Vijfhonderd jaar natuur op Curaçao: verleden, heden en toekomst.

"los tiempos que pasarán y que nunca volverán"


Gerard van Buurt

        
Wij leven in het heden. Van het recente verleden hebben wij in het algemeen een vrij duidelijk beeld, maar naarmate wij verder in het verleden teruggaan wordt dit beeld vager. Wij baseren ons beeld van dit verleden op wat ouderen ons verteld hebben, op wat er in de geschiedenisboeken staat en wat oude bronnen en kroniekschrijvers vermelden. Ook trekken wij vergelijkingen met andere gebieden waar de tijd als het ware "is blijven stil staan". Ook de archeologie en de geologie geven inzicht in het verleden. De ontwikkelingen in de toekomst zijn moeilijk te voorspellen. Wij kunnen bepaalde trends extrapoleren, maar steeds ook zullen er nieuwe, onvoorziene ontwikkelingen zijn, die een toekomstvoorspelling op grond van trends zullen loochenstraffen. Voorts hebben Wij vaak de neiging om te overschatten wat er in twee of drie jaar kan gebeuren en te onderschatten wat er in twintig jaar of meer kan gebeuren.
Hoe heeft de natuur op Curaçao er 500 jaar geleden uitgezien? Toen de eerste Europeanen hier aankwamen waren er al Indianen op het eiland en was de natuur al door hen beïnvloed. Reeds 2500 jaar voor Christus waren er Indianen op het eiland, die wij thans Paleo-Indianen noemen. Vanaf vermoedelijk ongeveer het jaar 500 leefden er Caquetío Indianen op Curaçao. Hoe hebben deze Indianen de natuur beïnvloed en hoe is het daarna verder gegaan?
De belangrijkste processen die de natuur beinvloed hebben zijn de introductie van nieuwe soorten, uitroeiing of sterk teruglopen van soorten door overexploitatie (jacht, selectieve houtkap en visserij) en veranderingen in het milieu (habitat destruction, milieuvervuiling, olievervuiling, klimaatsveranderingen e.d.)

INTRODUCTIES

De meeste introducties van nieuwe soorten zijn van invloed op de natuur. Soms is het effect onmiskenbaar. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de introductie van de geit. Soms ook is de invloed nauwelijks merkbaar. De nieuwe soort neemt dan een plaats in de natuur in, de zgn. ecologische niche, die nog niet "bezet" was door een andere soort of andere soorten. Meestal is er echter wel invloed maar is onze kennis van de ecosystemen ontoereikend en zijn er geen concrete gegevens beschikbaar die het mogelijk maken om duidelijke conclusies te trekken over de aard en omvang van de invloed. Het lijkt erop dat de chonchorogai of andesmus (Zonotrichia capensis) sterk in aantal is afgenomen. Of is dit een subjectieve impressie en is er alleen sprake van een teruggang in bepaalde habitats? Houdt dit uitsluitend verband met de introductie van de saffraanvink en/of de Europese huismus? Of spelen wellicht ook totaal andere factoren een rol? Zo zijn er nog meer waarop wij het antwoord (vooralsnog?) schuldig moeten blijven.

Introductie van nieuwe soorten door de Indianen

De eerste bewoners van Curaçao, de Indianen, hebben al nieuwe planten en dieren op het eiland geïntroduceerd en een aanvang gemaakt met jacht op dieren. Voor bepaalde soorten begon toen reeds de overexploitatie. Het zgn. Curaçaosch konijn of "cottontail rabbit" (Sylvilagus floridanus nigronuchalis) en ook het Curaçaosche hert de "white-tail deer" (Odocoileus gymnotis currassavicus) zijn zeer waarschijnlijk door de Indianen op het eiland ingevoerd. Het is onwaarschijnlijk dat deze dieren de oversteek naar een eiland in open zee, zoals Curaçao, op eigen kracht hebben kunnen maken. Bij opgravingen van een Caquetío nederzetting te San Juan (Curaçao) werden behalve overblijfselen van het "Curaçaosch" konijn en het "Curaçaosche" hert ook overblijfselen gevonden van nog andere Zuid-Amerikaanse zoogdieren, die niet (meer) op Curaçao voorkomen en dit eiland evenmin op eigen kracht hebben kunnen bereiken. Het betreft een agouti (Dasyprocta sp.), een paca (Agouti paca) en een andere hertensoort, namelijk de "brocket" deer" (Mazama gouazoubira). Bij opgravingen van de Caquetío nederzetting te Santa Barbara werden eveneens overblijfselen van een agouti en een brocket deer aangetroffen en ook van een cavia (Cavia porcellus). Tevens werden op Santa Barbara overblijfselen gevonden van een Zuid-Amerikaanse zoetwaterschildpad. Ook op Aruba en Bonaire werden overblijfselen gevonden van niet-inheemse zoogdieren die zeker door de Indianen zijn geïmporteerd (zie Haviser 1994). Tevens werden op Santa Barbara overblijfselen gevonden van de Caribische zeehond, of monniksrob (Monachus tropicalis), deze was wel inheems (zie verder). Dieren zoals de agouti, de paca en de "brocket deer" zijn dieren die een vochtiger klimaat, met meer vegetatie nodig hebben en zich op Curaçao niet in het wild kunnen handhaven. Het is mogelijk dat een soort zich enkele jaren weet te handhaven maar uiteindelijk toch uitsterft. Dit kan b.v. na enige opeenvolgende jaren van grote droogte. Zo hebben in de jaren '60 (van de 20e eeuw) enige agouti's in het hofje van Santa Cruz geleefd. Aangenomen mag worden dat zij daar door iemand waren losgelaten. Na verloop van tijd zijn deze dieren verdwenen. Ook treffen wij Indiaanse kikkermotieven aan, terwijl kikkers niet op Curaçao voorkwamen (De Haseth 1993, Haviser 1994). Het kan zijn dat alleen deze motieven van het vasteland werden meegenomen, maar het is niet onmogelijk dat Indianen ook kikkers hebben meegenomen, die zich na verloop van tijd niet wisten te handhaven. De dori maco is op Curaçao pas in 1910 ingevoerd (zie verder). De leguaan op Aruba, Curaçao, Bonaire, Klein Bonaire en Los Roques is zo duidelijk verschillend van die van het vasteland en reeds aangepast aan het leven op semi-aride eilanden, dat het onwaarschijnlijk is dat dergelijke ingrijpende aanpassingen zich in een tijdbestek van slechts 4000 à 5000 jaar zouden hebben voltrokken. Dit betreft o.a. gedrag, grootte en legsels. Het lijkt in dit geval dan ook waarschijnlijker dat de groene leguaan reeds lang op deze eilanden is en deze op natuurlijke wijze heeft weten te bereiken, dus niet door de Indianen werd ingevoerd.

Ook hebben de Indianen vele planten geïntroduceerd. Sommige konden zich in het wild handhaven. De Amerikaanse kalebas (Crescentia cujete) is een goed voorbeeld van een plant die door velen als een inheemse plant beschouwd wordt, maar die vrijwel zeker door de Indianen werd geïmporteerd. Deze plant kan zich namelijk zonder hulp van de mens niet verspreiden. De verspreiding van deze plant vindt tegenwoordig voornamelijk plaats door de mens en door hoefdieren, zoals ezels en geiten die hele of opengebroken vruchten eten en de zaden verspreiden. Vóór 1492 was er nog geen vee in de gebieden in Midden- en Zuid-Amerika waar de kalebas vandaan komt. Ook de mens is geologisch gezien een late immigrant in Amerika. Verondersteld wordt dat de Amerikaanse kalebas soorten (Crescentia spp.) voordat de mens in Amerika aanwezig was, vooral verspreid werden door olifantachtigen met name de zgn. gomphoteren. Dit zijn een soort mastodons (Janzen & Martin 1982), die in Midden- en Zuid-Amerika voorkwamen. Deze olifantachtigen zijn pas vrij recent door de mens uitgeroeid (zie noot 1)(Ward, 1997).
Zeker is dat de Indianen meerdere soorten planten en gewassen hebben geïmporteerd. Dit zijn o.a. de maïs (maíshi grandi), bonen, tabak, de marihuri of wilde yuca (Manihot carthaginensis) De meeste van deze gewassen kunnen zich zonder hulp van de mens niet in de natuur handhaven. Waarschijnlijk is ook de palmiet of palma llanera (Copernicia tectorum) door Indianen geïmporteerd. Dit is een nuttige palm waarvan de zaden eetbaar zijn. De stevige vezels van de bladeren en stengels zijn geschikt voor vlechtwerk. Het blad is zeer geschikt als dakbedekking. Deze palm groeit op vochtige plaatsen maar is, als deze zich eenmaal gevestigd heeft, zeer droogtebestendig. Ook andere nuttige bomen kunnen geïmporteerd zijn. Een vruchtboom als de hoba (Spondias mombin) is zeer waarschijnlijk reeds door de Indianen geïmporteerd. De Caquetío kenden en gebruikten katoen. Zeker zullen zij dit gewas, dat hier goed groeit, als het er nog niet was, ook op Curaçao hebben ingevoerd. Misschien zijn er nog andere planten die wij als inheems beschouwen, omdat zij zich geheel zonder hulp van de mens in stand kunnen houden en verspreiden, door de Indianen geïmporteerd. Dit valt echter moeilijk te bewijzen. De katoen valt in deze categorie. Het is zeer wel mogelijk dat Gossypium barbadense reeds op het eiland voorkwam. Op vele Caribische eilanden maakt deze plant deel uit van de natuurlijke vegetatie langs de kust.

