbeeld buurland Aruba - weinig strand en helemaal weinig natuurlijk strand, althans wanneer het begrip strand tot zandstrand wordt beperkt. Er zijn zelfs eilanden zoals Saba die helemaal geen zandstrand hebben en slechts een paar maanden per jaar over een kiezelstrand kunnen beschikken. Gelukkig compenseren deze strandarme eilanden dit gemis met een prachtige groene en biologische diverse natuur. Wanneer de tendensen in het internationale toerisme zich doorzetten zou het overigens wel eens kunnen zijn dat het huidige gebruik van zandstranden als zonnebanken drastisch gaat veranderen. Met name de invloed van zonnestralen op de huid zal een toenemend punt van aandacht blijken, terwijl toch de waterkant zal blijven trekken. Gevolg zal zijn dat schaduw op het strand een nieuw "selling point" zal gaan worden. Schaduwrijke stranden in plaats van zonnige stranden dus. Stranden vormen de overgang tussen land en water en zijn daarom mede voor de natuur van groot belang; de zeeschildpad legt op het strand haar eieren; ook strandvogels leggen er hun eieren en trekvogels gebruiken het strand als springplank voor hun verre jaarlijkse reizen. Daarom moet het toerisme zorgvuldig met deze biologisch belangrijke zone omspringen en zoveel mogelijk rust garanderen en verstoringen voorkomen. Voor het garanderen van deze rust in de ongerept natuurlijke staat, kan het van belang zijn om bepaalde stranden als natuurgebied te bestempelen en als zodanig te beheren. Vaak zijn onze stranden door de mens gemaakt of `verbeterd'. Dergelijke kunstmatige stranden hebben alles van een ecologische ramp in zich, een helaas maar al te vaak bewezen stelling. Zandafzetting in de vorm van een natuurlijk strand treedt namelijk alleen dan op wanneer er voldoende natuurlijke aanvoer van zand is en het samenspel van golven en stroming zulks toelaat. Kunstmatige stranden hebben die ideale combinatie meestal niet (anders waren het wel natuurlijke stranden geweest) en dan leidt zandsuppletie vaak tot het spoedig wegspoelen van het zand, met alle gevolgen van dien. Bekend is de schade die zand in verstikkende zin op het koraal veroorzaakt. De Regering pleit voor het uitvoeren van een milieutoets voorafgaand aan kunstmatige aanleg of strandverhoging. Een ander Antillenwijd probleem is de kwestie van openbare toegankelijkheid. De Regering respecteert en ondersteunt de wens van de kusthotels om hun gasten een rustig en veilig verblijf op het strand te garanderen; echter niet ten koste van de openbaarheid van het strand. In een constructieve dialoog met eilandsbestuurders zal gezocht moeten worden naar een beheersregime waarbij zowel de rust en de veiligheid van de hotelgast en toerist gewaarborgd wordt, als tegelijkertijd de vrije toegang van de bewoners van de eilanden wordt gegarandeerd. Vrije toegang betekent overigens in de opvatting van de Regering dat wel degelijk een vergoeding voor geleverde faciliteiten op en om het strand - zoals bewaakte parkeerfaciliteiten, schone wc's en schaduw - kan worden geheven. Deze gevoelige problematiek verdient de aandacht van het bestuur van Land en eilanden, vooral ook omdat eigendom en beheer van - en zeggenschap over de "stranden der zee" nogal grillig tussen land, eiland en particulieren is geregeld. Concreet beveelt de Regering dan ook aan om het strandenbeleid in een dialoog met de eilanden in een notitie nader uit te werken. Concreet komen de beleidsvoornemens terzake van de stranden neer op:
Het beeld van ongereptheid van de natuurlijke wereld boven en onder water trekt jaarlijks honderdduizenden bezoekers uit alle windstreken naar onze eilanden. Hier aangekomen verwachten zij een toegankelijke en goed beheerde natuur, waarin zij als toerist - natuurlijk onder bepaalde voorwaarden - naar hartelust kunnen recreëren. Het natuurbeleid van de regering loopt in grote lijnen parallel met deze toeristische wens. De regering streeft naar het veiligstellen van grote stukken natuur op de eilanden om deze vervolgens goed te beheren en voor bezoekers toegankelijk te maken. Door een intensivering van dit beleid in de afgelopen jaren, zijn de Nederlandse Antillen, geholpen door de eilandelijke natuurbeschermingsorganisaties redelijk in dit streven geslaagd. Dat geldt zowel voor de natuur onder als boven water. Ieder eiland heeft inmiddels een Marien Park (of is ver gevorderd bij de realisatie hiervan), terwijl ook het areaal aan beschermde natuurgebieden op de eilanden aanzienlijk is uitgebreid. Een aantal