BIJEENKOMST PLATFORM NATUUR NEDERLANDSE ANTILLEN Bonaire 2-4 oktober, 1996 PROCEEDINGS |
|||
|
I. SPEECH GEDEPT. MILIEU EN NATUUR BONAIRE, R.CH.M. BEUKENBOOM II. SPEECH MINISTER VAN VOMIL, MW. B. DORAN-SCOOP III. SPEECH ERIK VAN ZADELHOFF: BIOLOGISCHE CRITERIA IV. SPEECH JEFF SYBESMA: JURIDISCH INSTRUMENTARIUM V. SPEECH TOM VAN 'T HOF: VEILIGSTELLEN EN BEHEER DOOR NGO'S VI: INLEIDING MIRIAM JONKER: HET VEILIGSTELLEN VAN NATUURGEBIEDEN; DE R.O. INVALSHOEK VII: INLEIDING DOLFI DEBROT: HET VEILIGSTELLEN VAN NATUURGEBIEDEN: DE NATUURINVALSHOEK VIII: SPEECH KALLI DE MEYER: MARINE PARK MANAGEMENT
PROCEEDINGS I. SPEECH GEDEPT. MILIEU EN NATUUR BONAIRE, R.CH.M. BEUKENBOOM
Mevrouw minister Doran-Scoop, deelnemers aan deze platformvergadering vanuit het gehele koninkrijk, welkom op Bonaire. Ik hoop dat dit platform zal bijdragen tot verdere informatie uitwisseling over het natuurbeheer van ons land en tot effectieve samenwerking op dit gebied binnen het koninkrijk. Het algemeen beleid van het bestuur van het eilandgebied Bonaire is gericht op versterking en verbetering van de leefkwaliteit van de burgers. Om dit te bereiken is het noodzakelijk dat Bonaire een gestage, evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling doorgaat zodat al haar burgers zich de middelen kunnen verschaffen om gezamenlijk het doel te bereiken. Daar deze middelen op zich niet het doel zijn, dient bij deze ontwikkeling zorg gedragen te worden dat tegelijkertijd gunstige, fysische en culturele, kenmerken van het eiland en haar gemeenschap niet verloren gaan. Vanwege dit laatste is het behoud van de natuur op zich al belangrijk. Zonder de haar kenmerkende natuurelementen is Bonaire niet meer Bonaire. Het is duidelijk dat het natuurbeheer een belangrijke rol speelt in de ontwikkeling van Bonaire, niet alleen voor het behoud van de natuurlijke elementen van Bonaire, maar ook ten behoeve van de ontwikkeling zelf. Per slot van rekening vormen de natuurlijke hulpbronnen een belangrijke basis van de economie. Eigenlijk is dit overal ter wereld het geval, maar vooral op Bonaire zeer duidelijk. Toerisme is de belangrijkste economische sector en het toerisme op Bonaire is voor een groot deel gebaseerd op de natuur. Investeringen in het natuurbeheer zijn hier dus niet alleen investeringen met een sociale of culturele achtergrond, maar ook investeringen met een duidelijk economisch rendement. Wel is het zo dat, gezien de aard van deze investering deze meestal op de publieke sector valt en op Bonaire heeft de overheidsbegroting weinig armslag voor grotere investeringen. Tot op zekere hoogte kan er een directe terugkoppeling zijn tussen de kosten van het natuurbeheer en de gebruikers. Het voorbeeld hiervan is het onderwaterpark, waar alle duikers, en binnenkort ook andere gebruikers, bijdragen aan de kosten. Maar grotere investeringen lijken op schouders van de eilandelijke overheid te vallen. Een voorbeeld hiervan is het geval van Klein Bonaire. Nu de verordening voor de ruimtelijke ontwikkeling door de eilandsraad is aangenomen, dient er nu gewerkt te worden aan een eilandelijk ontwikkelingsplan - een EOP. Geen enkele verantwoordelijke overheid kan anders dan in dit EOP, Klein Bonaire aanmerken als conserveringsgebied. De argumenten hiervoor zijn legio:
Verder zijn er nog argumenten van sociaal-economische aard, waardoor ontwikkeling van Klein Bonaire niet toegestaan kan worden. Niet alleen vanwege de huidige oververhitting van de ontwikkeling, maar ook zal het de vraag zijn in hoeverre ontwikkeling van Klein Bonaire zal kunnen bijdragen tot de versterking van het welzijn van de bevolking, gezien de logistieke problemen die ermee gemoeid zijn, waardoor de kans groot is dat het een afgezonderd project zal worden. Daarbij is een gemakkelijk bereikbaar onbewoond eiland van ongekende toeristische waarde. Het algemeen belang dwingt een ongerept Klein Bonaire af. Klein Bonaire is echter grotendeels in particuliere handen en wel van een vennootschap dat de ontwikkeling van het eiland juist als doel heeft. Aanwijzing van Klein Bonaire als conserveringsgebied in het EOP zal tot gevolg kunnen hebben dat het eilandgebied gedwongen wordt tot schadeloosstelling van het vennootschap van de door haar gedane investering, hetgeen uiteraard gepaard zal moeten gaan met eigendomsoverdracht. Het zal voor het eilandgebied, gezien haar beperkte financiële armslag, niet gemakkelijk zijn om hieraan te voldoen; hoewel dit geen reden mag zijn om de aanwijzing tot conserveringsgebied na te laten. Het is dus duidelijk dat het eilandgebied niet alleen kan zorg dragen voor het veiligstellen van Klein Bonaire. De landsoverheid en de rijksoverheid, beiden mede verantwoordelijk vanwege het verdrag van Ramsar, zouden het eilandgebied Bonaire moeten steunen in het uitvoeren van haar verplichtingen en helpen om middelen te vinden om die mogelijke schadeloosstelling, ofwel de facto aankoop van Klein Bonaire, te financieren. Rechtshulp en een automatische garantiestelling voor schadeloosstelling voortvloeiend uit het aanwijzen van nationaal belangrijke gebieden als conserveringsgebied in het EOP is in feite op haar plaats. Dit zal kunnen voorkomen dat een eilandsbestuur om financiele redenen gedwongen zal worden om een compromis te vinden bij het opstellen van een EOP. Hoewel ik hierboven gesteld heb dat grotere investeringen in het natuurbeheer al gauw een publiek karakter hebben, wil dit niet zeggen dat er geen rol hierbij is weggelegd voor particulieren. Bestuur wordt gevormd door politiek en politiek is afhankelijk van de publieke opinie. Particulieren en particuliere instanties dienen de “druk op de ketel” te houden en het bestuur zo te ondersteunen in acties ten behoeve van de natuur. Dit moet niet alleen gebeuren met woorden, maar vooral ook met daden - die hebben het meeste effect. Internationale, rationele en lokale organisaties kunnen een financiële bijdragen leveren, maar ook informatie en ideeën aandragen. Met genoegen zie ik dat bij deze bijeenkomst vele particuliere organisaties vertegenwoordigd zijn die bereid zijn dit werk op zich te nemen. Vanwege boven genoemd probleem appreciëren wij met name dat recentelijk de Stichting STAAN en de Stichting voor het behoud van Klein Bonaire zijn opgericht. Wij hopen met hen, met de andere particuliere organisaties, met de lands- en rijksoverheden te komen tot een ,,public - private partnership for the preservation of Klein Bonaire". Vooruitlopend op het EOP kan er nu al actie ondernomen worden die in de toekomst rechtsgang en vertraging van het vaststellen van het EOP, dat ook belangrijk is voor andere gebieden, kan voorkomen. Tijdige aankoop van Klein Bonaire door een instantie die het behoud van haar natuurlijke waarden als doel heeft, zal uiteindelijk voor alle partijen de meest gunstige en zekere oplossing zijn. Mijn dank voor Uw aandacht.