Introducties na 1499

Met de komst van de Spanjaarden in 1499 onderging de natuur grote veranderingen. De belangrijkste factor was ongetwijfeld de invoer van geiten en schapen. Ook ander vee werd geïntroduceerd: ezels, varkens, koeien en paarden. Het varken (Sus scrofa) wist zich op Curaçao tot een soort Curaçaosch landras te ontwikkelen (Husson 1960, Boekschoten 1981). Behalve vee werden ook honden en katten en pluimvee zoals kippen ingevoerd. Het Europees konijn weet zich op Curaçao niet in het wild te handhaven en is na ontsnapping doorgaans binnen enkele dagen dood.
De vegetatie op sommige eilandjes, zoals Isla Bechi en Isla di Makuaku (in de Sint Jorisbaai), die geiten, schapen en ander graasvee niet kunnen bereiken geeft aan hoe de vegetatie er voordat deze dieren geïntroduceerd werden ongeveer kan hebben uitgezien. Ook treft men "oorspronkelijke" vegetatie op rotsblokken e.d. die geiten niet kunnen bereiken (Debrot & de Freitas 1992).
De invoer van Europese ratten en muizen (familie: Muridae), de huismuis (Mus musculus), de bruine rat (Rattus norvegicus) en de zwarte rat (Rattus rattus) heeft geleid tot het uitsterven van een aantal Amerikaanse ratten en muizen die op Curaçao voorkwamen. Deze laatste waren knaagdieren die behoren tot de familie Cricetidae een familie van ratten en muizen die voornamelijk in de Nieuwe Wereld voorkomen, maar waar ook de hamsters uit de Oude Wereld toe behoren. De thans zeer zeldzame djaka di caña (Calomys hummelincki syn. Baiomys hummelincki) is op Curaçao bijna uitgestorven. Deze muis, die in het Nederlands dwergwitvoetmuis genoemd wordt, eet grassen en (gras)zaden. Dit dier is zeldzaam geworden, waarschijnlijk als gevolg van de introductie van de zwarte rat en de huismuis en wellicht ook door competitie met geiten, schapen en ander vee, die eveneens gras en dus ook de graszaden eten. De naam djaka di caña onstond omdat dit dier vooral in sorghum velden werd aangetroffen (nadat de sorghum uit Afrika werd ingevoerd). Thans kent vrijwel niemand de djaka di caña nog en is deze naam de Papiamentu naam voor een eekhoorn geworden.
Op Curaçao zijn ook fossiele resten gevonden van wat grotere ratachtige knaagdieren. De rijstrat (Oryzomys) is thans uitgestorven maar kwam ongetwijfeld in historische tijden nog voor. Een ander groter knaagdier dat wellicht in historische tijden nog op Curaçao voorkwam is Megalomys curazensis (Hooijer 1967, Husson 1960). In dit verband is het curieus dat de Papiamentu naam djaka di caña gebruikt werd voor een muis, die zelfs 20-25% kleiner is dan een huismuis en dat deze naam vandaar overging op een veel groter dier zoals de (geïmporteerde) eekhoorn. Was de naam djaka di caña misschien oorspronkelijk de naam voor Oryzomys of Megalomys?
Ook werden na 1499 nieuwe cultuurgewassen geïntroduceerd; dit waren gewassen zoals citrus, bananen, suikerriet, sorghum (maishi chikí), pinda's etc. Enkele van de reeds door de Spanjaarden geïntroduceerde planten weten zich in het wild of in verwilderde toestand te handhaven, b.v. de tamarijn (Tamarindus indicus) en de aloë (Aloe barbadensis). Wij weten lang niet altijd wanneer de introductie plaatsvond. Patia's, de "Curaçaosche" komkommer, meloenen, mispel, zuurzak, granaatappel: dit alles en nog veel meer werd geïntroduceerd. Kokosnoten werden geïntroduceerd uit het gebied rond de Indische oceaan. Het betreft de zgn. "Tall Coconuts" uit o.a. Oost-Afrika en de Seychelles. Deze kokosnoten staan ook bekend als kokosnoten van het zgn. "Niu Kafa"-type. De mango, die oorspronkelijk uit India afkomstig is, zou pas in 1782 vanuit Mauritius naar West-Indië zijn overgebracht (Renkema 1981). De Spanjaarden hebben ook katoen ingevoerd en de Hollanders hebben dit gewas opnieuw geïntroduceerd, zo kwam ook een andere katoensoort de Gossypium hirsutum op Curaçao terecht (Cathoentuin). In de 19e eeuw waren er vijf variëteiten katoen op het eiland (Renkema 1981). Geïntroduceerde planten die zich in het wild wisten te handhaven zijn o.a. de uit de Sahel afkomstige katuna di seda (Calotropis procera), die in de Sahellanden madar genoemd wordt, en de door de Nederlanders geïntroduceerde indigo (Indigofera tinctoria), die vooral in de 18e eeuw werd gekweekt. Met al deze planten kwam er ook een heel scala aan plantenziekten mee, waarvan er een aantal uiteraard ook van invloed waren op de aanwezige natuurlijke vegetatie. De groene stinkwants (Nezara viridula), die hier kapotjas werd genoemd, werd midden 19e eeuw ingevoerd. Enige jaren voor 1867 brak er een ernstige plaag uit van schildluizen op kokosbomen, waaraan veel kokosbomen ten gronde gingen (Terpstra 1948). Deze plaag moet wel door de kokosschildluis (Aspidiotes destructor) veroorzaakt zijn. Wij mogen dan ook concluderen dat deze schildluis omstreeks deze tijd op Curaçao is geïntroduceerd. Nieuwe plagen veroorzaken doorgaans de meeste schade in de eerste jaren na hun introductie, daarna ontwikkelen de planten vaak een zekere resistentie en ook ontstaat er een evenwicht in de natuur waarbij predatoren zich op de nieuwe plaag gaan richten.

Introducties die in de vorige eeuw plaatsvonden en die van grote invloed waren op de natuur van Curaçao zijn de palu di lechi (Cryptostegia grandiflora) en de korona di hesus (Balanites aegyptica). De palu di lechi werd geïmporteerd met het oog op extractie van rubber. De korona di Hesus is een doornige boom uit de woestijngebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten die sterke droogte verdraagt en die men thans in grote delen van het eiland aantreft. De korona di Hesus werd door Cornelis Gorsira op Curaçao geïntroduceerd. Gorsira heeft ook de doum- palm (Hyphaene thebaica) op Curaçao ingevoerd. Cornelis Gorsira was een Curaçaoënaar die fortuin gemaakt had met concessies voor fosfaatwinning. Eind vorige eeuw maakte hij een reis naar Egypte en Palestina en nam vandaar zaden mee van soorten waarvan hij vond dat deze ook op Curaçao zouden moeten groeien. Zijn reisverslag dateert van 1882. Hoewel de korona di Hesus dus reeds rond 1882 op Curaçao is, verspreidt deze plant zich nu nog steeds verder over het eiland en neemt deze boom inmiddels in veel gebieden een dominante positie in. Vergeleken met 30 jaar terug heeft deze boom zich veel verder over het eiland verspreid. Thans treft men deze boom in praktisch alle delen van Oost- en Midden-Curaçao aan, tot ongeveer de Kleine Berg, en is deze boom met zijn opmars naar Banda Abao begonnen. In de 19e eeuw werd de sisal (Agave sisalana) geïntroduceerd, een agave die afkomstig is uit Mexico en die vezels van superieure sterkte en lengte levert. Deze werd voornamelijk aangeplant op Malpaïs en is daar thans nog in verwilderde toestand te vinden. Ook op veel andere plaatsen op het eiland treft men deze sisal aan. De sisal plant zich in tropische laaglanden alleen vegetatief voort en bloeit en produceert alleen zaad en zaailingen in hooglanden die minimaal boven de 500 m liggen. Voor de zaadvorming zijn koude nachten nodig. Op Curaçao komen echter wel degelijk bloeiende sisalplanten voor, die levensvatbare nakomelingen produceren. Is hier destijds een laaglandvariëteit geïntroduceerd, die zich ook in het laagland sexueel kan voortplanten, of heeft de sisal zich in iets meer dan een eeuw aan het klimaat op Curaçao aangepast? Ook de cactus sürnam (Euphorbia lactea), die niet uit Suriname, maar uit de Oude Wereld afkomstig is treft men in verwilderde toestand aan. De heester "karpata" (Ricinis communis) werd uit de Oude Wereld geïntroduceerd. Voor het vee werden diverse nieuwe grassoorten geïntroduceerd, waarvan een aantal nu in het wild groeit. En zo zijn er nog diverse andere geïntroduceerde planten die zich in het wild of in verwilderde toestand in de Curaçaose natuur kunnen handhaven.