van deze gebieden is op weg om de status van Nationaal Park te verkrijgen, waaraan de criteria `voldoende omvang in relatie tot uitzonderlijke biodiversiteit', `wettelijke bescherming' en een `goed beheer' ten grondslag liggen. Toch missen er in de natuurpuzzel op de eilanden van de Nederlandse Antillen nog een aantal belangrijke stukken. Zo heeft Sint Maarten nog geen beschermde natuurgebieden en wordt op Curaçao uitgekeken naar een voor alle partijen bevredigende duurzame en natuurlijke toekomst van Oostpunt. Ook voor wat betreft de andere plantages op dit eiland geldt dat het begrip `duurzaam' naar de mening van de Regering aan de toeristische ontwikkeling ten grondslag dient te liggen, teneinde zoveel mogelijk van de natuurlijke waarden te behouden. Het ontwikkelen van het eilandelijke natuurbeleid en -beheer wordt door de Regering op systematische wijze gesteund. Alle eilanden hebben in het afgelopen jaar (1997) -met steun via de Landsoverheid en vooruitlopend op de wettelijke plicht daartoe in de inmiddels aangenomen Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming - een natuurbeleidsplan opgesteld en dat inmiddels aan de diverse Bestuurscolleges ter goedkeuring voorgelegd. In deze plannen wordt aangegeven welke gebieden als natuurgebied kwalificeren en welke beheersvorm daar vervolgens aan verbonden dient te worden. Curaçao loopt in deze planningscyclus iets achter, maar zal naar verwachting in 1998 alsnog met een natuurbeleidsplan volgen. Wanneer de vijf plannen gereed zijn, zal daaruit vervolgens een Nationaal Natuurbeleidsplan worden opgesteld. Op eilandsniveau zal vervolgens worden geassisteerd bij het opstellen van beheersplannen per beschermd gebied. De relatie tussen toerisme en natuur vormt een belangrijk onderdeel in deze plannen. Zo zullen de beheersplannen specifiek aandacht besteden aan de draagkracht van de in dat gebied aanwezige natuur. Draagkracht wil zeggen dat de natuurlijke factoren bepalen hoe groot de druk op dat gebied maximaal kan zijn. Overschrijding van de draagkracht leidt onherroepelijk tot verarming van de natuur. Aangezien de natuur op onze kleine eilanden al relatief kwetsbaar is, is het zaak de draagkracht van de natuur scherp in de gaten te houden. Dit draagkrachtprincipe is een belangrijk gegeven bij het bepalen van bezoekers aantallen, waarbij niet moet worden geschroomd om bij dreigende overschrijding van de draagkracht, bezoekersaantallen te limiteren. Het toerisme heeft naast de gesignaleerde potentieel negatieve impact op de natuur, ook een positieve kant: het toerisme kan namelijk in belangrijke mate financieel bijdragen aan het natuurbeheer. In sommige beschermde gebieden op de Antillen wordt de rekening van het beheer nagenoeg in zijn totaliteit betaald vanuit entreegelden van bezoekers. Helaas is dit met name voor de minder druk bezochte natuurgebieden, bijvoorbeeld op Statia, geen haalbare kaart. In dergelijke gevallen zal de overheid er niet aan ontkomen om blijvend bij te dragen in de kosten van het natuurbeheer. Tenslotte is het van groot belang om de toerist goed over de natuur te informeren. Dat heeft als groot voordeel dat hij door zijn betere begrip bij zijn bezoeken aan de natuur minder ongewilde schade veroorzaakt. Ook voor wat betreft deze bezoekers- voorlichting is net als bij het natuurbeheer een belangrijke rol weggelegd voor de verschillende particuliere natuurbeschermings-organisaties aan wie op de eilanden het feitelijk beheer van de natuur is gedelegeerd. Concreet komen de beleidsvoornemens ten aanzien van "Toerisme en natuur" neer op:
Mensen op vakantie verwennen zichzelf graag, onder meer door lekker uit eten te gaan. Of dat nu is in het hotel waar zij slapen of buiten de deur in een restaurant elders op het eiland: "uit eten is in". Natuurlijk laten de restaurants zich van hun beste kant zien en presenteren graag de speciale gerechten van de Caribbean, gerechten die hun oorsprong vinden op de eilanden en in de zee daaromheen. Het vinden van voldoende geschikte etenswaren op of rondom het eiland is echter niet altijd even gemakkelijk: op het gebied van tuinbouw en veeteelt is de eigen productie niet erg hoog, zodat veel etenswaar moet worden ingevoerd. Aan deze invoer zitten hoge vrachtkosten vast, terwijl het transport zelf en het achterblijvende verpakkingsmateriaal een extra druk op het milieu leggen. Beter ware het natuurlijk om de eigen eilandelijke tuinbouw- en veeteeltproductie op te voeren tot een niveau van