II. SPEECH MINISTER VAN VOMIL, MW. B. DORAN-SCOOP Gedeputeerde Beukenboom, dames en heren natuurbeschermers, Het is mij een genoegen om hier voor u te staan en enkele woorden tot u te mogen richten bij de opening van deze Bijeenkomst Platform Natuur. Ik wil allereerst beginnen met gedeputeerde Beukenboom te bedanken voor de gastvrijheid die wij hier altijd weer mogen ontvangen op het eiland Bonaire. Niet alleen de gastvrijheid, maar ook de wetenschap dat dit eiland al jaren serieus bezig is om haar natuur in al haar facetten te beschermen, heeft ons doen besluiten deze bijeenkomst op dit eiland te organiseren. De Platform Natuur Bijeenkomsten, waarvan deze de tweede is, zijn voortgekomen uit de samenwerkingsovereenkomst die op ambtelijk niveau in 1994 werd gesloten tussen het departement VOMIL en het Ministerie Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) in Nederland. Deze samenwerkingsovereenkomst tracht gezamenlijk invulling te geven aan de volgende zaken:
Naast de aanwezigheid van expertise uit Nederland, getuigt de aanwezigheid van zoveel deelnemers van alle eilandgebieden van de Nederlandse Antillen, en zelfs uit Aruba, afkomstig uit diverse invalshoeken binnen de overheid, maar ook de niet-overheid de zogenaamde NGO's, van een grote interesse op dit gebied en van het belang van afstemming en samenwerking op het gebied van natuurbescherming. Als minister belast met het milieu van de Nederlandse Antillen wil ik een moment stilstaan bij het beleid dat ik voor ogen heb voor ons land wat betreft natuurbescherming en -beheer. Ik wil beginnen met een klein stukje terug te gaan in de tijd en wel tot het jaar 1992. De Rio Conferentie over milieu en ontwikkeling, waar als Antillen we met een grote delegatie aan hebben geparticipeerd, is voor ons alien namelijk min of meer het startpunt geweest van een belangrijk bewustwordingsproces waarbij we ons realiseerden dat de natuur niet onbeperkt gebruikt kan worden. Of anders gezegd, Rio vormt het beginpunt van de uitvoering van een wereldbeleid dat als uitgangspunt heeft het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen bij de economische en maatschappelijk ontwikkeling van de wereld. Een duurzame ontwikkeling derhalve. In ons streven om een veilige toekomst te garanderen voor onszelf maar ook ons nageslacht tasten wij de grenzen af van de draagkracht van het milieu en de natuur, maar overschrijden deze niet. Ook de Nederlandse Antillen volgen dit spoor en de uitwerking ervan vindt nu plaats. Daarbij zijn we ons bijzonder bewust van de extra moeilijkheid voor kleine eilandelijke staten als de onze door de specifieke geografische, sociale en economische kenmerken zoals vastgesteld tijdens de bijeenkomst van 'small island developing states' (SIDS) in 1993 en waar ook de Antillen aan hebben geparticipeerd. Bij de uitvoering van een duurzame ontwikkeling worden op milieu- en natuurgebied worden verschillende sporen gevolgd. Welke deze zijn kan worden gelezen in de recentelijk uitgegeven nota "contouren milieu en natuurbeleid Nederlandse Antillen 1996-2000". Voor vandaag is het spoor dat ter discussie staat uiteraard de natuur van de Nederlandse Antillen en in het bijzonder de bescherming van ecosystemen. De bescherming van soorten planten en dieren is namelijk onmogelijk zonder dat ook de habitat of leefomgeving van de diverse soorten beschermd wordt. Dat houdt in dat stukken natuur die niet of nauwelijks zijn aangetast door menselijke activiteiten opzij moeten worden gezet en beschermd tegen deze menselijke activiteiten om te garanderen dat de soorten die hierin leven ongestoord kunnen verder leven. De bescherming van natuurgebieden als leefgebieden voor flora en fauna roept verschillende vragen bij mij op die ik gaarne onder uw aandacht wil brengen. De allereerste vraag die we ons moeten stellen is of we natuurgebieden überhaupt moeten beschermen. In mijn visie is dit ondertussen een gepasseerd station. Het is gevoeglijk bij een ieder bekend dat ongebreideld gebruik van natuur voor allerlei aktiviteiten zoals recreatie, toerisme, hotelbouw, woningbouw en infrastructuur op al onze eilanden ongerepte natuur tot een schaars goed heeft gemaakt. Daarnaast hebben wij ons via Internationale verdragen verplicht gesteld om natuurgebieden in te stellen als middel om de biodiversiteit maximaal te beschermen. Als we ervan overtuigd zijn dat natuurgebieden beschermd moeten worden dan is de volgende vraag: welke gebieden moeten we dan veiligstellen? Ik wil niet al te diep op deze vraag ingaan omdat deze het wezen van deze bijeenkomst treft. Wel wil ik meegeven om aan de volgende drie voorwaarden te denken en deze ook te gebruiken als uitgangspunt voor de Centrale Overheid bij de instelling van nationale parken van de Nederlandse Antillen. Deze zijn a) een set van biologische criteria, b) een wettelijke bescherming en c) een aktief natuurbeheer. a) Biologische criteria Als eerste voorwaarde zal een natuurgebied moeten voldoen aan een minimum set van biologische criteria om in aanmerking te kunnen komen voor veiligstelling. Op eilandelijk niveau als beschermd natuurgebied en in sommige gevallen zelfs te kwalificeren als nationaal park. De toekenning van de status van nationaal park is overigens een prerogatief van de landsoverheid. Deze biologische criteria zijn internationaal al vastgelegd en zullen in de inleiding van dhr van Zadelhoff nader worden toegelicht. b) Wettelijke bescherming Als tweede voorwaarde zal een natuurgebied tevens wettelijke bescherming moeten hebben om een status als nationaal park te kunnen verkrijgen. Rondom dit thema verwacht ik een levendige en hopelijk constructieve discussie op deze bijeenkomst omdat er verschillende mogelijkheden bestaan om tot deze beschermde status te kunnen komen. Zo zijn een aantal — eilandgebieden op dit moment bezig om in het kader van een betere verdeling en optimale benutting van de beperkte fysieke ruimte op de eilanden, door middel van ruimtelijke ordeningswetgeving verschillende bestemmingen aan hun grondgebied te geven. Een van die bestemmingen is bijvoorbeeld 'conserveringsgebied'. Het woord duidt al in de richting van een bepaalde bescherming en zoals het eruit ziet wordt hiermee vooral te beschermen natuur mee aangeduid. Dit in tegenstelling tot de bestemming "open land" waarmee een nog niet aangewezen bestemming wordt aangeduid. Naast ruimtelijke ordeningswetgeving bestaat de mogelijkheid om door middel van natuurwetgeving gebieden als beschermd natuurgebied of als natuurpark aan te wijzen en wettelijk vast te stellen. Bonaire heeft bijvoorbeeld een eilandsverordening die het mogelijk maakt om natuurgebieden te kunnen beschermen en behouden. We stuiten hierbij meteen op een van de kernpunten in de discussie, namelijk de botsing van belangen. Aan de ene kant staat een algemeen belang waarbij gebieden in aanmerking komen om als beschermd natuurgebied te worden uitgeroepen. aan de andere kant staan vaak eigenaren van de bedoelde gebieden die mogelijk een totaal andere bestemming in gedachten hebben dan de landelijke en eilandelijke overheden in het kader van hun beleid. Het streven zal naar mijn overtuiging moeten zijn, om gezamenlijk te werken naar een soort consensus waarmee alle partijen kunnen leven en waarmee de natuur kan overleven. Ik hoop van harte dat deze bijeenkomst in haar discussie tot haalbare mechanismen kan komen, die bijdragen aan de oplossing van dit dilemma. c) Aktief beheer Als derde en laatste voorwaarde voor het verkrijgen van een nationale parken status zal er een aktief beheer noodzakelijk zijn. Zoals ik uit het programma lees zal ook hier een belangrijk deel van de bijeenkomst aan gewijd worden. Bij het overzien van de drie voorwaarden voor het eventueel instellen van nationale parken door de Centrale Overheid moet ik constateren dat alle eilandgebieden natuurgebieden hebben maar dat niet alleen aan de drie criteria, namelijk biologisch interessant, wettelijk gegarandeerd en goed beheerd, voldoen. Het lijkt me belangrijk dat ieder eiland samen met de centrale overheid ernaar toewerkt om op zo kort mogelijke termijn te trachten die gebieden die nu al als bijzonder eilandelijke natuurgebied worden beschouwd ook daadwerkelijk als natuurparken erkend te krijgen. Uit die op eilandelijk niveau beschermde gebieden dient dan weer een keuze te worden gemaakt van 'gebieden die binnen de Nederlandse Antillen zo bijzonder zijn dat ze als nationaal park kwalificeren'. De derde en laatste vraag die ik wil neerleggen is de vraag hoeveel gebieden op de Nederlandse Antillen opzij moet worden gezet als te beschermen natuurgebied. Uiteraard zal ook dit in afweging met andere belangen als woon en werkruimte moeten geschieden. Desalniettemin is het belangrijk dat in ieder geval die gebieden die een uitzonderlijke natuur bezitten beschermd worden. Ik hoop ook dat deze vraag voldoende ruimte krijgt om te worden beantwoord. Het streven van de regering van de Nederlandse Antillen is in ieder geval om het areaal aan bestaande natuurgebieden uit te breiden met op ieder eiland minstens een groot natuurgebied erbij. Hoe we dit moeten doen kan ik niet een, twee, drie zeggen. Ik ben er wel van overtuigd dat niet alleen de overheid dit kan of moet doen. In sommige gevallen hebben de eigenaren van stukken grond jarenlang 'de facto' een prima beschermingsbeleid gevoerd. Daarop zouden we kunnen voortborduren. Dat betekent samen met de eigenaren een formule voor het blijvend veiligstellen kiezen. We zullen het dus gezamenlijk moeten doen en mechanismen moeten zoeken die dit mogelijk maken. We moeten creatief zijn. De overheid kan deze creativiteit niet alleen opbrengen. Daarvoor is een maatschappelijk draagvlak essentieel. Het vergroten van dat draagvlak voor natuur en milieu is trouwens een van de prioriteiten van het Antilliaanse natuur- en milieu beleid. In dat kader ben ik bijzonder verheugd met de oprichting van de stichting 'STAAN' als een niet overheidsorganisatie die de diverse mogelijkheden om natuurgebieden te kunnen veilig te stellen samen met de overheid en de eigenaren van deze gebieden op een rijtje gaat zetten. Hierbij kan gedacht worden aan de aankoop van de eigenaren, of aan erfpacht onder voorwaarden te verlenen of aan beheerscontracten af te sluiten met de eigenaren. Bij de financiering van deze mogelijkheden kan gedacht kan worden aan een 'debt for nature swap'. Die mogelijkheid is voor de Antillen in kaart gebracht en binnenkort zal deze constructie in de Raad van Ministers worden besproken. Volgende stap zal wat mij betreft zijn dat het idee van een debt for nature swap aan de Rijksministerraad wordt voorgelegd die vervolgens de opdracht kan geven aan deskundige departementen in Nederland die de Antillen kunnen helpen bij de uitwerking van deze constructie. Overigens is de term debt for nature swap enigszins misleidend. Het gaat in onze gedachten om een vertraging van de terugbetaling van rente en aflossing per jaar een bedrag van rond de vijftig miljoen gulden. Zoals u kunt horen gaat hier allemaal om ideeën, gedachten, suggesties, discussiepunten en vooral om oplossingen. Ik hoop derhalve op een positieve en constructieve inbreng van een ieder; ook van de mensen die zich terecht of onterecht wat in een hoek gedrukt voelen. Het is belangrijk dat onze natuur, de weinige natuur die er op onze eilanden nog over is goed wordt beschermd en beheerd. Hoe precies is voor mij een open vraag, door wie ook, maar dat het moet gebeuren is voor mij een zekerheid en iedereen die daarbij kan helpen is welkom; zeer welkom. Ik ben ervan overtuigd dat deze dagen vruchtbaar zullen zijn en ik wens u allen veel succes in uw deliberaties. Hiermee verklaar ik deze bijeenkomst voor geopend.