Recente introducties


Zeedieren

Het Panamakanaal vormt een barrière voor de meeste soorten zeedieren die op de romp van schepen zitten. Het kanaal is met zoet water gevuld. Ook het Suezkanaal vormt een barrière, die de verspreiding van zeedieren tegengaat. Het water van de Bittermeren heeft een verhoogd zoutgehalte. Ook de scheepvaartroutes om Kaap de Goede Hoop en Kaap Hoorn vormen een barriere, daar het water daar koud is en tropische organismen op de romp dit koude water niet kunnen overleven. In de jaren '50 en '60 zat er doorgaans veel olie in het ballastwater. Door internationale voorschriften tegen het lozen van olie (MARPOL) is het water in de ballasttanks van schepen veel schoner geworden. Ironisch genoeg heeft dit geleid tot een toename van de verspreiding van exotische organismen doordat de larven van deze dieren in het schonere ballastwater kunnen overleven. Deze worden zo overgebracht naar gebieden waar zij niet thuishoren. Er wordt thans gewerkt aan nieuwe voorschriften om ballastwater te ontsmetten.
Ook op de huid van schepen kunnen organismen overgebracht worden en kunnen sommige soorten toch de tocht door het Panamakanaal overleven. In 1997 werd een levend exemplaar van de "lesser grilled triton" (Galagno succineta) op de zeebodem bij Blauwbaai aangetroffen. Ook werd in 1998 een "adam's dwarf triton" (Oenebra muricoides) nabij Playa Mansaliña te San Juan aangetroffen. Dit zijn beide zeeslakken uit het Indo-Pacifische gebied die niet in het Caribisch gebied thuishoren. Het feit dat er enkele van deze "dwaalgasten" werden aangetroffen wil nog niet zeggen dat deze soorten zich mettertijd ook blijvend in het Caribisch gebied zullen vestigen, maar het geeft wel aan dat de kans daarop niet geheel denkbeeldig is.

Zeeappelsterfte. In 1983 werd een organisme vanuit de Pacific in het Caribisch gebied binnengebracht dat een zeer grote sterfte onder de zwarte zeeappel (Diadema antillarum) heeft veroorzaakt. Deze zeeappels grazen op filamenteuze algen. Deze algen kunnen het koraal overwoekeren. Het afsterven van deze zeeappel heeft geleid tot het afsterven en verarmen van grote delen van het ondiepwaterrif. In het diepere rif was het effect veel minder sterk, waarschijnlijk omdat hier minder licht is en de filamenteuze algen daar langzamer groeien. Het ondiepwaterrif van voor 1983 heeft opgehouden te bestaan. Thans lijkt het erop dat de zwarte zeeappel enige resistentie tegen de zeeappelziekte heeft opgebouwd en dat hun aantal weer toenemt. Zal het ondiepwaterrif ooit terugkeren?

De onderwater bossages van "staghorn coral" (Acropora cervicornis) die men op diverse plaatsen langs de zuidkust aantrof werden aangetast door de zgn."white-band disease". De verdwenen koralen zijn door zandvlaktes met enige algen (vooral Padina pavona) vervangen. Zeer waarschijnlijk heeft het optreden van deze white-band disease in de eerste plaats met hogere zeewatertemperaturen te maken (zie verder), waar met name de Acropora cervicornis gevoelig voor is. Mogelijk heeft het wegvallen van de begrazing door de zwarte zeeappel hierbij ook een rol gespeeld.

Om te kunnen weten wat er geïntroduceerd is, dient men eerst goed te weten wat er wel en wat er niet was. Doordat het onderzoek van het koraalrif met aqualong vrij recent is en er daarvoor geen goede inventarisatie van alle riforganismen bestond, valt, wanneer men nieuwe soorten ontdekt, niet altijd met zekerheid te zeggen of deze er misschien altijd al waren of dat het nieuwe geïntroduceerde soorten betreft.

De tunicaten (manteldieren) zijn diertjes die uit pijpjes van cellulose bestaan, zij pompen water door hun lichaam en filteren voedseldeeltjes uit het water. Vanaf ongeveer 1978 is de tunicaat Trididemnum solidum op Curaçao in grote aantallen op het rif te vinden. Van deze soort is bekend dat zij thans ook op Bonaire en in andere delen van het Caribisch gebied (San Blas bij Panama, de Caribische kust van Colombia en ook in Puerto Rico) in grote aantallen voorkomt. Deze tunicaten vormen grote plakkaten die tussen het koraal groeien en dit aan de randen kunnen overwoekeren. Het betreft hier een soort, die niet in het Indo-Pacifische gebied voorkomt, en waarvan bekend is dat deze altijd al in het Caribisch gebied aanwezig was. De vraag is of deze tunicaat ook op Curaçao en Bonaire altijd al aanwezig was, en er sprake is van een abnormale toename van hun aantal (dit kan te maken hebben met veranderingen in de ecologie van het koraalrif en ook verband houden met hoge zeewater-temperaturen), of dat deze, waarschijnlijk vanuit San Blas, geïntroduceerd is. Dit laatste lijkt waarschijnlijker. Hoewel er niet specifiek naar gezocht is, kan men zich niet herinneren dat dit organisme voor 1978 op Curaçao aanwezig was. Bovendien waren zij, na 1978, toen er op Curaçao op het rif al sprake was van een aanzienlijk aantal van deze kolonies, op Bonaire nog nergens te vinden (mededeling: J. Sybesma). De eerste kolonies op Bonaire werden in de omgeving van de BOPEC oil aangetroffen (mededeling: E. Newton).

In het verleden is er ook enige discussie geweest over de vraag of het koraal Tubastraea coccinea in het Atlantisch, en dus ook het Caribisch gebied, geïntroduceerd is of niet. Tubastraea coccinea is een oranjerood koraal dat groeit op beschaduwde plekken zoals rotswanden en de ingang van grotten. Dit is een van de weinige koraalsoorten die zowel in het Indo-Pacifische als in het Atlantische gebied voorkomt (Wood 1983). Dit koraal hecht zich makkelijk aan scheepsrompen. Om deze reden heeft men in het verleden gedacht dat deze soort in het Atlantisch gebied geïntroduceerd zou zijn. Thans neemt men echter aan dat het hier een cosmopoliet betreft die zich op natuurlijke wijze heeft weten te verspreiden.

Amfibieën

De dori maco (Pleurodema brachyops syn. Pleuroderma brachyops) is op Curaçao en Bonaire uit Aruba ingevoerd, op Curaçao ca. 1910 en op Bonaire in 1928 (Wagenaar Hummelinck 1940). In het noorden van Zuid-Amerika komt deze kikker alleen voor in de savannegebieden en drogere streken en niet in de beboste gebieden. De dori maco is een kleine lichtbruine grondkikker die veel op een pad lijkt. In de regentijd wanneer de dammen zich met water vullen en er elders diepere plassen water ontstaan, komen de volwassen dieren uit de bodem, waar zij in de droge tijd in een soort winterslaap ingegraven zitten. De paring begint, en de hele nacht door wordt er flink gekwaakt. Na enkele dagen wordt het gekwaak allengs minder en ziet men nesten van schuim, die op het water drijven. Deze nesten van schuim zijn karakteristiek voor kikkers van het genus Pleurodema. De Engelse naam voor Pleurodema brachyops "froth-nest frog" slaat op deze schuimnesten.
De fluitkikker (Eleutherodactylus johnstonei) is afkomstig uit de Kleine Antillen en komt voor op de meeste eilanden in deze groep. Kleine Antillen waar deze soort voorkomt zijn St. Croix, Anguilla, St. Maarten, St. Barth's, Saba en St. Eustatius, St. Kitts, Nevis, Montserrat, Barbuda, Antigua, Guadeloupe, Martinique, Sta. Lucia, St. Vincent, Grenada en Barbados (Schwartz & Henderson). Hij werd geïmporteerd in de kustgebieden van Venezuela, in Jamaica, Bermuda, Guyana en ook in Trinidad (Murphy 1997). Deze soort wordt veel in tuinen aangetroffen en weet zich in geurbaniseerde gebieden te handhaven. Op Curaçao is deze soort ook geïmporteerd, waarschijnlijk vanuit Venezuela, begin jaren '80. Deze fluitkikkers zijn thans over een groot deel van het eiland verspreid. Zij hebben zich in of in de buurt van tuinen weten te vestigen en handhaven. De dieren verblijven op vochtige plekken in tuinen, in potplanten, varens, heliconia's, bromelia's e.d.. Thans kunnen wij deze kikker als een genaturaliseerde soort beschouwen, hoewel zij zich niet in het wild weten te handhaven en van de altijd groene vegetatie in tuinen afhankelijk zijn. De fluitkikker is een kleine kikker die zich op de grond of in lage begroeiing ophoudt. Er loopt een donkere band over de snuit, het oog en het oor (tympanum). Op de rug zijn er donkerbruine chevron patronen. 's Nachts maken de mannetjes-kikkers hoge "bwií, bwií" fluitgeluiden die tot op grote afstand te horen zijn. Niet iedereen weet de indringende tonen en het indrukwekkende volume dat deze miniatuurkikkers voortbrengen te waarderen; temeer daar het geluid ook in de airco-kamer doordringt. Dieren die verplaatst worden weten de "home range" van een afstand van 50 m of meer terug te vinden. Er is hierdoor bij de zgn. Pest-control bedrijven vraag naar eliminatie van deze diertjes.