zelfvoorzienendheid, niet alleen ten behoeve van de eigen eilandsbehoeften maar ook voor die van de bezoekende toeristen. Op Sint Eustatius, het eiland met de rijkste landbouwgeschiedenis, heeft men dit proces van streven naar zelfvoorziening inmiddels ingezet onder het motto "Produce to Reduce": produceer zelf om de kosten en de milieubelasting van geïmporteerde tuinbouw en veeteeltprodukten omlaag te brengen naar een duurzaam niveau. Dit streven wordt door de regering onderschreven en waar mogelijk op alle eilanden gesteund. Verder moet worden voorkomen dat het consumeren van wilde soorten planten of dieren tot bedreiging in het voortbestaan van de betreffende soorten leidt. Voorbeelden hiervan zijn de kadushi en de leguaan, die echter niet alleen lijden onder de druk van de consumptie, maar ook door ruimtelijke ontwikkelingen hun leefgebied steeds kleiner zien worden. Voorgesteld wordt om ten aanzien van deze soorten een inventarisatie en monitoring toe te passen die het mogelijk maakt vroegtijdig in te grijpen wanneer het voortbestaan in gevaar komt. Visserij is een onderontwikkelde sector op de Nederlandse Antillen. Waarschijnlijk mede daarom wordt de visstand in onze wateren in zijn algemeenheid niet bedreigd. Daar zijn echter een aantal uitzonderingen op, te weten: de queen conch, karko oftewel de Strombus Gigas, de zeeschildpad, de lobster en de grouper. Deze vier soorten worden zo intensief bevist dat maatregelen om blijvende schade aan het voortbestaan van populaties of de soort in het algemeen te beperken niet kunnen uitblijven. Ten aanzien van de karko geldt, dat deze soort internationaal dermate in aantal achteruit is gegaan dat hij met uitsterven wordt bedreigd. Daarom is de karko op de zogenaamde lijst 2 van het CITESverdrag geplaatst. Dat wil zeggen dat de karko zonder voorafgaande toestemming niet meer internationaal verhandeld mag worden. En deze toestemming mag pas worden verleend voor karko afkomstig uit de wateren van de Nederlandse Antillen, wanneer bewezen wordt dat onze Antilliaanse karkopopulaties zich hebben hersteld en vangstquota zijn vastgesteld. Dit wetenschappelijk onderzoek zal door de overheid worden geëntameerd. Aan de hand van de uitkomsten zullen verder aanbevelingen worden gedaan. In afwachting van de uitkomsten van dit onderzoek zal ter verlichting van de druk op de karkopopulaties in de wateren van de Nederlandse Antillen via een gerichte voorlichtingscampagne richting hotels en restaurants in ieder geval het plaatsen van de karko op het menu van de toerist worden ontmoedigd. Ten aanzien van de zeeschildpad bepleit de regering de instelling van een algemeen vangstverbod, zoals dat op een aantal eilanden al realiteit is. Om effectief te zijn dient een dergelijk vangstverbod echter nauwgezet te worden gecontroleerd. De lobster is het derde zeedier dat vanwege dreigende overconsumptie onze aandacht verdient. Daarvoor geldt dat de regering pleit voor eilandelijke regels die het vangen van vrouwtjes-kreeften en het vangen van kreeft in seizoenen dat zij hun eieren leggen aan beperkingen onderwerpen. De groupers tenslotte, zijn territoriale standvissen die van nature in beperkte aantallen voorkomen. Bovendien zijn het vissen die van geslacht veranderen, zodat slechts de grote exemplaren van het mannelijk geslacht zijn. Zij zijn daardoor zeer gevoelig voor overbevissing. Op een aantal eilanden zijn de grouperpopulaties door overbevissing vrijwel verdwenen. De regering pleit voor eilandelijke regels voor de visserij die o.a. vangst van te kleine en juist te grote groupers, evenals de vangst tijdens het broedseizoen, aan beperkingen onderwerpt. Waakzaamheid ten aanzien van de visserij blijft echter geboden; door het verlenen van visvergunningen aan buitenlandse vissers of via andere constructies die het vissen met grote schepen in onze wateren legaliseren, kunnen kwetsbare evenwichten onderwater makkelijk worden verstoord. Dat geldt met name voor de Saba Bank waarvoor de Regering de opstelling van een integraal beheersplan bepleit; daarin moeten natuurbeheer, het duurzaam gebruik door de visserij en het toerisme worden geregeld. Concrete beleidsvoornemens in relatie tot "de natuur op tafel" zijn:
Toeristen hebben de neiging iets tastbaars van hun vakantie mee te willen nemen. Om thuis nog eens terug te kunnen denken aan die fijne vakantie of om aan de thuisblijvers iets cadeau te kunnen doen. Veel van deze souvenirs vinden hun oorsprong in de natuur: levende dan wel dode planten of dieren of onderdelen daarvan. Dat is precies het soort souvenirs waar het Verdrag inzake de Internationale Handel in bedreigde Plant- en Diersoorten (CITES) betrekking op heeft. Door het aannemen van de Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer en -bescherming in de Statenvergadering van 12 december 1997, ligt de weg nu open voor het lidmaatschap van de Nederlandse Antillen bij het CITES verdrag; inmiddels is de procedure daartoe opgestart. De facto werd door het CITES-bureau bij de sectie Milieu en Natuur (MINA) van VOMIL reeds aan de verdragsrechtelijke verplichting voldaan, door toe te zien op de handel in planten en dieren en door in voorkomende gevallen ontheffing van het verbod op de internationale handel te verlenen. Deze functie wordt nu geformaliseerd en versterkt, terwijl voor de wetenschappelijke ondersteuning een eilandelijk netwerk van CITES-adviseurs wordt opgezet. Ook de douane en de kustwacht, die beide een belangrijke rol bij de controle op de naleving spelen, zullen beter op hun controlerende taak worden toegerust. Het is echter van groot belang om de souvenirhandel ervan te overtuigen dat het uitverkopen van onze natuur geen duurzame weg is. Hoe onschuldig schelpjes of stukjes koraal als souvenir ook lijken, het weghalen ervan leidt tot een natuurlijke erosie, die door de kwetsbaarheid van de natuur op onze eilanden nog harder aankomt. Veel beter zou het zijn om van duurzame materialen replica's van soorten te maken of om onze natuur op duurzame gebruiksvoorwerpen af te beelden. Via een gericht voorlichtingsbeleid zal de souvenirsector van deze denkbeelden van de overheid deelgenoot gemaakt worden. De toerist tenslotte speelt eveneens een belangrijke rol; hij is het immers die de souvenirs uit de natuur verzamelt of koopt en meeneemt. Door middel van een betere voorlichting aan de toerist zal worden gestreefd naar een bewuste afname van de vraag naar natuurlijke souvenirs. Concreet komen de beleidsvoornemens in relatie tot de "souvenirs van een natuur" neer op:
Voor het realiseren van (een) duurzaam toerisme op de Nederlandse Antillen zijn communicatie, educatie en voorlichting van het allergrootste belang. De uitleg van het begrip `duurzaam' bijvoorbeeld, bepaalt hoe de verschillende partners daarmee aan de slag zullen gaan. Een eerste stap in de communicatie over duurzaam toerisme werd gezet door de conferentie die in juni 1997 met een groot aantal partners door VOMIL/MINA over dat thema op Sint Maarten en Saba werd georganiseerd. Aanbevolen wordt om een dergelijke conferentie regelmatig, in ieder geval iedere twee jaar, te organiseren, teneinde het succes van het duurzaam toerisme-beleid en de op basis daarvan ondernomen activiteiten te evalueren en tussen de partners te laten bespreken. Wanneer hier over partners wordt gesproken, dan worden de verschillende doelgroepen bedoeld, die stuk voor stuk een belangrijke rol in het realiseren van het duurzaam toerisme-beleid kunnen spelen. Onderscheiden kunnen worden:
allemaal potentiële partners in duurzaam toerisme, mits op de juiste wijze erbij betrokken. In de diverse voorgaande hoofdstukken wordt op verschillende plaatsen al gesteld dat het gericht voorlichten van bepaalde doelgroepen een belangrijke middel is om de gestelde doelen te bereiken. Die voornemens zullen hieronder niet nogmaals stuk voor stuk worden herhaald maar zijn samengevat weergegeven. Concreet komen de beleidsvoornemens inzake communicatie, educatie, voorlichting en participatie over duurzaam toerisme neer op:
|
|||||||
|
Declaration on Sustainable Tourism for the Netherlands Antilles
The Experts on Planning, Tourism Development and Environment from the Central Government and the five Islands of the Netherlands Antilles, from the Netherlands, Aruba and regional organizations, Gathered in a Conference on Sustainable Tourism for the Netherlands Antilles that was held in Sint Maarten and Saba from 11-13 June 1997, In their effort to secure a sustainable tourism development for the Netherlands Antilles in which the economic and social needs will be fulfilled, while maintaining cultural integrity, essential ecological processes, biological diversity and life support systems, Have formulated and agreed upon the following points of departure for a National Policy on Sustainable Tourism for the Netherlands Antilles: |
|||||||
|
|||||||
|
|||||||
|
|||||||
|
|||||||
|
|||||||
|
|||||||
|
|||||||
|
|||||||
|
|||||||
|
|
|||||||