III. SPEECH ERIK VAN ZADELHOFF: BIOLOGISCHE CRITERIA Inleiding Ik ben heel blij dat ik vandaag hier voor dit grote en belangrijke gezelschap het woord mag voeren als vertegenwoordiger van het Nederlandse Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Ik ben daar blij om omdat de omvang en de samenstelling van dit gezelschap duidelijk aangeeft dat de natuurbescherming op de Antillen leeft. Volgens het programma zal ik u iets vertellen over biologische criteria voor aanwijzing van natuurgebieden als beschermd gebied, maar voordat ik daarop inga, eerst iets over mijn achtergronden. Ik heb een opleiding genoten als tropische bosbouwer en heb daar een levenslange belangstelling voor de tropen aan overgehouden. Ik werk in Nederland voor de Directie Natuurbeheer van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Ik werk nu al weer 15 jaar voor dit Ministerie in diverse nineties. Een van de hoogtepunten in mijn ambtelijke carrière was de bijdrage die ik heb mogen leveren aan het tot stand brengen van het Nederlandse Natuurbeleidsplan (nbp) dat in 1990 is uitgekomen. Ik was een aantal jaren secretaris van de projectgroep die dat plan heeft opgesteld. Hoogtepunt omdat het een nota was die een grote impact heeft gehad op de natuurbescherming in Nederland in die zin dat het natuurbeleid daardoor in een klap weer op de politieke agenda kwam te staan en de begroting voor het natuurbeleid dankzij dat plan er weer een stuk gezonder ging uitzien. De begroting steeg van 150 mln naar 300 mln. De kern van het nbp is het creëren van een ecologische hoofdstructuur (ehs) voor het land. Die ehs is ook op kaart gezet en dat heeft heel goed gewerkt, het is iets heel concreets voor de politiek, mensen kunnen zich er iets bij voorstellen net als het hoofdwegennet. In het natuurbeleidsplan wordt ook aandacht besteedt aan het internationale natuurbeleid, waarbij een bijzonder plekje is ingeruimd voor de Nederlandse Antillen. Vanuit Nederland is bij het uitkomen van het natuurbeleidsplan richting Antillen aangeboden ondersteuning te bieden bij het ontwikkelen en uitvoeren van natuurbeleid. De daad is wat dat betreft ook bij het woord gevoegd. In 1994 werd, op basis van een oriënterende missie die ik in 1993 heb mogen maken, een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen het Departement van Volksgezondheid en Milieuhygiene van de Antillen en het Nederlandse Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Sindsdien is er veel gebeurd, zowel op het vlak van het overheidsbeleid (personeel/instrumenteel) als op het vlak van de particuliere natuurbescherming. Ik noem een paar zaken:
Deze, ongetwijfeld onvolledige, opsomming is in mijn ogen zeer bemoedigend. En ik spreek dan niet alleen namens mijzelf, maar namens het hele Ministerie dat ik vertegenwoordig. Natuurlijk, er moet nog veel gebeuren en er zijn voor degenen die midden in het proces zitten teleurstellingen te verwerken. Maar alles overziende is er m.i. reden voor optimisme. Zeker als wij er met zijn allen in slagen de behaalde successen te consolideren en verder uit te bouwen. Bijeenkomsten als deze zijn daarvoor zeer belangrijk. De samenwerking tussen VOMIL en LNV biedt in ieder geval een jaarlijks platform voor de informatie-uitwisseling. Dit jaar staat de bijeenkomst dus in het teken van de conserveringsgebieden. Conserveringsgebieden Het aanwijzen van beschermde gebieden is een van de middelen om de doelen van de natuurbescherming te realiseren. Het is een heel beproefd middel maar geen doel op zich. Uiteindelijk is het doel van de natuurbescherming toch het behoud van het totale scala aan planten- en dierensoorten op mondiale schaal, of met een ander woord van de biodiversiteit op mondiale schaal. Dit doel kan alleen bereikt worden door de ecosystemen waar deze soorten van nature voorkomen te beschermen. Het behoud van het hele scala van plant en diersoorten in hun natuurlijke habitat is een mondiale aangelegenheid. Het is voor de natuurbescherming dan ook van uitzonderlijk belang dat in 1992 in Rio het Biodiversiteitsverdrag is aangenomen, waarbij een groot aantal landen zich verplicht hebben tot het behoud en duurzaam gebruik van de biodiversiteit met een eerlijke verdeling van de voordelen van dit duurzaam gebruik. Je zou het Biodiversiteitsverdrag, dat door Nederland inmiddels is geratificeerd en waarvan de ratificatie ook door de Antillen op stapel staat, kunnen beschouwen als de moeder van alle natuurbeschermingsverdragen. Het is globaler maar ook meeromvattend dan andere verdragen die op pure conservering gericht zijn. Het Biodiversiteitsverdrag vraagt alle Staten die het verdrag geratificeerd hebben, te komen met een concreet plan van aanpak. In wezen wordt gevraagd om een beleidsplan voor behoud en duurzaam gebruik van de biodiversiteit. Het is in mijn ogen van groot belang dat de Antillen partij worden van het verdrag omdat zij op het vlak van biodiversiteit van uitzonderlijke betekenis zijn. Het in de contourennota van VOMIL aangekondigde natuurbeleidsplan kan vervolgens beschouwd worden als de concrete invulling van het gevraagde plan van aanpak. Zo'n natuurbeleidsplan zal specifieke aandacht moeten besteden aan het beleid t.a.v. individuele soorten, maar zal ook aandacht moeten besteden aan gebieden die vanwege hun uitzonderlijke betekenis voor de biodiversiteit veilig gesteld moeten worden. De bescherming van soorten en de veiligstelling van gebieden kan alleen slagen als er een goed raamwerk gespannen wordt van passieve en actieve beschermingsmaatregelen. De passieve maatregelen zitten in de sfeer van wetten en verdragen, de actieve in de sfeer van handhaving en beheer. Zo'n raamwerk kan alleen goed slagen als overheid en particulier initiatief goed samenwerken. In een natuurbeleidsplan zal een selectie gemaakt moeten worden van gebieden die een speciale beschermingsstatus krijgen. Hoe kom je nu tot de selectie van dat soort gebieden en welke status moet je ze geven? Anders gezegd welke criteria hanteer je? Je kunt daarbij uit gaan van nationaal te ontwikkelen criteria, maar het uiteraard gewenst ook rekening te houden met criteria die in internationaal verband zijn vastgelegd. Daarbij ligt het voor de hand eerst te kijken naar wat in Internationale verdragen geregeld is. Er is een heel rijtje van dit soort verdragen. Het biodiversiteitsverdrag biedt weinig houvast. Ook voor SPAW en de verdragen die door het IMO voor de zee zijn uitgewerkt, zijn bij mijn weten geen concrete selectie criteria genoemd. De RAMSAR conventie is op dit punt het meest concreet, gebieden die op enig moment meer dan 1 % van de wereldpopulatie van wetlands-soorten herbergen, kwalificeren. Daarnaast heeft de IUCN een aantal criteria geformuleerd, die als richtlijn gehanteerd kunnen worden. Zo heeft men een stelregel geformuleerd dat ieder land 10% van zijn areaal een beschermde status zou moeten geven. Verder heeft men een classificatiesysteem ontwikkeld voor de statusaanduiding van gebieden. De IUCN onderscheidt een tiental categorieën, waaronder de belangrijkste voor de Antillen zijn:
Zoals gezegd kan ieder land vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid criteria ontwikkelen voor het aanwijzen van beschermde gebieden. Dat is altijd zo geweest en zal altijd zo blijven. Bij de selectie zal men ook vaak meer criteria kiezen dan alleen de zuiver biologische. Elementen als landschapsschoon, historische betekenis, recreatieve betekenis spelen immers in de beleving van mensen en in de besluitvorming een minstens zo belangrijke rol. Bovendien is het niet verstandig beschermde gebieden aan te wijzen zonder zicht op een adequate juridische basis, handhaving en adequaat beheer. Er zijn dus meer criteria dan de puur biologische. Toch is het naar mijn mening van groot belang vanuit biologisch oogpunt goede en zuivere criteria aan te dragen, aangezien dat voor de identificatie van gebieden, de precieze begrenzing, de bepaling van de noodzaak verbindingszones met andere beschermde gebieden en de bepaling van de draagkracht voor bijvoorbeeld toeristisch gebruik van groot belang is. Voor deze zaken is biologisch onderzoek van groot belang, onderzoek en monitoring vormen een onlosmakelijk onderdeel van natuurbeleid. Het een hoeft trouwens niet per se op het ander te wachten. In Nederland hebben we in wezen de ehs ook geselecteerd op basis van best professional judgement en zijn we nu met een inhaalslag bezig. We proberen nu op basis van onderzoek zo goed mogelijk aan te geven voor welke soorten wij ook in internationaal opzicht een bijzonder verantwoordelijkheid hebben en welke typen en arealen van ecosystemen daarvoor nodig zijn. Dames en heren. Zoals al eerder is aangegeven zal binnenkort gestart worden met het opstellen van een Antilliaans natuurbeleidsplan dat is opgebouwd uit plannen op eilandelijk niveau. Zoals Minister Doran al heeft aangegeven, ben ik hier mede op de Antillen om de start aan dit project te geven. IJs en weder dienende zal aan dit project het komende jaar in een aantal kortdurende missies samen met u verder invulling worden gegeven. De verdere voortgang is afhankelijk is van definitieve goedkeuring door DEPOS/KABNA. Het zal duidelijk zijn dat de bijdrage vanuit Nederland aan het opstellen aan het Antilliaanse natuurbeleidsplan een beperkte zal zijn, het is van groot belang dat de discussies over de invulling van het natuurbeleid op eilandelijk en landelijk niveau zullen moeten plaatsvinden. Dat neemt niet weg dat wij vanuit LNV-Nederland dit proces gaarne ondersteunen met onze expertise op het vlak van het natuurbeleid. Het zal ook duidelijk zijn dat de discussie die hier vandaag en morgen plaatsvindt in belangrijke mate richtinggevend zal zijn aan de verdere invulling van het natuurbeleid.