Reptielen

De "cosmopolitan house gecko" (Hemidactylus mabouia) is een vrij grote gekko (Pegapega), die een lengte van ongeveer 14 cm kan bereiken. Deze gekko heeft een basiskleur die varieert van grijswit tot lichtbruin met daarop een lichtbruine tot donkerbruine tekening. Op de rugzijde zijn er karakteristieke chevron patronen en op de staart gaan deze over in banden. Bij de juvenielen is dit patroon zeer duidelijk zichtbaar; de juvenielen zijn lichtbruin met donkere dwarsstrepen over het hele lichaam. Volwassen dieren kunnen hun kleur aanpassen van zeer licht tot veel donkerder. Het chevron patroon kan vaak flets zijn, en dit patroon is vooral op de rug, vaak vrijwel of geheel afwezig of niet duidelijk zichtbaar. De huid is gladder dan die van de inheemse soort Phyllodactylus maar is niet geheel glad, er zijn kleine tuberculi en ook enige iets grotere trihedrale tuberculi. De originele staart bezit rijen met kleine stekels. Vele dieren hebben echter geregenereerde staarten, die ronder zijn en geen stekels hebben. De geregenereerde staart is lichter van kleur en heeft geen bandenpatroon. In huizen is dit op Curaçao thans de meest algemeen voorkomende gekko, met name in de woongebieden rond Willemstad. In 1936 en '37 werd deze gekko door Wagenaar Hummelinck nog niet aangetroffen. Velen menen dat deze gekko pas rond eind jaren '80 algemeen geworden is. Er wordt vaak verondersteld dat de Cosmopolitan house gecko Hemidactylus mabouia met slavenschepen uit West-Afrika naar West-Indië getransporteerd werd en deze gekko wordt daarom ook wel "Wood slave" of "African wood slave" genoemd: de "slaaf" die met het hout uit Afrika meekwam.Vanzolini (1968) gelooft dat dit inderdaad waarschijnlijk is. Hoewel er in de oudere herpetologische literatuur niets specifieks over de introductie van deze soort te vinden is, wordt ook in Brazilië, al sinds de 18e eeuw, beweerd dat dit dier met de slavenhandel ingevoerd is. De kroniekschrijvers uit de 16e en begin 17e eeuw maken nog geen melding van een hagedisje dat in huizen leeft, dit terwijl hun beschrijvingen in alle opzichten bijzonder gedetailleerd zijn. Volgens Kluge 1969 wijst de verspreiding van deze soort en ook de verspreiding van de nauw verwante soort Hemidactylus brookii in de Nieuwe Wereld echter niet op menselijk transport en hebben zowel Hemidactylus mabouia als Hemidactylus brookii de Nieuwe Wereld op natuurlijke wijze, vanuit Afrika, met drijvende boomstammen of vlotten van vegetatie, weten te bereiken. Deze Nieuwe Wereld-soorten verschillen reeds enigszins van de Afrikaanse vormen, hetgeen erop wijst dat zij al reeds langer in de Nieuwe Wereld zijn en derhalve niet door de mens werden overgebracht. Wel zijn deze soorten, toen zij reeds in de Nieuwe Wereld waren, door de mens verder verspreid. In Midden-Amerika en Florida is Hemidactylus mabouia zeker wel door de mens geïntroduceerd en ook op Curaçao is dit een door de mens geïntroduceerde soort. Het lijkt erop dat deze gekko, althans in en rond huizen, met name de oorspronkelijke lokale soort Gonatodes antillensis verdringt en, in mindere mate ook de inheemse soort Phyllodactylus martini.

Zoogdieren

Ook de veestapel onderging in de loop der jaren veranderingen. Het is aannemelijk dat het proces van vermenging reeds in de Nederlandse tijd begonnen is. Het is bekend dat er in de loop der jaren ook geiten vanuit Nederland geïmporteerd zijn, de invloed hiervan op de veestapel is echter niet duidelijk te achterhalen. Volgens Boekschoten (1981) zijn er, (of waren er in 1981) exemplaren die veel op de zgn. "veluwse geiten" lijken; wit, langharig en voorzien van een bokkepruik. Waarschijnlijk zullen er in de Engelse tijd ook Engelse rassen zijn geïmporteerd. Vaak werden levende geiten als proviand op schepen meegenomen, soms overleefde de proviand de reis en werd de Curaçaosche veestapel met nieuw bloed verrijkt. In de 20e eeuw werden systematisch nieuwe rassen van schapen en geiten ingevoerd en fokprogramma's opgezet met de bedoeling het slachtgewicht te verbeteren. Deze programma's zijn voor een groot deel succesvol geweest. De geiten en schapen die nu op het eiland rondlopen vertonen dan ook duidelijk andere kenmerken dan het oorpronkelijke uit Spanje afkomstige vee. Het zgn. "Persian black-head" schaap werd waarschijnlijk vroeg in de 20e eeuw ingevoerd. Dit is een kortharig wit schaap met zwarte kop en nek. Vanaf begin jaren '70 wordt dit type schaap alweer verdrongen door de zgn. "black-belly", een bruin schaap met donkere buik, dat ingevoerd werd vanuit Grenada en Barbados. Vanaf de jaren '50 zijn veel zgn. "Anglo-nubian" geiten ingevoerd. Dit is een ras dat in de 19e eeuw door de Engelsen werd ontwikkeld in Egypte en Sudan (Nubia). De "Anglo-nubian" heeft langere oren en is veel zwaarder dan de oorspronkelijke "Curaçaosche" geit. De invloed van deze in deze eeuw geïmporteerde rassen is thans in het lokale vee duidelijk zichtbaar. Vanaf 1993 wordt ook de Zuid-Afrikaanse "boer-goat" ingevoerd. Ook hier zien wij dus een proces van continue verandering. Noch het vee noch de vegetatie zijn hetzelfde als toen de Spanjaarden zich op Curaçao vestigden.

Vogels

In 1953 werd de Europese huismus (Passer domesticus) op Curaçao geïntroduceerd door Johan Jonkhout. In het Papiamentu heet deze vogel dan ook para di Joonchi (Voous 1983). Jarenlang trof men deze vogel alleen bij Mundo Nobo aan. Thans echter wordt deze mus over zowat het hele eiland gesignaleerd, tot aan Westpunt toe. Men treft haar aan in de bewoonde omgeving. In sommige gebieden is de mus zeer talrijk. Het lijkt erop dat deze vogel na haar introductie, onder invloed van de natuurlijke selectie, een vrij lange periode van genetische aanpassing aan de omstandigheden op Curaçao onderging, alvorens de soort in staat was zich over het hele eiland te verspreiden.
De Afrikaanse koereiger (Bubulcus ibis) is een vogel die over grote afstanden migreert. In de jaren '30 werd deze vogel voor het eerst gesignaleerd in de Guiana's. Aangenomen wordt dat een groep van deze vogels de oversteek vanuit Afrika naar het Amerikaanse continent op eigen kracht heeft kunnen maken, daarbij wellicht geholpen door gunstige winden. Vanuit de Guiana's heeft de koereiger zich thans over grote delen van beide Amerikaanse continenten verspreid. In 1944 werd deze vogel voor het eerst gesignaleerd Aruba, in 1967 op Curaçao en in 1970 op Bonaire (Voous 1983). Thans is de koereiger een algemene verschijning op Curaçao. Het lijkt erop dat de koereiger een belangrijke predator van hagedissen is, zowel van de lagadishi (Cnemidophorus murinus) als van de totèki (Anolis lineatus).
De saffraanvink (Sicalis flaveola) is een vogel die afkomstig is uit de droge gebieden van Zuid-Amerika. Vanaf begin jaren '70 komt deze vogel in het wild voor op Curaçao. Op Aruba komt deze vogel voor sinds '79. Vrijwel zeker betreft het hier een populatie van ontsnapte volièrevogels; maar het is niet geheel uitgesloten dat deze vogel Aruba vanuit Venezuela heeft kunnen bereiken (Voous 1983). De para di misa (Dendroica petecha), is met name in de bewoonde gebieden zeldzaam geworden. Het is vrijwel zeker dat deze door de saffraanvink werd verdrongen. Terzelfdertijd dat de saffraanvinken in tuinen gesignaleerd werden verdween de para di misa. Wel kan men zich afvragen hoe dit mogelijk is, dit daar de para di misa een insecteneter is en de safraanvink een zaadeter, er is dus geen voedselconcurrentie. Het kan zijn dat de para di misa simpelweg door de saffraanvink verjaagt wordt. Doordat de saffraanvink veel op de para di misa lijkt wordt deze door velen para di misa genoemd en zijn velen zich er niet van bewust dat het hier niet om "de echte para di misa" gaat. De indringer heeft de para di misa niet alleen naar de mondi (bush) verdrongen, maar ook zijn identiteit overgenomen.
In 1991 werd de "shiny cowbird" (Molothrus bonariensis) op Curaçao aangetroffen in het wild (Debrot & Prins 1992). Ook hier betreft het een populatie die vrijwel zeker ontstaan is uit ontsnapte volièrevogels. De "shiny cowbird" is een blauw-zwarte vogel die lijkt op en behoort tot de familie van de Icteridae. Deze familie omvat de troupials, blackbirds en orioles. Deze vogel legt haar eieren in nesten van andere vogels, evenals een koekoek en kan mede daardoor een bedreiging vormen voor allerlei andere soorten vogels. Het betreft met name de gele troepiaal (Icterus icterus), de oranje troepiaal (Icteris nigronuchalis), de para di misa (Dendroica petecha) en de chonchorogai of andesmus (Zonotrichia capensis), (zie Debrot & Prins 1992). Op Martinique heeft de "shiny cowbird" de populaties van de endemische Martinique oriole (Icterus bonana) sterk nadelig beïnvloed.
Thans zien wij dat er diverse verwilderde papegaaien rondvliegen. Dit zijn o.a. de "chestnutfronted ara" (Ara severa) en de "yellow-crowned amazon" (Amazone ochrocephala). Amazona ochrocephala heeft zelfs op enkele plaatsen in het wild gebroed. In het verleden werden ook verwilderde rose-ringed parkieten (Psittacula krameri) en bibitu's (Forpes passerinus) op Curaçao aangetroffen en hadden deze kleine broedkolonies gevormd. Waarschijnlijk zijn al deze dieren door volièrehouders weer weggevangen. In ieder geval hebben deze soorten zich nog niet permanent op Curaçao weten te vestigen.

Planten, plantenziektes en schadelijke insecten

De meeste sierplanten werden pas in deze eeuw op Curaçao geïntroduceerd. Palmen en andere sierplanten die uitsluitend voor ornamentale doeleinden worden gebruikt zijn pas deze eeuw in zwang geraakt, toen de mogelijkheid om met windmolens of met de waterleiding te irrigeren ontstond. Er zijn op Curaçao een aantal soorten koningspalmen die alle uit de Caribische regio afkomstig zijn. De koningspalm (Roystonea spp.) heeft veel water nodig; op oude foto's zien wij nergens grote koningspalmen. Op foto's uit het begin van deze eeuw van huizen op Scharloo is een enkele kleine koningspalm zichtbaar. Hiermee is natuurlijk niet gezegd dat dit de eerste koningspalmen op Curaçao waren. Wel geeft het aan dat de eerste koningspalmen in tuinen vermoedelijk pas begin deze eeuw in zwang raakten. De Fiji-palm (Pritchardia pacifica) die afkomstig is uit de Pacifische eilanden ziet men nergens op foto's uit het begin van deze eeuw. In het boek Scharloo van Paulina Prunetti-Winkel ziet men op enkele foto's van Van der Wal uit 1954 Fiji-palmen, waarvan de grootste vermoedelijk 20-25 jaar oud is. Het lijkt aannemelijk dat de Fiji-palm in de jaren '20 of '30 op Curaçao geimporteerd werd (dit kan verband houden met de opening van het Panama-kanaal) en in de jaren daarna een "mode"-plant werd.
De Manila palmen zijn eind jaren '50 in zwang geraakt. Ook de flamboyant (Delonix regia), die uit Madagascar afkomstig is was in de jaren '40 een mode-plant, dit hoewel deze toen reeds geruime tijd op het eiland was. Een van de meest recente introducties is de washingtonia-palm (Washingtonia robusta) die vanaf 1980 steeds meer in plantsoenen en beplantingen rond hotels wordt aangetroffen; daarvoor waren er reeds enkele exemplaren op het eiland. Ook werden in deze eeuw nieuwe variëteiten van fruitbomen en gewassen geïntroduceerd. Van de papaya werden nieuwe virusresistente variëteiten geïntroduceerd. In de jaren '50 kwam de import van de Maleise dwergkokos-variëteiten op Curaçao op gang (de zgn."dwarf coconuts"). Men treft dwergvariëteiten met licht-gele, oranje en met groene vruchten. De Maleise dwergkokospalmen dragen veel eerder vrucht en worden lang niet zo hoog als de "Tall coconuts". Hierdoor worden de "Tall coconuts" niet meer aangeplant en zijn deze nog maar op enkele plaatsen te vinden (o.a. op de plantages San Juan en in de hofjes van Klein Santa Martha en Lagun). Wel zijn er nog kokospalmen die zeer waarschijnlijk hybriden van "Tall coconuts" en de Maleise dwergkokospalmen zijn.

Wat was het effect van al deze introducties op de oorspronkelijke natuur? Sommige sierplanten weten zich in het wild te handhaven. Op sommige plaatsen worden Afrikaanse kalanchoë aangetroffen en ook sanseviera's (lengua di suegra). Ook deze eeuw kwamen er met al deze introducties de nodige nieuwe plantenziektes binnen, waarvan een aantal ook wilde planten aantasten. De afgelopen jaren alleen al is er een groot aantal nieuwe plantenziektes Curaçao binnengekomen. Een aantal van deze kwamen binnen met sierplanten, andere met land- en tuinbouwproducten. Het "bunchy top virus" kwam eind jaren '60 binnen en tast papayabomen aan, inmiddels is het voorkomen van dit virus veel minder door het gebruik van resistente papayarassen. BTV is een voorbeeld van een ziekte die slechts één soort aantast. Andere plantenziekten hebben vaak een breder spectrum, dat wil zeggen zij tasten meer planten aan en kunnen ook van invloed zijn op de natuurlijke vegetatie. De "white fly" (Bemisia tabaci) is een insect dat zijn intocht deed in 1989, thrips (Thrips palmi) in 1994, "pink mealy bug" of "hibiscus mealy bug" (Macconellicoccus hirsutus) in 1997 en "citrus leaf miner" (Phyllocnistis citrella) eveneens in 1997.

De "pink mealy bug" wordt ook aangetroffen op wilde planten o.a. de wayaká (Guaiacum officinale) en op diverse soorten onkruid, de "white fly" op wayaká en mansaliña (Hippomane mancinella), de "citrus leaf miner" werd ook op watakeli (Bourreria succulenta) aangetroffen.
Ook diverse andere plantenziektes worden op wilde planten aangetroffen.

De varoa mijt (Varoa jacobsoni) kwam binnen in 1997. Deze tast kolonies van bijen aan, maar is voor zover bekend niet van invloed op andere insecten.

Toekomstige introducties

Het is zeer waarschijnlijk dat er in de toekomst nog meer planten en dieren geïntroduceerd zullen worden die zich in het wild kunnen handhaven. Het vervelende van introducties is dat de gevolgen daarvan voor de oorspronkelijke natuur zeer onvoorspelbaar kunnen zijn. Zo heeft de Zuid-Amerikaanse reuzenpad Bufo marinus zich op een zo droog eiland als Aruba weten te vestigen. Dit terwijl het een soort betreft uit vochtiger gebieden, waarvan men niet zou verwachtten dat deze ooit op een zo droog eiland als Aruba zou kunnen vestigen. Dit voorbeeld geeft aan dat deze pad in de toekomst wellicht ook op Curaçao terecht kan komen, met alle nadelige gevolgen van dien.
Een andere bron van zorg is de import van nieuwe plantenziektes en schadelijke insecten die met geïmporteerde planten binnenkomen.
Ook worden er exotische dieren geïmporteerd die zich wellicht tegen de verwachting in toch op een zo droog eiland als Curaçao kunnen vestigen. Ik denk hierbij aan soorten als de mongoose, waranen, slangen en ontsnapte volièrevogels.
Er is een aantal exotische gekko's die zich via containers steeds verder over de tropen en sub-tropen verspreiden. De meest bekende invasieve soorten zijn de "mourning gecko" (Lepidodactylus lugubris), de "pacific house gecko" (Hemidactylus frenatus) en de "mediteranean house gecko" (Hemidactylus turcicus). Op Curaçao en Bonaire is de "cosmopolitan house gecko" (Hemidactylus mabouia) reeds geïntroduceerd, maar hoeven wij niet verbaasd te zijn als er in de toekomst ook nog andere invasieve soorten zouden opduiken. Dit kan leiden tot het verdringen van lokale soorten gekko's, zoals Phyllodactylus martini en Gonatodes antillensis.
In zee kunnen wij nieuwe koraalziektes, algen of andere soorten uit het Indo-Pacifische gebied verwachten die met ballastwater of op de huid van schepen binnenkomen.

OVEREXPLOITATIE

Overexploitatie tot aan de 20e eeuw

Melongena melongena, de karkó indjan

In oude Indiaanse schelpenhopen vinden wij veel Melongena melongena, een zeeslak die men thans op Curaçao vrijwel niet meer aantreft en die, naar men op grond van de aanwezigheid in deze schelpenhopen mag aannemen vroeger, veel talrijker geweest moet zijn.

Zeeschildpadden

De exploitatie van zeeschildpadden is zeker al begonnen door de Indianen, maar er was waarschijnlijk nog geen sprake van overexploitatie. De aanwezigheid van "seafood" van hoge kwaliteit zoals de carcó (Strombus gigas), de carcó indjan (Melongena melongena), kreeft en een aantal soorten zeeschildpadden vormden belangrijke eiwitbronnen, die het verblijf op deze eilanden aantrekkelijk maakten. In de koloniale tijd ging deze exploitatie verder. In het West-Indisch plakaatboek (Schiltkamp & de Smidt) treft men resoluties van mei en juni 1643 van de directie van de West-Indische Compagnie waarbij een schip naar Las Aves en Los Roques gezonden wordt om schildpadden te vangen, maar ook naar Klein Curaçao. De resolutie van 6 juni 1643 staat het garnizoen toe om enige personen naar Klein Curaçao te zenden "...,om te sien ofse tott streckinge van haer sober rantsoen eenige schiltpadden conden keeren ...,.." Dit impliceert dat er in die tijd waarschijnlijk een kolonie eierleggende schildpadden op Curaçao was. Hoewel niet vermeld wordt om welke soort schildpadden het gaat zijn er redenen om aan te nemen dat het hier waarschijnlijk de green turtle (Chelonia mydas) betreft, die nu niet meer op Klein Curaçao nest. Aves en Roques zijn belangrijke nestplaatsen voor de Green turtle en deze worden in deze resolutie praktisch in één adem genoemd met Klein Curaçao. De loggerhead of Kawama heeft veel taaier en peziger vlees dan de green turtle en de karetschildpad nest niet in groepen. Waarschijnlijk is Klein Curaçao vroeger een belangrijke nestplaats voor de Green turtle geweest.