IV. SPEECH JEFF SYBESMA: JURIDISCH INSTRUMENTARIUM Inleiding De grondslag van de natuurbescherming en het beheer wordt gevormd door wetgeving. De vorm waarin die wetgeving kan worden gegoten kan verschillend zijn. Dit kan zijn door een bepaalde invalshoek te gebruiken of verschillende aandachtsgebieden te bestrijken. In de Antillen kan de natuur over het algemeen via drie verschillende raakgebieden worden benaderd. Ten eerste de milieuhygienische wetgeving die vooral als invalshoek de vervuiling aanpakt en hiermee vervuiling van natuurgebieden door de mens tracht tegen te gaan. Ten tweede de natuur sec als invalshoek, die onder andere uitgaat van de intrinsieke waarde van de natuur in al haar facetten waarbij de bescherming van de biodiversiteit in wezen neerkomt op de bescherming van genetische bronnen. Als derde invalshoek om natuur te kunnen beschermen dient de ruimtelijke ordening te worden genoemd. Ik wil me in deze verhandeling, ook in het kader van deze bijeenkomst, richten op de twee laatste aandachtsgebieden, de natuurwetgeving en de ruimtelijke ordeningswetgeving. Doch voordat ik inga op de wetgeving zelf even iets over de hiërarchie van wetgeving. Wetgeving is te vinden op diverse niveaus waarbij ervan moet worden uitgegaan dat in de hiërarchie der wetten een wet vervaardigd door een lagere bestuurslaag niet in strijd mag zijn met een hogere. De hoogste wetten zijn de internationale wetten die landen of partijen met elkaar afsluiten. De Nederlandse Antillen, een autonoom land binnen het Koninkrijk, kan zelf besluiten of het partij wil zijn bij een verdrag of niet. Hierdoor komt het voor dat Nederland en/of Aruba wel partij kan zijn bij een bepaald verdrag terwijl wij dat niet zijn. Daaronder vinden we wetten die tot stand komen op het niveau van het Rijk, de zogenaamde Rijkswetten en Algemene Maatregelen van Rijksbestuur. Een laag verder naar beneden vinden we de Landsverordeningen en Landsbesluiten, Houdende Algemene Maatregelen, die tot stand worden gebracht door de volksvertegenwoordiging, de Staten van de Nederlandse Antillen en de Regering. Als onderste laag vinden we de Eilandsverordeningen en -Besluiten, houdende algemene maatregelen, die door de eilandsraad en het BC worden afgekondigd. Over naar de natuurwetgeving van de Nederlandse Antillen Als we weer de volgorde aanhouden van verdrag, rijkswet, landsverordening en eilandsverordening, dan zien we dat wat betreft natuurwetgeving de Antillen partij zijn bij drie natuurverdragen. Deze zijn:
Het is belangrijk om te onderkennen dat verdragen niet altijd even specifiek zijn in de wijze hoe de zaken moeten worden geregeld. Meestal worden namelijk de artikelen verzwakt of verwaterd omdat getracht wordt ieder deelnemende land tevreden te stellen en omdat bij verdragen de gewoonte geldt dat deze met consensus dienen te worden aangenomen. Hierdoor zien we dat bepaalde problemen wel worden onderkend en in kaart gebracht maar dat niet altijd duidelijke regels worden gesteld hoe deze moeten worden opgelost. Ik zal een voorbeeld geven door een stuk voor te lezen uit het SPAW protocol. Artikel 4 SPAW handelt over de instelling van beschermde gebieden en gebruikt de volgende woorden: iedere partij zal, indien nodig, beschermde gebieden instellen in gebieden waarover zij soevereiniteit uitoefent of soevereine rechten of jurisdictie heeft, uit oogpunt van bescherming van de natuurlijke hulpbronnen van het Wijdere Caribische Gebied, waarbij zij ecologisch gezond en verantwoord gebruik zal aanmoedigen, begrip voor en genot van deze gebieden in overeenkomst met de doelstellingen en karakteristieken van elk van hen. Duidelijk moet zijn dat hiermee vooral de intentie wordt uitgesproken iets te gaan doen en waar iedere partij zich in kan vinden dat ie dat ook zal doen, maar dat een concrete afspraak om iets binnen een bepaalde tijd te doen niet echt aanwezig is. Dit wordt in wezen overgelaten aan de partijen, de landen zelf. Een nadeel van dergelijke vage regelingen is ook dat de burger van een land dat partij is bij zo'n verdrag zich ook niet kan beroepen op het verdrag om zo zijn eigen regering af te dwingen om datgene te doen wat zij in wezen hebben onderkend door het verdrag te tekenen. Soms, als de regel heel specifiek is geformuleerd kan de burger wel een beroep doen op deze regel en de regering dwingen uit te voeren wat in de wet staat. De enige manier echter om er achter te komen of inderdaad zo'n regel bindt is via de rechter door middel van een rechtszaak. Om een voorbeeld te noemen: Van Rijn, in het boek milieurecht in de Nederlandse Antillen dat uitgegeven is door de Leerstoel voor Milieu en Ontwikkeling van de Universiteit van de Nederlandse Antillen, stelt dat art 12 van het verdrag van Cartagena, dat een plicht in het leven roept voor verdragstaten tot het verrichten van milieu effect rapportage bij planning van grootschalige projecten met potentiële gevolgen voor het mariene milieu, een ieder verbindende verdragsbepaling betreft waarop burgers zich voor de rechter direct kunnen beroepen. Echter nog nooit heeft iemand het aangedurfd om dit voor de rechter te brengen en hiermee een MER plicht van de overheid af te dwingen. Ik ga over tot het volgende niveau van wetgeving, waarbij ik rijkswetgeving oversla omdat deze zich niet beweegt op het gebied van natuurbescherming en beheer. We komen hiermee op het niveau van Landsregelgeving. Het Land, de Nederlandse Antillen, kan door middel van landsverordeningen regels maken om de natuur te beschermen. Wat betreft natuurwetgeving bestaan momenteel wat verouderde landsverordeningen zoals de landsverordening tot bescherming van diersoorten, nuttig voor land en ooftbouw of die langzamerhand uitsterven en op welker voortbestaan prijs wordt gesteld uit 1926. Let wel uit 1926, toen er slechts sprake was van de kolonie Curaçao en onderhorige eilanden en er nog geen twee lagen bestonden. Na 1954, toen de Nederlandse Antillen autonomie kreeg en via de Eilandenregeling Nederlandse Antillen, de ERNA, bevoegdheden werden verdeeld tussen eiland en land kon de discussie opstarten over wie nu dan wel de bevoegdheid heeft om regels te treffen op natuurgebied. Het is namelijk zo dat in 1954 niet gekozen werd voor een hiërarchische opbouw van een centraal bestuur met daaronder vijf, toen zes, eilandelijke besturen, waarbij in principe de centrale regering ten alle tijden taken weer terug kan nemen, maar dat er min of meer een federaal systeem in het leven werd geroepen waarbij de centrale overheid belast werd met bepaalde taken en de eilandelijke overheden met andere. In de context van deze bijeenkomst wil ik niet nader ingaan op de verdeling van taken en zeker niet op die van de milieu en natuurtaken. Daar is zeker nog een interessante juridische boom over op te zetten. Uitgangspunt voor ons, het dept. VOMIL, is dat de natuurtaken door diegene moet worden uitgevoerd die daarvoor het beste voor geëquipeerd is en dat zijn in wezen de eilandgebieden. Om dit nu goed te regelen heeft de landsregering, vanuit haar bevoegdheid en verplichting om internationale verdragen af te sluiten en daarna uit te voeren, een landsverordening Grondslagen natuurbescherming en beheer gemaakt en aan de Staten aangeboden. Dit onderwerp is onlangs in de centrale commissie behandeld en zal hopelijk in openbare zitting bijeen nog dit jaar worden aangenomen. Wat houdt deze landsverordening in? Allereerst moet ik aangeven dat deze wet gebruik maakt van het systeem van dynamische doorverwijzing. Deze juridische constructie bestaat uit het principe dat in de landsverordening gewoon via een artikel wordt verwezen naar het verdrag zonder daarop inhoudelijk op in te gaan. Het heeft een tweetal voordelen. Het eerste is dat niet zinloos het verdrag wordt overgeschreven in de landsverordening en ten tweede dat wijzigingen van het verdrag, nadat deze door de partijen zijn goedgekeurd ook meteen toepasbaar zijn in het land. De landsverordening geeft opdracht aan de eilandgebieden om op basis van de verdragen, waar de Antillen partij bij zijn of binnenkort worden, eilandelijke regelgeving te maken om de natuur te beschermen. En dat betekent dus, als we de verdragen goed uitvoeren, dat de eilanden de intenties zoals aangegeven in de verdragen vertalen naar lokale omstandigheden en endemische soorten wilde planten en dieren beschermen, de handel in wilde planten en dieren regelt en natuurgebieden beschermd. De landsverordening geeft wel een tijdlimiet voor aktie, namelijk dat ieder eiland binnen twee jaar na inwerkingtreding van de landsverordening een beleidsplan en eilandelijke wetgeving moeten maken. Onderkend wordt wel dat het misschien moeilijk is voor vooral de kleinere eilanden om te voldoen aan de eisen gesteld in de wet. Niet ieder eiland heeft een juridische afdeling en biologische expertise. Vomil onderkent dit en is derhalve samenwerking met LNV en VROM een wetgevingsproject gestart die op korte termijn modelwetgeving voor de eilandgebieden zal maken op natuur (en milieu) gebied. Een ander voordeel van de landsverordening grondslagen natuurbescherming en beheer is dat deze de mogelijkheid schept om zwaardere sancties op te leggen dan eilandelijke verordeningen. Het moet een ieder bekend zijn dat straffen opgelegd in eilandsverordeningen niet hoger mogen zijn dan twee maanden hechtenis of 5000 gulden boete maximaal. De landsverordening grondslagen natuurbescherming en beheer gaat tot een maximum van 6 jaar gevangenisstraf en/of 1 miljoen gulden. Ik wil nu overgaan naar de wetgeving op het gebied van Ruimtelijke Ordening Ten aanzien van de ruimtelijke ordening op internationaal gebied bestaat er naar mijn weten geen verdrag die op globaal of regionaal niveau hierover iets tracht te regelen. Als we kijken naar het ruimtelijke ordeningstraject op lands- en eilandsniveau dan zien we eenzelfde gang van zaken. Via een landsverordening houdende voorschriften betreffende de grondslagen van ruimtelijke ontwikkelingsplanning en tot wijziging van de onteigeningsverordening uit 1976, worden de eilandgebieden opgedragen om eilandelijke regelgeving te maken waarin zij een eilandelijke ruimtelijke ordeningsbeleid voor hun eiland moeten vastleggen. Alle eilanden zijn hiermee aan de slag gegaan waarbij we zien dat Curaçao het verste is gevorderd. Deze heeft een eilandsverordening ruimtelijke ontwikkelingsplanning Curaçao (EROC) in 1980 afgekondigd die de procedure voor de uitvoering van de ruimtelijke ordening op Curaçao nader specificeert. Gekozen is voor een compleet eilandelijk ontwikkelingsplan (EOP) waarin diverse bestemmingen zijn aangegeven met bijbehorende bestemmingsvoorschriften. Aangezien de uitvoering van de ruimtelijke ordeningsplanning diep in het eigendomsrecht kan grijpen is de totstandkoming voorzien van sterke waarborgen zoals inspraak, bezwaar en beroep. Hieruit is het EOP ontstaan dat momenteel in de eindfase zit namelijk vastgesteld maar nog niet onherroepelijk. De andere eilanden zijn ook bezig hun eigen ruimtelijke ordening uit te werken waarbij St. Maarten naar mijn weten een andere aanpak gebruikt dan Curaçao. Zij gaan uit van een globale planning waarbij bestemmingen naderhand worden ingevuld. Ik wil hier wijzen op het verschil in rechtskracht tussen een natuurbeleidsplan en een ontwikkelingsplan. In beiden worden gesproken van een plan. Echter de beleidslijnen hi een natuurbeleidsplan kunnen niet worden gebruikt als zijnde een keiharde wet die bij de rechter afgedwongen kan worden van het bestuur. Terwijl dit met een EOP wel zo is. De bestemmingsvoorschriften daarin zijn een ieder bindend ook het bestuur. Als we kijken naar bestemmingen in het EOP dan zien we dat interessant voor de natuurbescherming twee bestemmingen zijn namelijk conserveringsgebieden, die bewust worden aangegeven om natuur (en cultuur) te beschermen, en de bestemming open land, waarbij in wezen nog alle kanten opgegaan kan worden maar die door deze aanduiding als gebied opzij gezet worden, waar geen aktiviteiten meer mogen worden gedaan. Als er geen aktiviteiten meer mogen worden uitgevoerd hebben we de facto hiermee ook beschermde natuurgebieden aangewezen. De vraag blijft en daarom is deze bijeenkomst ook georganiseerd of wij beide wettelijke mechanismen naast elkaar moeten hebben of dat de een in het verlengde van de ander zit of dat theoretisch misschien de ene de andere in de wielen rijdt? Ik wil daar geen antwoord op geven. Een andere vraag die mij is gesteld is de volgende. Hoe nu als we de natuurgebieden of conserveringsgebieden bij wet hebben aangewezen. Wie moeten die dan beschermen en beheren? Waar halen we daarvoor de middelen en mankracht vandaan? Kortom de vraag, moeten we niet het wettelijke veiligstellen koppelen aan de daadwerkelijke mogelijkheden om te kunnen beheren? Anders creëer je papieren parken die niets voorstellen.