Westindische zeehond

De Westindische zeehond of Westindische monniksrob Monachus tropicalis (Eng: Westindian monk seal, Sp: foca fraile) kwam tot het begin van de 17e eeuw ook op Curaçao voor en werd begin 20e uitgeroeid. Dit waren vrij grote zeehonden welke tot 2,40 m lang konden worden en een gewicht van meer dan 200 kg konden bereiken. Deze dieren werden vooral gejaagd om hun traan. In 1911 werd op de Triangle Keys bij Yucatán een laatste kolonie van ongeveer 200 exemplaren door vissers gedood. In 1952 werd nog een laatste exemplaar bij de Seranilla bank (Jamaica) gezien. Ten tijde van de "ontdekking" van Amerika kwam deze zeehond voor op de Bahama's, Cuba, Hispaniola, Jamaica en langs de kusten van het vasteland van Midden-Amerika van Yucatan tot de Noordkust van Honduras. Ten Noordnoord-westen van Anguilla treft men de eilanden Seal island en Little Seal island en bij opgravingen op St. Kitts werden resten van deze zeehond gevonden. Ook op Guadeloupe kwam deze zeehond voor, in 1667 werden hier exemplaren gezien (Van Bree 1994). Midden zestiger jaren werd door C.P. de Haseth bij de resten van een Indiaanse nederzetting te Klein St. Michiel op Curaçao een bot gevonden dat door dr. D.A. Hooijer, paleontoloog van het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie te Leiden, tentatief geïdentificeerd werd als een vingerkootje van een zeehond. Uiteraard is een positieve identificatie op grond van één enkel bot moeilijk, nochtans scheen dit bot van een zeehond afkomstig te zijn. In 1992 werden bij opgravingen bij een Caquetío nederzetting op de plantage Santa Barbara op Curaçao door het AAINA, onder leiding van dr. Jay Haviser resten van een Westindische zeehond gevonden. Hiermee is er thans een concreet bewijs, dat eerdere vermoedens (van C.P. de Haseth) over het tot vrij recent voorkomen van deze zeehond op deze eilanden bevestigd. Er zijn tot nog toe geen verdere meldingen over het voorkomen van deze zeehond in tussenliggende gebieden, ten Zuiden van Guadeloupe en ten Zuiden van Honduras.
Op 16 februari 1643 gaven de Directeur (P. Stuyvesant) en Raden van de West-Indische Compagnie op Curaçao, een resolutie uit waarbij het jacht de Paroquiet o.a. er op uitgestuurd wordt om op Klein Curaçao robben te gaan vangen:
"Wijders alsoo 't eiland ende de jachten onversien sijn van traen, sonder welcke qualick in see te gaen is, hebben goetgevonden 't jacht de Paroquiet eens opwaarts aen te senden naar Clein Curaçao om enige robben vandaar te halen..." (Westindisch Plakaatboek Deel I pag. 10, 11.).
Bij een eerder bezoek aan Klein Curaçao midden november 1635, waarbij "de nieuwe boot" er door Johan van Walbeeck op uit gezonden wordt om Klein Curaçao te verkennen, wordt niets over zeehonden vermeld (Hartog pag. 159). Dit hoeft op zich geen bewijs te zijn dat deze daar toen al niet meer voorkwamen. In de Bahamas kwamen deze zeehonden tot in de 19e eeuw alleen gedurende de paartijd in de wintermaanden op de kust. De aanwezigheid van deze dieren op eilanden en zandbanken was ook elders steeds seizoengebonden. Latere berichten van Klein Curaçao reppen niet meer over robben of zeehonden.
De dichtstbijzijnde historisch bekende kolonie van deze zeehonden bevond zich op het eiland Alta Vela, bij de meest zuidelijke punt van Hispaniola. Reeds in 1494 maakte Columbus op zijn tweede reis melding van deze kolonie. De bemanning ving enkele van deze dieren. Alta Vela bevindt zich op ongeveer 450 zeemijl van Klein Curaçao. Deze afstand is kleiner dan die tussen Jamaica en Yucatán en ongeveer even groot als de afstand tussen Jamaica en de kust van Honduras. In dit gebied hebben, naar men aanneemt, zeehonden geleefd die tot één populatie behoord hebben. Men kan zich voorstellen dat er ook een meer Oostelijke populatie bestaan heeft, ten Oosten en ten Zuiden van Alta Vela en dat deze populatie ten tijde van de ontdekkingsreizen reeds op haar retour was. St. Kitts ligt op ongeveer 708 zeemijl ten Oosten van Alta Vela. Zeehonden op Curaçao en naar alle waarschijnlijkheid ook Aruba en Bonaire kunnen deel uitgemaakt hebben van een dergelijke populatie.
Nabij de sero di Arikok op Aruba bevinden zich enige rotsblokken die Sero di Bonchi genoemd worden. Bij deze rotsen is er een Indiaanse rotstekening welke sterk op een zeehond lijkt (zie Wagenaar Hummelinck Rotstekeningen III fig. 42). Deze tekening is echter niet als een zeehond beschreven, omdat er waarschijnlijk van uitgegaan is dat er in deze streken nooit zeehonden geweest zijn. Ook heeft deze "zeehond" twee stekels op de rug welke niet op een zeehond thuis horen. Indien deze tekening inderdaad een zeehond voorstelt, zouden deze stekels opstaande rugharen of speren waarmee het dier gevangen wordt kunnen weergeven of een symbolische betekenis kunnen hebben. In het licht van de recente vondst op Santa Barbara is het waarschijnlijk dat deze tekening inderdaad een zeehond voorstelt.
Het is waarschijnlijk dat er op Curaçao en Klein Curaçao door de Indianen reeds op deze zeehonden gejaagd werd en dat zij in de koloniale tijd geheel uitgeroeid werden.

De terugdringing van het witstaarthert

Toen het hert door de Indianen werd ingevoerd waren er nog geen andere grote concurrerende herbivore viervoeters op het eiland en wij mogen aannemen dat deze herten over het hele eiland verspreid waren en er een relatief grote populatie was. Met de invoer van geiten, schapen en andere hoefdieren en het gebruik van vuurwapens zal deze populatie al spoedig teruggelopen zijn. Teenstra die in 1833 en 1834 op Curaçao verbleef schrijft het volgende: "Men vindt onder het viervoetige wild, op klippen en rotsen, enkele vlugge Rheebokken, zijnde reeds meerendeels door de jagt op dezelve, alsmede door gebrek en ellende, ten gevolge van langdurige droogten, uitgestorven".
Mijn moeder heeft mij nog verteld dat er in de jaren '20 nog herten voorkwamen op Klein Piscadera, Groot Piscadera en Blaauw die via de nog onbebouwde terreinen van het huidige Julianadorp in verbinding stonden met de huidige tereinen van Malpaïs. De huidige Bullenbaaiweg, die langs Julianadorp loopt bestond nog niet, de weg langs de Savaan, Klein Piscadera en Blaauw was de hoofdweg naar St. Michiel, Malpaïs en verder naar Banda Abao. Rond 1929 werd het laatste hert op Klein Piscadera afgeschoten. Nu treft men het Curaçaosche hert nog op Malpaïs en in het Christoffelpark en soms op de aansluitende terreinen van San Nicolaas, Pos Spaño en Santa Cruz. Het leidt geen twijfel dat dit hert spoedig alleen nog maar in het Christoffelpark te vinden zal zijn.

Uitroeïng Curaçaosche papegaai rond 1800

De geelvleugel amazonepapegaai, die wij hier ook de Bonairiaanse papegaai noemen (Amazona barbadensis) kwam ook voor op Aruba waar hij in de periode 1940-50 uitgeroeid is (Voous 1983) en kwam zeer waarschijnlijk ook voor op Curaçao waar hij vermoedelijk rond 1800 is uitgeroeid. Hoewel er hierover geen absolute zekerheid bestaat wordt de papegaai op Curaçao genoemd in een verslag uit 1782 van Justin Girod Chantrans (Voous 1983). Bovendien is het gezien het verspreidingsgebied en leefmilieu van deze papegaai en het vermogen van amazonepapegaaien om grote afstanden af te leggen zeer waarschijnlijk dat deze papegaai ook op Curaçao geleefd zal hebben.

Houtkap

In het verleden was er veel houtkap o.a. voor de productie van houtskool. Hootskool werd ook gebruikt in kalkovens. De palu di Brasil of "brasiletto" (Haematoxylon brasiletto) werd geoogst om er verf van te maken. De stammen werden naar Nederland verscheept en daar in de zgn. rasphuizen bewerkt. De wayaká (Guaiacum officinale), Ned: pokhout, Eng: lignum vitae, Sp: guayacán) was ook een nuttige boom, die geëxploiteerd werd. Het hout is zwaar en hard en heeft, doordat het bepaalde harsen bevat, zelfsmerende eigenschappen. Het werd vooral gebruikt voor de afdichting van scheepsassen, waar deze door de scheepswand gaan. Op sommige oudere schepen treft men dit type afdichting ook nu nog aan. Thans worden voor dit doel synthethische materialen gebruikt. Het hout van de wayaká werd ook gebruikt voor de fabricage van blokken
van katrollen. Zowel de palu di Brasil als van de wayaká zijn bomen die oud worden en die onder natuurlijke omstandigheden langzaam groeien. Er zouden vroeger van deze soorten veel meer en veel oudere en dikkere bomen op het eiland gestaan hebben.

Overexploitatie in de 20e eeuw

Visserij (rif en pelagisch)

Op Curacao en Bonaire heeft de traditionele visserij zich vrij sterk weten te ontwikkelen. Langs de kust wordt gevist vanuit kleine open boten die met een buitenboordmotor aangedreven worden, deze boten zijn meestal ongeveer 3-5 meter lang en worden aangedreven door motoren van 6 tot ongeveer 25 HP. Vanuit deze bootjes wordt vooral met handlijnen gevist.
Daar het kustplateau rond Curacao en Bonaire erg smal is en het diepe water al snel begint, is de zone langs de kust dus vrij snel "leeggevist". Aan de afgenomen grootte van de diverse rifvissen die worden gevangen, kan men duidelijk zien dat er sprake is van overbevissing.
Op Curaçao en Bonaire heeft zich dan ook een sleepvisserij ontwikkeld waarbij met grotere schepen, op open zee wordt gevist. Ook bij deze pelagische visserij is er sprake van overbevissing, zij het op regionaal en mondiaal niveau. Er zijn in onze wateren nog slechts enkele commerciële vissoorten in open zee die niet worden overbevist.