V. SPEECH TOM VAN 'T HOF: VEILIGSTELLEN EN BEHEER DOOR NGO'S Historische ontwikkeling Traditioneel is het natuurbeheer van de Nederlandse Antillen de zorg van NGO's zoals Stinapa N.A. en later de eilandelijke NGO's. Alleen Curaçao heeft een eilandelijke milieudienst maar die heeft geen beheerstaken. De dienst LVV is weliswaar belast met natuurbeheer voor het eiland Curaçao, maar delegeert deze heeft deze taak grotendeels aan Stinapa. Langzamerhand zien we vandaag de dag een kentering binnen het overheidsapparaat. Zo is op Landsniveau bij het Dept. VOMIL een sectie milieu en natuur ingesteld die zich bezig houdt met beleid, wetgeving en internationale verdragen. Op eilandsniveau zien we dat St. Maarten binnen de nieuwe dienst VROM zich naast de ruimtelijke ordening ook met het natuurbeleid bezighoudt. Wat betreft de ruimtelijke ordening en het natuurbeheer is Curaçao het verst gevorderd, waarbij Bonaire en St. Maarten hard aan het inlopen zijn, met daarachter de twee kleine eilanden Saba en St. Eustatius. Ook Aruba heeft sinds kort een directie VROM die zich met ruimtelijke ordening en natuurbeleid op dit eiland bezig houdt Als onderdeel van deze ontwikkelingen worden nu zogenaamde 'conserverings-gebieden' aangewezen, maar wij weten nog niet goed hoe we hier in de toekomst mee om moeten gaan. We zijn er niet van overtuigd dat deze status voldoende waarborgen biedt voor behoud van natuur. Huidige situatie Landparken Ondanks inspanningen van NGO's en ondanks de nieuwe aandacht voor natuur vanuit de overheid, moeten we toch constateren dat er:
Onderwaterparken Ten aanzien van de bescherming en beheer van mariene gebieden is er wel het een en ander gebeurd, met name in de afgelopen 16 jaar.
Nieuwe initiatieven die binnenkort verwezenlijkt worden omvatten het instellen van beschermde mariene gebieden te Curaçao, St. Maarten en de invulling van een actief beheer voor het St. Eustatius Marine Park. Het is verheugend te melden dat ook op Aruba vergevorderde plannen bestaan ten aanzien van beschermde mariene gebieden. Persoonlijk denk ik dat een belangrijke reden voor deze ontwikkeling is de voorbeeldfunktie van zowel het Bonaire Marine Park als het Saba Marine Park en de voor publiek en stakeholders duidelijk zichtbare relatie tussen bescherming /beheer en toerisme. Toekomst Terug naar de terrestrische gebieden, waar, zoals als ik al eerder meldde, reden tot grote zorg is. Uitgaande van het feit dat er slechts 2 beschermde gebieden zijn, die notabene geen van beiden een wettelijke status hebben, er geen uitbreiding van beschermde natuur in de laatste 17 jaar heeft plaatsgevonden e"n op de Bovenwinden er helemaal geen beschermde natuurgebieden zijn, wordt het tijd dat daar iets aan gedaan wordt. Zeker gezien een steeds sterkere bedreiging door ontwikkelingsdruk, gebrek aan overheidsgrond en/of gebrek aan ruimtelijke ordeningswetgeving. Hoe kunnen we hier iets aan doen? Ik wil de volgende mogelijkheid aan u voorleggen. Vanmiddag presenteren twee nieuwe stichtingen zich aan het publiek en de pers. Deze zijn: 1. de Stichting STAAN. Deze stichting is een Antilliaanse stichting die zich inzet voor het veiligstellen van natuurgebieden in de gehele Nederlandse Antillen. De wijze waarop de stichting zal werken om haar doel te bereiken is door een intermediaire en faciliterende rol te spelen. Daarbij richt zij haar aandacht op o.a. de volgende vijf gebieden. Deze zijn: Klein Bonaire, Oostpunt te Curaçao, Hillsides te St. Maarten, de Quill en de NW heuvels te St. Eustatius en de Mount Scenery te Saba. Deze aanpak is tevens in overeenstemming met het beleid dat door de Centrale Overheid i.e. het dept. VOMIL is uitgestippeld. De rol die STAAN voor ogen heeft is te bemiddelen bij aankoop dan wel andere manieren of beheersvormen die het behoud van deze gebieden kan garanderen. STAAN wordt geen eigenaar van de terreinen, noch een bankrekening waar grote sommen geld op worden gestort. STAAN bemiddelt bij onderhandelingen, fundraising en bij succes worden fondsen overgemaakt aan een lokale Stichting die de aankoop en het beheer zal realiseren. 2. de Foundation for the Preservation of Klein Bonaire. Deze Stichting is een lokale Stichting die zich zal inzetten voor de aankoop van dit eiland om op deze manier de handhaving van dit gebied in natuurlijke staat te waarborgen. Zij zal daarbij zelf trachten fondsen te werven om haar doel te bereiken. Partners De partners die STAAN heeft zijn, zoals eerder genoemd, de lokale stichtingen zoals de Foundation for the Preservation of Klein Bonaire, een eventueel nog op te richten Stichting Oostpunt, Stinapa, Stenapa, Saba Conservation Foundation, en de Stichting Natuurparken St. Maarten i.o. Alle eilanden zijn vertegenwoordigd in het bestuur van STAAN. Fondsen Hoe komen we aan de (financiële) middelen? Indien aankoop noodzakelijk is voor alle vijf gebieden zal hier zo'n ANG 50 milj. mee gemoeid zijn. Onder de traditionele natuurbeschermings- en beheerdonoren zijn er geen die klaar staan dergelijke bedragen te fourneren. Wel om te helpen met werving en identificatie van de mogelijkheden. Welke alternatieven heeft STAAN dan wel? Een van de mogelijkheden is het mechanisme van Debt for Nature Swap, welke in het verleden in andere landen met succes is gebruikt. We praten in de Nederlandse Antillen echter niet over de traditionele DFNS omdat de schulden van de Antillen aan Nederland niet gedevalueerd zijn. Waarover gedacht wordt is het volgende:
Benadrukt moet worden dat aankoop van de gebieden niet perse de enige mogelijkheid is om natuurgebieden veilig te stellen. STAAN wil ook bemiddelen bij het tot stand brengen van andere beheersvormen. Hierbij valtte denken aan beheersovereenkomsten met particuliere eigenaren, erfpachtovereenkomsten of de instelling van particulieren reservaten. Hoe verder als de gebieden zijn veiliggesteld? Het Wereld Natuur Fonds heeft een programma goedgekeurd ter waarde van NFL 1.5 milj. over drie jaar om bescherming en beheer van de Antilliaanse en Arubaanse natuur gestructureerd te helpen ondersteunen. De Nederlandse Stichting DOEN heeft NFL 1.8 milj. aan lopende projecten goedgekeurd voor het jaar 1995/96. Hiervan is 1.4 milj. bestemd voor de aankoop van Jeremi op Curaçao. Welke rol speel ik hierin? Ik ben door WNF-NL aangewezen als projectleider van het WNF Antiilen/ Aruba programma te zijn. Daarnaast adviseer en doe ik de projectbegeleiding namens de Stichting DOEN. Tevens ben ik voorzitter van de Stichting STAAN. Als laatste ben ik voorzitter van de Saba Conservation Foundation.