Zeeschildpadden

Ondanks de exploitatie van de zeeschildpadden waren er tot de jaren '40 van deze eeuw nog vrij veel schildpadden rond Curaçao. Dit blijkt uit de slachtcijfers van het lokale abbattoir. Daarna begonnen de aantallen hard terug te lopen. Vanaf 1996 zijn de zeeschildpadden op Curaçao beschermd. Ook vallen alle zeeschildpadden onder de CITES (Convention International Trade Endangered Species).

Haaien

Tot begin jaren '60 kon men zo nu en dan haaien onder de pontonbrug de haven in en uit zien zwemmen. En dit terwijl de haven in die dagen aanzienlijk vuiler was dan nu. Loodsen uit die jaren verhalen dat er in die dagen vrijwel altijd een of enkele grote haaien met de loodsboot meezwommen. Vanaf de jaren '70 nam dit sterk af en nu is dit iets wat zeer zeldzaam is c.q. niet meer voorkomt. Deze afname is ongetwijfeld het gevolg van de vangst op haaien voor de Vitamine A in de lever die eind jaren '50 plaatsvond en de opkomst van de driftlongline tuna visserij in het Caribisch gebied die na 1963 begon. Hoewel deze longline-visserij zich specifiek op tuna's richt, is er een bijvangst van haaien. Haaien blijken gevoelig te zijn voor overbevissing, zij worden oud en planten zich niet snel voort.

Verzamelen van schelpen; Karkó, Kiwa en andere schelpen

De karkó (Strombus gigas), de kiwa (Cittarium pica) en ook andere schelpdieren zijn door oververzamelen sterk in aantal teruggelopen. Zeeslakken kunnen zich alleen in het larvale stadium over grote afstanden verplaatsen. Het is mogelijk om door oververzamelen de populatie zodanig uit te dunnen dat de partners elkaar niet meer kunnen vinden. Op deze wijze kunnen soorten lokaal uitgeroeid worden. De karkó en ook de kiwa lopen in het hele Caribisch gebied sterk in aantal terug, dit is een direct gevolg van deze overbevissing c.q. oververzamelen. Op Curaçao zijn oude karkó's met zwaar verdikte schelpen (12-14 jaar oud) praktisch niet meer te vinden. Grote kiwa's treft men praktisch niet meer aan; dit is een probleem voor heremietkrabben die een grotere behuizing zoeken. Het blijkt ook dat veel duikers schelpen verzamelen. Anders dan schelpen die reeds dood op het strand worden aangetroffen, worden deze weekdieren aan het natuurlijk milieu en de voortplantingscyclus onttrokken. Voor bepaalde soorten die niet in grote aantallen op het rif voorkomen, kan dit een significante bedreiging zijn. Sommige soorten vormen "breeding groups", een verzameling dieren die voor de paring bijeenkomt; één duiker kan een "breeding group" of een significant deel van een "breeding group" geheel elimineren. Ook wordt vaak koraal omgekeerd om zeldzame schelpen te kunnen vinden. Bovendien spelen sommige van deze schelpen een belangrijke rol in de ecologie van het koraalrif.

Curaçaosche parkiet

Op Curaçao nest Aratinga pertinax, de "Curaçaosche" parkiet overwegend in termietennesten. Bij wandelingen in de "mondi" (bush) blijken deze termietennesten met parkietennesten vrijwel altijd reeds te zijn leeggehaald. Hoewel er geen tellingen zijn die dit objectief kunnen bevestigen is het duidelijk dat deze parkiet in aantal is teruggelopen. Dit komt waarschijnlijk door verkleining van het beschikbare leefgebied en het wegvangen van deze vogels om deze als volièrevogel te houden.

De jacht

De jacht op het land is de afgelopen dertig jaar afgenomen. Vuurwapenvergunningen zijn moeilijker te verkrijgen. Illegale vuurwapens worden gebruikt voor roofovervallen e.d., maar niet voor de jacht. De jeugd groeit op met televisie en computerspelletjes, maar niet zozeer meer met de jacht. Wellicht hebben de vele natuurfilms op de televisie een positieve invloed. De katapult is zeldzaam geworden, de politie neemt deze in beslag en het flexibele rubber van de autobinnenbanden van vroeger is niet meer verkrijgbaar. Er zijn nog wel windbuksen, maar ook dit is veel minder prevalent dan vroeger. We kunnen niet zeggen dat de jeugd helemaal niet meer jaagt, maar hoewel er nog steeds gejaagd wordt is het opvallend dat er naar verhouding veel ouderen zijn die dit doen. De jacht beperkt zich thans vrijwel uitsluitend tot leguanen en in mindere mate, ook tot konijnen. In de bebouwde gebieden waar er huizen met tuinen zijn, zijn er veel meer leguanen dan vroeger. Er zijn thans veel meer huizen met grasvelden dan b.v. in de jaren '50. Door de introductie van de dripirrigatie zijn veel tuinen veel weelderiger dan vroeger. Er zijn meer palmbomen in tuinen, waarvan een aantal soorten zaden hebben die leguanen graag eten. Kortom, er is veel meer voedsel voor deze leguanen beschikbaar. Totolica's (Columbigallina passerina), vele buladeifi's (Zenaida auriculata) en ala blanca's (Columba corensis) worden vrijwel niet meer gegeten en zijn duidelijk in aantal toegenomen. Ook zijn zij tammer geworden en komen nu in tuinen om overgebleven voer van honden en katten ed. te eten. De falki (Buteo albicaudatus) die eind jaren '60 vrijwel uitgeroeid was, is weer in aantal toegenomen. Hoewel de jacht afgenomen is, worden er nog veel vogels als volièrevogel gevangen. Soorten waar vraag naar is zijn de parkiet (Aratinga pertinax), de blauwduif (Columba squamosa) en de kuifkwartel of sloké (Colinus cristatus).

Houtkap

De houtkap is niet een activiteit die alleen in de koloniale tijd plaatsvond. De schaarste van oude dikke exemplaren van sommige bomen, met name de palu di Brasil heeft ook meer recente oorzaken. In de jaren '50 en '60 van de 20e eeuw werden veel dikke palu di Brasil bomen omgezaagd om koralen op de grillige schijven van de stam te monteren en deze als souvenier te verkopen. Ook werden tafels van indju hout gemaakt, de zgn. kwihi tafels. Hoewel dit vooral op Aruba gebeurde vond ook op Curaçao veel kap van indju plaats voor dit doel. De indju (Prosopis juliflora) is een hardhout dat echter aanmerkelijk sneller groeit dan de palu di Brasil en de wayaká. De laatste jaren is de houtkap in de mondi weer toegenomen. Zo wordt er hout gekapt voor spanten van vissersboten en voor de blokken waar de motor op bevestigd wordt. Ook de houtskoolbranderij, een beroep dat in de jaren '60 vrijwel was uitgestorven wordt weer beoefend. Thans wordt de houtskool verkocht in zakken voor de barbecue en is het branden van houtskool weer een relatief lucratieve bezigheid geworden. Het zware werk van de houtkap wordt nu verricht met de kettingzaag.

Verzamelen van bolcactussen

Begin jaren '60 werden vele bolcactussen (Melocactus sp.) geplukt. Schepelingen van longline schepen die de haven aandeden verscheepten deze naar Japan, waar zij voor hoge prijzen van de hand gingen. Ook naar Europa werden vele bolcactussen verscheept. De bolcactussen werden wettelijk beschermd, waardoor er een eind kwam aan de handel op grote schaal. Thans vallen zij, evenals alle andere cactussen, onder het CITES verdrag.

Grondwater

Het oppompen grondwater. Wanneer er teveel water aan de bodem onttrokken wordt is dit een vorm van overexploitatie die tot verlaging van het grondwaterniveau en tot verzilting als gevolg van intrusie van zeewater kan leiden. Verlaging van het grondwaterniveau is in sommige gebieden uiteraard ook van invloed op de natuurlijke vegetatie. Onttrekking van grondwater op grotere schaal begon met de komst van de raffinaderij die zoet water als proceswater voor de raffinage nodig had. De raffinaderij gebruikt thans geen grondwater meer. Thans is er veel onttrekking van grondwater voor tuinen, zwembaden ed.

DE INVLOED VAN DE VERANDERING VAN HET MILIEU OP DE NATUUR

Milieuverandering op grotere schaal is op Curaçao een verschijnsel van de 20e eeuw.
De belangrijkste negatieve factoren die de natuur beïnvloeden zijn de verstedelijking ("habitat destruction") en de hiermee samenhangende versnippering van natuurgebieden ("habitat fragmentation") en het opwarmen van het zeewater ("global warming"). Daarnaast treffen wij diverse vormen van milieuvervuiling aan, veroorzaakt door afvalstoffen die in het milieu terechtkomen. Over het onderwerp milieuvervuiling valt zeer veel te zeggen, in de context van dit artikel is echter getracht om de bespreking tot een korte samenvatting van de effecten op de lokale natuur te beperken.