VI: INLEIDING MIRIAM JONKER: HET VEILIGSTELLEN VAN NATUURGEBIEDEN; DE R.O. INVALSHOEK In deze inleiding zal ik ingaan op de betekenis van de ruimtelijke ordening voor het natuurbeheer. Daartoe moet eerst de volgende situatieschets worden gegeven, waarbij ik me beperk tot de situatie op Curaçao. Het is goed om even door de ontstaansgeschiedenis van het EOP te wandelen. Totstandkoming EOP In 1976 is de Landsverordening Grondslagen van de Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning (GRO; PB 1976 # 195) door de toenmalige regering J. Evertsz aangenomen. Daarin was de huidige premier M. Pourier destijds minister van Welvaartszorg, onder wiens verantwoordelijkheid dit aspect viel. In deze landsverordening is als een van de doelstellingen opgenomen (art. 3, lid c): "de ruimtelijke voorwaarden dienen te worden geschapen voor het behoud van een gezond leefmilieu, ondermeer door het veiligstellen van natuur- en recreatieruimte in overeenstemming met de toekomstige omvang van de bevolking, alsmede door het zuiver houden van water, bodem en lucht." In de MvT van deze landsverordening wordt herhaaldelijk het belang van ruimtelijke planning voor het behoud van een gezond leefmilieu en van natuur benadrukt: "Ruimtelijke ordening wil zeggen dat men onderleiding van de overheid probeert te komen tot een zo verantwoord mogelijk gebruik van de kostbaarste materiele hulpbron waarover mensen beschikken: de bodem [..]." "[..] terwijl juist als gevolg van dit hele ontwikkelingsproces ook de noodzaak tot het behoud van natuurgebieden toeneemt. Laat men deze ontwikkeling aan zichzelf over, dan bestaat het gevaar dat de sterkste krachten zich eenzijdig doorzetten ten koste van de zwakkere. Hierdoor kan het leefmilieu voor grote groepen van de bevolking worden geschaad." De landsverordening geeft aan dat de overheid voor de ruimtelijke ordening een centrale rol heeft als hoeder van het algemeen belang en om de zwakke groepen en belangen in de samenleving te beschermen: "De tussenkomst van de overheid is hierbij onontbeerlijk. [De] ruimtelijke problemen kunnen niet meer individueel worden opgelost [..]. De overheid neemt trouwens een sleutelpositie in door haar beslissingsmacht over tal van openbare voorzieningen. [..] En het is tenslotte ook alleen de overheid die het publieke gezag heeft om bij de bestemming van de grond inbreuken op het algemeen belang tegen te gaan. Zij alleen is bij machte op te komen voor de grote groepen van de bevolking, die zich niet rechtstreeks kunnen laten gelden bij wat er met hun leef- en werkmilieu gebeurt." (MvT). In 1980 heeft het Eilandgebied Curaçao de EROC vastgesteld (Eilandsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao; AB. 1980 # 6, zoals gewijzigd). Deze eilandsverordening regelt de uitvoering van de landsverordening GRO op eilandsniveau. Voor de uitvoering ervan was het noodzakelijk dat de landsverordening van toepassing werd verklaard voor het Eilandgebied Curaçao. Dat gebeurde in 1982, toen de regering Martina besloot de landsverordening GRO inwerking te laten treden voor het Eilandgebied Curaçao. Daarop kon het Eilandgebied in 1983 besluiten tot de inwerkingtreding van de EROC. Het Eilandgebied Curaçao had toen de plicht binnen vijf jaar met een ontwikkelingsplan voor het hele eiland te komen. Deze taak is officieel aan de DROV opgedragen. De termijn is door omstandigheden in 1988 verlengd met 3 jaar tot 1991. In 1992 werd het voorbereidingsbesluit afgekondigd en ging de officiële vaststellingsprocedure van het EOP van start. Uiteindelijk is het EOP is op 25 augustus 1995 unaniem door de Eilandsraad van Curaçao vastgesteld. centrale motief van de landsverordening was dan ook dit te bewerkstelligen. Dat door het verlenen van rechtskracht aan plannen een inbreuk wordt gepleegd op de volledige beschikkingsrecht van de eigenaren, acht de wet onvermijdelijk: "Deze is in het algemeen belang onvermijdelijk. "(MvT) Daarnaast hebben we op Curaçao van doen met een bijzonder fenomeen, waarvan ik mag hopen dat we er niet als enigste meebehept zijn, maar dat voor kleine eilanden zeer nadelig is: een groen-NIMBY syndroom ('not in my back yard')- De DROV is in het kader van de uitwerking van de bestemmingen van het EOP nu een onderzoek opgestart naar de uitwerking van de bestemming conserveringsgebied. Ik zal daar op ingaan. Het EOP Het EOP is een globaal bestemmingsplan voor het hele eiland, en legt daarmee de globale hoofdindeling van het eiland in bestemmingen vast. Hiermee is het grondgebruik van het eiland in grote lijnen vastgelegd. De opzet van het EOP is flexibel. De bestemmingsvoorschriften zijn het instrument voor sturing of invulling van het ruimtelijk beleid. De bestemmingsvoorschriften zijn daarbij bindend, het programma in hoofdlijnen niet. De noodzaak om bestemmingsvoorschriften te hanteren wordt in het EOP met 5 redenen gemotiveerd (zie EOP biz. 62 van deel 2), waarvan de derde in dit verband zeer relevant is: "3. gebieden met bijzondere kwaliteiten te beschermen." Voor het natuurbeheer is de bestemming conserveringsgebied van groot belang; de inhoud van deze bestemming staat in art. 9 van het EOP. Daarnaast zijn er ook andere bestemmingsvoorschriften voor het natuurbeheer van belang, gezien de daarin toegestane doeleinden van landschaps- en natuurbehoud. Met het EOP is een belangrijke basis voor het natuurbeheer gelegd: het vastleggen van het grondgebruik, waarmee tegenstrijdige ruimteclaims kunnen worden vermeden en worden gescheiden. Hierdoor kunnen stedelijke ontwikkelingen gescheiden worden van het landelijk deel en de nog groene gebieden van het eiland. Het is daarom goed om even in te gaan op het karakter van een globaal bestemmingsvoorschrift. Globale bestemmingsvoorschriften in het algemeen De bestemmingsvoorschriften, bestaande uit bestemmingsbepalingen en de kaart, geven het gewenste grondgebruik van de grond en bijbehorende opstallen aan, door middel van een ruime doeleindenomschrijving. Het gewenste grondgebruik geeft aan voor welke doeleinden de grond kan worden gebruikt. De beschrijving in hoofdlijnen is het tweede element van de bestemmingsvoorschriften en geeft aan op welke wijze het doel kan worden gerealiseerd. Tevens bevat de beschrijving in hoofdlijnen normen die als toetsingscriterium kunnen dienen bij de beoordeling van een aanvraag voor een bouwvergunning. Dit zijn normen die ruimtelijk relevant zijn. Met het oog op de gewenste flexibiliteit van het ruimtelijk plan (zie EOP boek 2, § 1.3.) om toekomstige ontwikkelingen mogelijk te maken en te beheersen, zijn de bestemmingsvoorschriften globaal van aard en kunnen daardoor verschillende nineties mogelijk zijn in een bestemming. Daarmee wordt in het EOP geen ruimtelijk eindbeeld geschetst van het wenselijk grondgebruik. Wel wordt ongewenst grondgebruik zoveel mogelijk uitgesloten. Een belangrijke conclusie is dat juist het onderscheid in het EOP tussen 12 geheel verschillende bestemmingen, aangeeft dat elke bestemming specifiek en essentieel is; elke bestemming levert een eigen bijdrage aan de verwezenlijking van het ruimtelijk beleid, binnen een integraal geheel.
EROC De directe wettelijke basis voor het EOP is gelegen in de EROC. De EROC bouwt voort op de filosofie van de Landsverordening GRO en benadrukt wederom het belang van de ruimtelijke ordening om de zwakke groepen en belangen in de samenleving te beschermen ten behoeve van het algemeen belang. De boodschap is steeds dat Curaçao een beperkt oppervlak heeft en dat alles en iedereen het zelfde recht heeft op een plaatsje onder de zon, ook flora en fauna. "Het gebied dat voor onze bevolking ter beschikking staat, is slechts beperkt van omvang en niet voor uitbreiding vatbaar. Het is daarom in ieders belang, deze ruimte zo doelmatig mogelijk in te richten en te gebruiken. Dit is nodig om de mogelijkheden open te houden voor verdere groei van de welvaart, maar niet minder om aan de bewoners van het eilandgebied nu en later een goed leef- en werkmilieu te waarborgen." (MvT) "Laat men deze ontwikkeling aan zichzelf over, dan bestaat het gevaar dat de sterkste krachten zich eenzijdig doorzetten ten kosten van de zwakkeren. hierdoor kan het lee/milieu voor grote groepen van de bevolking warden geschaad." (MvT) In de EROC kunnen dan ook op basis van art. 9 bindende bestemmingsvoorschriften aan de gronden worden opgelegd. In lid 3 van dit artikel wordt bepaald welke doeleinden hierbij kunnen worden onderscheiden:
Het behoud van natuur en landschap heeft dus een wettelijke basis, verankerd in de landsverordening GRO en de EROC. In ditzelfde artikel wordt ook de wettelijke mogelijkheid geboden tot het opleggen van beperkingen aan het bouwen, het uitvoeren van werken of werkzaamheden in, op of boven de daarin begrepen grond en het gebruik van die grond en de zich daarop bevindende opstallen (art. 9, lid 5). Procedure Gezien de implicaties van het EOP is in de EROC op uitgebreide wijze aangegeven hoe het plan tot stand moet komen. Zo geeft art. 3 van de EROC aan dat er onderzoek naar diverse aspecten dient te worden gedaan, waaronder de natuurlijke gegevens van een gebied (art. 3, lid 2). Naast het wettelijk voorgeschreven onderzoek, is voor de opstelling van het plan in de periode 1988 - 1995 ook uitgebreid en zorgvuldig overleg gepleegd met meer dan 30 overheidsinstanties (land, eiland) en overheidsstichtingen, is in drie rondes informatie aan het publiek gegeven en er zijn verschillende informatie-avonden gehouden en is tenslotte conform de wettelijke voorschriften van de EROC de procedure gevolgd voor de officiële vaststelling van het plan (oa. art. 4,5,6,7,10,11,12 en 13), waaronder een bezwarenprocedure en een beroepsprocedure. De bezwaren- en beroepsprocedure acht de wetgever van belang, gezien de ingreep op het volledige beschikkingsrecht van grondeigenaren. Het resultaat van de zojuist geschetste gang van zaken ligt er nu: het EOP 1995, en er zijn diverse conserveringsgebieden aangewezen. Dit betekent niet dat er niet de nodige problemen zijn geweest en zich niet ook nu nog voordoen, met name wat betreft die conserveringsgebieden. Het is hierbij goed om te benadrukken dat op ons eiland de bijzonderheid zich voordoet dat het merendeel van het oppervlak in particulier eigendom is. Op Curaçao is dat meer dan 60%. Het invoeren van ruimtelijke ordening stuit dus logischerwijs op weerstand. Het EOP is voor burgers en de overheid bindend. De basis hiertoe is gelegd in de landsverordening GRO. Er moest namelijk een wettelijke grondslag komen voor het aanwijzen van bindende bestemmingsvoorschiften van gronden. Het Kabrietenberg/Schiereiland Caracasbaai; De oostelijke bergwand van Sera Mansinga (Caracasbaai); Salifia van Jan Thiel; Midden Seinpost; De oevers van St. Jorisbaai en eilandjes; Noordkant-oost, met oa. Plantage Noordkant; Ronde Klip; Conserveringsgebieden in het stedelijk woongebied: Fort Nassau, Seru Domi, Zwarte Berg, Veerisberg en Jack Evertszberg; Ser'i Kloof te Steenen Koraal; Seru den Banki (ten oosten van de luchthaven); Rooi Rincon (Hato); Malpais en wijde omgeving; Noordkant -midden; Fontein en omgeving; Rif St. Marie en omgeving; San Juan; Pannekoek en omgeving; Heuvel van 60 m. bij San Juan Chikitu; Seru Largu en Seru Kuater Kana; Kunuku Largu/Klein Sta. Martha; Bonavista - Hofi Abou - Fabi; St. Jozefsdal; Westpunt en wijde omgeving De inhoud van art. 9 Conserveringsgebied, De doeleindenomschrijving: 1. De gronden, welke in het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao 1995 (EOP) als zodanig zijn aangegeven, zijn bestemd voor behoud en herstel van de natuurwetenschappelijke, historische, culturele en landschappelijke waarden in deze gebieden. De beschrijving in hoofdlijnen De beschrijving in hoofdlijnen bestaat uit hoofdlijnen en nadere voorschriften voor de realisering van het toegestane grondgebruik. De beschrijving in hoofdlijnen dient ter verduidelijking van het ruimtelijk beleid van de overheid: een beschrijving in hoofdlijnen van de wijze waarop het doel of de doeleinden van het plan worden nagestreefd. De beschrijving in hoofdlijnen begint met een richtlijn in sub a. die aangeeft voor welke functies bebouwing en andere voorzieningen zijn toegestaan en een richtlijn voor de toelaatbare bouwhoogte (sub b.). De bebouwing en voorzieningen moeten op de eerste plaats het doel, zoals in de doeleindenomschrijving wordt geschetst (het behoud en herstel van de genoemde waarden) dienen. Beschrijving in hoofdlijnen van de wijze, waarop de doeleinden worden nagestreefd: 2.a. Toegestaan zijn bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van:
b. Indien bouwvergunning wordt aangevraagd voor bebouwing met een grotere bouwhoogte dan 6 meter, wordt deze slechts toegestaan, indien het met die grotere bouwhoogte te dienen belang van aantoonbaar groter belang is, dan de mogelijke hinder of ontsiering van de omgeving, welke door die grotere hoogte eventueel kan ontstaan. Vervolgens bevatten subleden 2.c, 2.d en 2.e verdere richtlijnen en specificaties van de algemene richtlijnen van lid 2 sub a.. Hier zijn de beleidsuitgangspunten aangegeven, waar het Bestuurscollege gemotiveerd van kan afwijken; het gaat om functies die eventueel toelaatbaar kunnen zijn, mits het doel van de bestemming daarmee bereikt wordt. De hier genoemde functies zijn aan het hoofdgebruik, zoals omschreven in de doeleindenomschrijving van lid 1., ondergeschikte functies. Deze subleden bevatten eveneens instructies dat er een afweging moet plaats vinden tussen het belang van het behoud en herstel van de aangegeven waarden en het belang van het toestaan van de genoemde bebouwing en voorzieningen. Essentieel is dat de bebouwing en voorzieningen die samenhangen met de hier genoemde functies op de eerste plaats het doel, zoals in de doeleindenomschrijving is geschetst dienen (het behoud en herstel van de genoemde waarden). De afweging van het toelaten van bebouwing en voorzieningen moet ook binnen dit kader plaatsvinden, waarbij a-priori aangegeven is dat het belang van het behoud en herstel van de genoemde waarden steeds doorslaggevend is. Dit wordt ondersteund doordat slechts voorwaardelijk andersoortige bebouwing en voorzieningen mogelijk kan zijn. De normen 'geen onevenredige schade' en 'in (zeer) beperkte mate' zijn hierbij steeds de afwegingscriteria, waarbij de invulling van deze criteria afhankelijk kan zijn van de situatie ter plekke. Het gaat om de volgende nevenfuncties:
Samengevat: Het kader voor de uitwerking van de bestemming is dus op de eerste plaats gelegen in de doeleindenomschrijving van lid 1: behoud en herstel van de natuurwetenschappelijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, met daarbij de mogelijkheid tot bebouwing en voorzieningen voor behoud en herstel van de genoemde waarden, verkeer en extensieve dagrecreatie in de open lucht. Op de tweede plaats gaat het om de beschrijving in hoofdlijnen: Behoud en herstel van de nevenfunkties, onder voorwaarden, zoals maatschappelijke doeleinden, intensieve dagrecreatie, verblijfsrecreatie, detailhandel, aanverwante dienstverlening, dienstwoningen en andere woningen. Uitwerken van de bestemming conserveringsgebied Om nader invulling te geven aan het gebruik, en met name wat onder behoud en herstel van de genoemde waarden van conserveringsgebieden moet worden verstaan, is door de DROV dit jaar een onderzoek gedaan naar de uitwerking van de bestemming conserveringsgebied. Bij gebrek aan een vaststaand beleidskader is daarbij gekozen voor het behoud van biodiversiteit als uitgangspunt. De speciale omstandigheden van kleine eilanden vormen daarbij een extra uitdaging. Getracht wordt om aan de hand van vier, fundamentele doelstellingen van natuurbeheer, gericht op het behoud van de biodiversiteit van het eiland op lange termijn, de ruimtelijke doelstelling van de bestemming conserveringsgebied te verbinden:
De invulling van het doeleinde van art. 9 zal aan deze vier doelstellingen getoetst moeten worden. Hiermee is een duidelijke relatie gelegd tussen de ruimtelijke ordening en natuurbeheer. Behoud en herstel Gesteld kan worden dat voor natuurbehoud alleen het aanwijzen van conserveringsgebieden niet voldoende zal zijn. Het streven van zowel het ruimtelijk beleid voor de conserveringsgebieden, als het natuurbeheer, zal dan, behalve het tegengaan van fragmentatie, het realiseren moeten zijn van een eilandelijke ecologische structuur. Het eilandelijk geheel van groene (natuur)gebieden, kleinschalige vegetatieclusters en hun onderlinge verbindingen en bufferzones, zoals deze te vinden zijn in gebieden met de bestemming Toeristisch gebied (art. 7), Agrarisch gebied (art. 8), Conserveringsgebied (art. 9), Parkgebied (art. 10), Landelijk woongebied (art. 11), Open land (art. 12) en Water (art. 13). Al deze bestemmingen hebben als toelaatbare gebruiksdoeleinden doeleinden van landschaps-, cultuur- en natuurbehoud. Daaraan verbonden, dient aandacht te worden besteed aan de grootte, nabijheid en onderlinge verbondenheid van natuurgebieden, de patronen daarbinnen en het hele landschapsbeheer en de daarbuiten gelegen gebieden. Hierop aansluitend wordt bekeken of het instrument uitwaartse zonering kan worden toegepast: Het gebruik van gronden buiten het Conserveringsgebied, met een andere bestemming en/of de aard van de activiteiten daar, wordt op diverse manieren beïnvloed door het bepaalde voor het Conserveringsgebied. Dit kan gebeuren via diverse beleidsterreinen van de overheid (bv. hinderverordening, afvalbeleid en afvalstoffenwetgeving, waterhuishouding (grondwaterbeheer), jachtregulering) en hier ligt een mogelijkheid tot integratie met het ruimtelijk beleid.
Afwegingskader Bij de uitwerking van de bestemming Conserveringsgebied worden ook de normen 'onevenredige schade of verstoring' en 'in (zeer) beperkte mate' uitgewerkt aan de hand van de genoemde vier doelstellingen van natuurbeheer, waarbij steeds naar de schaal en de aard van de betreffende activiteit in relatie tot de schaal en de aard van het gebied moet worden gekeken, in combinatie met de factor tijd. De factor tijd is met name van belang omdat cumulatie van negatieve effecten moet worden vermeden. Tenslotte worden de, volgens de nevenfuncties toelaatbare, vormen van bebouwing en voorzieningen uitgewerkt. Conclusies Ter afsluiting dient het volgende te worden opgemerkt. Het uitwerken van de bestemming Conserveringsgebied biedt de mogelijkheid om te kunnen afwegen welk gebruik in welke mate toelaatbaar kan worden geacht. Duidelijk is wel dat het gebruik van conserveringsgebieden niets zegt over het (noodzakelijke) beheer. Het beheer van conserveringsgebieden, in de zin van natuurbeheer, is op Curaçao nog weinig uitgekristalliseerd. Het recente voornemen om te komen tot een natuurbeleidsplan voor Curaçao is dan ook zeer toe te juichen. Hiermee kan het gebruik en het noodzakelijk beheer, en de bijbehorende organisatie ervan, van conserveringsgebieden en andere groengebieden worden ingekaderd (vergunningen en andere voorwaarden) en kunnen instrumenten en normen worden ontworpen voor de uitvoering van het natuurbeheer. Voor een effectief natuurbeheer zullen overheid en particuliere grondeigenaren over meer dan alleen ruimtelijke instrumenten moeten kunnen beschikken. Het belang van de vaststelling van de concept-Landsverordening Grondslagen Natuurbeheer kan dan ook niet genoeg worden benadrukt. Noodzakelijke ingrediënten zijn:
Over vijf jaar wordt het EOP conform de EROC herzien. Er zal dan meer informatie en data voorhanden moeten zijn voor de verdergaande onderbouwing en ondersteuning van het behoud en de eventuele uitbreiding van conserveringsgebieden. Er is daarom continu onderzoek nodig naar de natuurwaarden van het eiland voor dit beleid, maar niet minder ook voor het brede publiek. Hoe gaan we de doorsnee burger overtuigen van het belang en de waarde van natuur? Waar de r.o. haar aandeel heeft aangedragen voor het behoud van natuurgebieden, zullen ook andere instanties zich concreet moeten inspannen voor het behoud en beheer van deze gebieden. Er is geen/onvoldoende politiek en ambtelijk draagvlak voor het behoud van natuurgebieden. Daarnaast zal de samenleving zich moeten bezinnen op hetgeen heden ten dage 'ontwikkeling' wordt genoemd en zich gaan afvragen welke ontwikkeling daadwerkelijk aan de verbetering van het welzijn bijdraagt. Er ligt nu ook een zware verantwoordelijkheid bij andere instanties. WIE gaat nog meer aan de slag?
VII: INLEIDING DOLFI DEBROT: HET VEILIGSTELLEN VAN NATUURGEBIEDEN: DE NATUURINVALSHOEK (niet verder uitgewerkt). Inleiding De taakgebieden van Carmabi/Stichting Nationale Parken, Nederlandse Antillen zijn:
Welke zijn de waarden van de natuur? -toerisme, oogst, recreatie, wetenschap, cultuur, biosphere, bescherming infrastructuur tegen natuurrampen. Rechten van de natuur. Waaruit bestaat het natuurbeheer?
Soortenbeleid richt zich op:
Enkele kanttekeningen bij het gebiedenbeleid: -tijdsdruk, goedkoopste soortenbescherming, protest: beperking eigendomsrecht, criteria voor optimalisatie. Welke zijn deze criteria?
Welke gebieden kunnen we identificeren? -kern(natuur)gebieden, buffergebieden, corridors, "buitenliggende" gebieden
Op eilanden als de N.A. kan gesproken worden van een extra kwetsbaarheid:
kleinschaligheid = kwetsbaar. gevolg: percentueel groter areaal nodig voor adequate bescherming Ruimtelijke ordening:
een optimale aanwijzing van conserveringsgebieden, zodat:
VIII: SPEECH KALLI DE MEYER: MARINE PARK MANAGEMENT Introduction As manager of the Bonaire Marine Park I have been asked to speak to you about marine protected areas (MPA) MANAGEMENT. The concept of MPAs is not a new one. The Jamaican cays were already legally protected as early as 1907. However the active management of MPAs is a VERY new concept. A report by OAS/NPS commissioned in 1988 reported that a stunning 84% of MPAs in the Caribbean were not full managed, 75% had no effective day to day management and 50% of them even lacked personnel. Considering their economic importance this is staggering. So that it would appear that passing legislation to create MPAs is the easy part. The knowledge of how to manage MPAs is, I'm pleased to report, increasingly sought after. The Bonaire Marine Park has hosted delegations within the past 3 months from both Cuba and Trinidad intent on learning how to actually go about protecting their marine resources. It is very gratifying to learn that St. Maarten, Statia and Aruba are about to join those islands which are far sighted enough and value their marine assets enough to actively protect and conserve them. Building blocks for successful MPA management Of course first of all you need an AREA to protect. When Tom van't Hof set up the Marine park on Bonaire he was forward thinking enough to adopt a holistic approach to the establishment of the Park so that the Bonaire Marine Park stretches from the high water mark to the 200' depth contour all around Bonaire and Klein Bonaire. As soon as you set foot in the water here you are in the Marine Park and subject to its rules and regulations. This has prevented the kind of problems seen on Cayman, for example, where they have a fragmented system of protected areas. Here an extremely important heartland reserve is threatened by dredging activities in the main Sound which lies outside of their protected areas. Where there are multiple uses of a protected area ZONING is an excellent way of reducing conflict. It is also worth bearing in mind when considering MPAs that there is no "outside" of a marine park. Whilst we can easily draw artificial lines around an island this takes no account of the continuous nature of water and the life contained in it nor the migration of species as young and adults. These problems call for protection and cooperation on a global scale. Secondly a protected area needs a MISSION STATEMENT. A mission statement should be a clear and succinct statement of the purpose of the protected area. This will ensure that everyone knows what the goal is and begins the long process of establishing a value for the protected area. An MPA might be managed as a park, preserve or reserve and this will in turn determine the level of protection required. I believe we have moved beyond the concept of sustainable use of the environment and now need to emphasis the need to maintain a sustainable environment rather than sustainable use of that environment. A subtle but important distinction. The mission statement should therefore lead into the policy making process and hopefully culminate in a management plan for the protected area. Another necessary ingredient is a LEGAL FRAMEWORK for the protected area. I would like to note that having a legal protection for an area is not an elixir and does not solve problems per se particularly when it is a local ordinance with a maximum fine of just Naf 5,000.00. Many parks operate very well without specific legislation e.g Washington Slagbaai and Christoffel National Parks. “Legalese” can in itself become self perpetuating and legislation is seldom if ever perfect. The Bonaire Marine Park was fortunate enough to have had a strong legislative foundation in the Marine Environment Ordinance (A.B 1991 Nr.8) from the outset, nevertheless we have some fundamental legal problems to overcome such as the question of who is legally responsible in cases where an employee, a company and an owner are involved in some infraction. Legislation does, however, give you the means to ban or limit extractive or destructive practices and provides recognized sanctions for offenses. A protected area also needs a sound INSTITUTIONAL STRUCTURE with management being delegated to a body which commands respect locally and which includes representatives of the user community (as in order to function successfully the user community needs a say in the decision making process). Its actions and policies need to be transparent as an MPA is public domain and this demands public accountability. Finally, and very importantly it takes FUNDING to run an MPA. The possibilities for acquiring start up funding have already been discussed. Equally importantly the MPA needs a continuing source of funding. This was a lesson that the Marine Park learnt the hard way. The Park was first set up in 1979 with funds from the Dutch and local governments and from WWF Holland. The grant funding from WWF was for a period of 3 years and at the end of that term with no more money coming, active management ceased and the Bonaire Marine Park joined the ranks of the so called "paper parks". It took until 1991 before sufficient impetus could be created for the Marine Park to be revitalized, with money from KabNA under the "MJP funds". This time some significant strings were attached to these funds, most importantly that the Park must become self financing within the term of the grant. We learnt that just because you can't fence it does not mean you can't charge admission fees to enter it ! As of January 1992 the Bonaire Marine Park has been charging divers a $10.00 annual admission fee to the Park and as of the end of that year the Marine Park became self financing. Financing does not stop with admission fees and the possible avenues for obtaining funding are basically limited only by the law and your imagination ! As our Commissioner announced BMP will be introducing fees for other users of the Marine Park (snorkellers, windsurfers and yachties). We accept donations and actively seek grant funding. Other sources of funding include souvenirs and usage fees (for private moorings). Elements of daily management
What MPA management is really all about! Now I would like to share with you what I believe MPA is really all about ! It is about MAKING THINGS HAPPEN. In English we have an expression "you can lead a horse to water but you can't make him drink". Often times a big part of our job should be to persuade the horse that he is thirsty ! Persuading reluctant dive operators that admission fees are good, persuading a consumer orientated tourist office that conservation is cool. Providing a solution may not be enough. User groups need to be able to participate in the management process. It is about SECURING COMMUNITY INVOLVEMENT. Involvement leads to support. The best funded and managed MPA cannot make it happen alone. Working with the community instead of imposing our solutions on the community is a receipt for achieving lasting results. Never underestimate the importance of EDUCATION. And if as we heard yesterday people do not even know that bees pollinate flowers, imagine how much more ignorance there is about an underwater world they can't even see It's also about NETWORKING - building partnerships on island and off island and working together to find solutions. Tapping into existing expertise - who wants to waste their time re-inventing the wheel ! Finally its about a certain FLEXIBILITY of approach combined with CREATIVITY. As Henry Ford said "don't find fault - find a remedy" ! We found, for example that we were having problems with ballast water discharge. Not only did ballast water often contain a high sediment load, it was coming from heavily polluted areas, such as European estuaries, and had a high potential for introducing unwanted exotic species onto our reefs. The Marine Environment Ordinance is not preventative, therefore before any action could be undertaken the damage had already been done. However the Harbour Regulations allow the Harbour Master to refuse entry to a vessel if he "thinks" there may be a problem. A combination of these two ordinances has allowed us to introduce a "Ballast Water Declaration" which must be signed by the Captain of every vessel which will be discharging ballast water on Bonaire. This statement (which is faxed ahead to vessels via their shipping agent) requires that ballast water be taken at least 12 miles off shore and be free from any visual signs of pollution. It has proved tremendously successful. What we have achieved Some of our notable successes include:
I would like to share with you the fact the BMP has 4 full time members of staff for a park of 2,600+ hectares catering to more than 60,000 tourists annually ! Problem areas Some of the problem areas we still face include:
I would like to finish by quoting Capt. Don Stewart: Bonaire is to conservation as Greenwich is to time. We, on Bonaire, are committed to making this a reality. |
|||
Deelnemerslijst
Platform Natuur Conferentie, * niet aanwezig bij de aanvaarding van de Slotverklaring |
|||
| Land N.A. * Mw. B. Doran-Scoop
* Ben Whiteman
Jeffrey Sybesma
Nico Visser
Gerard van den Dungen
Willem Riedijk
Chris Jager
Ron Pin, Monte Horsford,
Walter Bakhuis,
Dolfi Debrot, Curaçao Miriam Jonker
Gerard van Buurt
Leon Pors
Paul Hoetjes
Susan v Woensel
* Jimmy de la Fuente
Tevens Jan van Dijk
Tim van den Brink
Bonaire * dhr. Vis
* Robby Beukenboom
Eric Newton * Inge Jaspers
Marjolein Hoff
|
Patrick
Strauss Kalli de Meyer
Hans Rietveld Christie Dovale
DerkJan Norde
Joris v Rossum
St Eustatius Jan Faber
St. Maarten Peter Kant
Anne Kristie Hoogbruin
* Marjolein Richardson
Elsje Wilson
Saba Tom van 't Hof
Aruba Armando Curet
Roeland de Kort
Byron Boekhoudt
A v Schaick
Egbert Boerstra
Jamil Colina
Carlos Perez
Erik van Zadelhoff
Carel Drijver
* Harm van der Velde
|
||
|
|
|||