Verstedelijking

Versnippering natuurgebieden, toerisme, bomen op stranden, bulldozercultuur.
Door verstedelijking gaan natuurgebieden verloren en worden overige natuurgebieden versnipperd tot gebieden die te klein zijn om bepaalde soorten in stand te kunnen houden. Een populatie van een soort dient uit een minimum aantal dieren te bestaan om de negatieve effecten van inteelt te kunnen weerstaan en ook om natuurlijke calamiteiten, zoals b.v. hoge sterfte in perioden van grote droogte of sterfte door epidemieën, te kunnen doorstaan. Ieder individueel dier heeft een minimum areaal nodig om te kunnen overleven, en omdat er een minimum aantal dieren benodigd is geldt dat ook een populatie van een soort een minimum areaal nodig heeft om te kunnen overleven. Bovendien gaat het hier natuurlijk niet alleen om areaal op zich, maar moeten er binnen dit areaal voldoende cq. een bepaald minimum aan geschikte habitats voor de desbetreffende soort aanwezig zijn. De populatie van het zgn. Curaçaosche hert staat om deze redenen onder druk. Uiteindelijk kan de populatie aan inteelt ten onder gaan. Het zal nodig zijn om in zeer droge jaren uitzonderlijke sterfte door bijvoeding te reduceren. Ook andere dieren, die grote arealen nodig hebben om te kunnen overleven of specifieke voedseleisen hebben en derhalve alleen in grote arealen met voldoende geschikte habitats, aan genoeg voedsel kunnen komen, worden door dit soort effecten bedreigd. Bij roofvogels speelt het beschikbare areaal een belangrijke rol. Daarentegen is er een categorie dieren die zeer goed in geurbaniseerde gebieden kan overleven. Dit zijn de zgn. "cultuurvolgers" zoals kakkerlakken, ratten, muizen, mussen, huisgekko's. In tuinen treft men de fluitkikker, anolissen (de kaku of totèki), leguanen, de koereiger aan.

Toerisme leidt tot de bouw van condominiums, hotels ed. die op mooie plekken gebouwd worden. De stranden zijn thans overspoeld met mensen, op sommige van deze stranden hebben vroeger zeeschildpadden genest. Verlichting op baaien is een groot probleem voor schildpadden op neststranden. Het toerisme is ook een belangrijke overweging bij de bouw van kunstmatige stranden, die de sedimentatie in zee, op het koraalrif verhogen. De haag van manzanilla bomen die men vroeger bij vele stranden aantrof (o.a. Knip en Klein Knip) is vanaf begin jaren '70 praktisch geheel verdwenen. Het gereedkomen van de asfaltering van de weg naar Banda Abao heeft hierbij een belangrijke rol gespeeld. De bomen die zich in een zeer droog klimaat nog net kunnen handhaven kunnen niet tegen de extra belasting van de rook en hitte van de vele barbecue's die onder deze bomen gehouden werden. Ook is de grond door auto's aangedrukt en de bast van bomen door auto's beschadigd. Voor slechts 600 gulden per dag kan men een grote bulldozer huren die grote terreinen van alle doorngewas kan ontdoen en zo voor kopers aantrekkelijk maken. Dit bevordert ook de erosie en verhoogt de sedimentatie in zee. En zo zijn er nog vele andere concrete voorbeelden van directe menselijke invloed op de natuur.

Global warming

Van alle moderne bedreigingen is dit, zeker voor het koraalrif, waarschijnlijk de meest ernstige. Zeker is dat ook het diepere koraalrif hard achteruitgegaan is en nog steeds achteruit gaat. Wanneer dit verval zich precies heeft ingezet is moeilijk te zeggen, zeker is dat deze negatieve ontwikkeling zich in het afgelopen decennium versneld heeft voortgezet. Factoren zoals de verderop genoemde "N cyclus"-producten, sedimentatie als gevolg van de aanleg van kunstmatige stranden en baggerwerkzaamheden, overexploitatie o.a. door speervissen, verzamelen van levende schelpen en koraal en de reeds eerder genoemde ziekte van zwarte zeeappels spelen hierbij allemaal een rol, maar de belangrijkste factoren zijn ongetwijfeld het opwarmen van de aarde en de verhoogde zeewatertemperaturen die zich met name de afgelopen 15 jaar hebben voorgedaan. Het is mogelijk dat ook andere factoren zoals de toename van het CO2 gehalte in de atmosfeer en ook in het zeewater hierbij een rol spelen. Het verval vindt ook plaats waar de koraalriffen goed beschermd zijn, zoals op Bonaire, Las Aves en Los Roques, zij het in mindere mate. Verhoogde zeewater temperaturen leiden tot "coral bleaching" een proces waarbij koralen wit worden omdat zij hun symbiontische algen uitstoten. Hoewel dit soort algen wanneer de temperatuur weer zakt, weer uit de omgeving opgenomen worden, staat de groei van het koraal enige tijd stil en is er sprake van "stress". De hoogste zeewatertemperaturen komen voor gedurende eind september en begin october. In 1990 werden in deze periode zelfs temperaturen van 29,90 C gemeten in de open zee. Ook in 1995 waren de temperaturen in deze periode zeer hoog (med. P. Hoetjes). Het voorkomen van de koraalziekten "white-band disease, yellow-band disease", "white pox disease", "dark spot disease" en "black-band disease" houdt vrijwel zeker ook verband met deze verhoogde zeewatertemperaturen. Zo heeft de yellow-band disease in de afgelopen jaren veel sterfte veroorzaakt onder het koraal Montastrea annularis.
Daar het moeilijk zal zijn om iets concreets te doen tegen het opwarmen van het zeewater, dat verband houdt met het "broeikaseffect", betekent dit in feite dat wij geen controle hebben over de belangrijkste factor die het koraalrif aantast. De prognose voor het koraalrif is niet goed en het rif zal zeer waarschijnlijk verder achteruitgaan.
Verder weten wij niet wat voor invloed de "global warming" op ons klimaat zal hebben. Zal het El Niño-effect frequenter optreden, zodat wij een droger klimaat krijgen, of zullen er in jaren zonder El Niño juist meer orkanen zijn, die ook meer regen kunnen brengen? De "common wisdom" tot nu toe was dat het klimaat in de ijstijden veel droger is geweest en dat inter-glaciale perioden in het Caribisch gebied en het noorden van Zuid-Amerika gekenmerkt worden door een natter klimaat. Is dit misschien een te simplistisch beeld? Het moderne onderzoek van boorkernen in het ijs van de ijskappen in Groenland, Antarctica en ook van gletschers op tropische en sub-tropische bergen, heeft thans tot de conclusie geleid dat veranderingen in klimaat niet noodzakelijkerwijs geleidelijk aan plaatsvinden, maar dat er omslagpunten kunnen zijn waarbij het klimaat in zeer korte tijd (10-100 jaar) ingrijpend verandert.

Milieuvervuiling

Vuilstort in zee

Bij de shute te Noorkant is jarenlang afval in zee gestort. Deze chute is sinds 1986 buiten gebruik gesteld en er mag aan de Noordkant alleen nog organisch afval gestort worden. Deze vuilstort zal zeker ingrijpende invloed op de natuur in zee gehad hebben en nog hebben. In de loop der jaren zijn hier de nodige transformatoren, batterijen, plastics, blikken met verf en pesticiden etc. de zee ingegaan. Hoewel hier nooit onderzoek naar gedaan is, kan men verwachten dat er ook nu nog verhoogde concentraties van zware metalen, PCB's en pesticiden in bepaalde organismen te vinden zullen zijn. Ook is het zeer waarschijnlijk dat slakken en andere invertebraten verdwenen zullen zijn, of minder talrijk dan vroeger. Dit zullen wij echter nimmer zeker weten want er zijn geen basisstudies die kunnen aangeven hoe het was voordat de chute in gebruik werd genomen. Op Bonaire heeft het effluent van de landfill bij Lagoen, dat ondergronds naar de lagune afstroomt, de invertebraten fauna in het Lagoen beïnvloed en zijn vele organismen die hier vroeger voorkwamen uit deze baai verdwenen. Ook op Curaçao zijn er problemen met de uitloging van de land-fill te Jan Sofat naar de lagune van Jan Thiel en vandaar zeer waarschijnlijk naar zee. De land-fill te Malpaïs bevindt zich in de kleihoudende Midden-Curaçao formatie is verder landinwaarts gelegen. Dit zal hopelijk het uitlogen van stoffen naar zee tegengaan. Drijvende plastic zakken en uitloging van weekmakers in zee vormen ook een probleem. Veel schildpadden sterven doordat zij plastic zakken eten die zij waarschijnlijk voor kwallen aanzien. Ook zijn grote concentraties plasticizers (weekmakers) aangetroffen in de levers van Leatherbacks, Hawksbills en Green Turtles. Ook op de Antillen wordt nog zeer veel plasticafval in zee gedumpt dat aan dit probleem bijdraagt. Op stranden spoelen met name aan de Noordkust grote hoeveelheden plastics aan. Door het UV licht van de zon worden deze langzaam afgebroken en komen weekmakers in het milieu vrij. Veel plastics bevatten pigmenten en stabilisatoren die zware metalen zoals lood en cadmium bevatten, ook deze komen bij de afbraak van het plastic in het milieu vrij. Thans bestaat de vrees dat vele weekmakers (evenals de residuen van sommige pesticiden en detergentia) verschuivingen in hormoonevenwichten veroorzaken en dat zij wellicht schadelijker zijn voor de mens en de natuur dan tot nu toe werd aangenomen. Verder vormen grote hoeveelheden plastics en ook andere rommel op het strand een belemmering voor schildpadden die eieren willen leggen en voor de jonge schildpadjes, die uit het ei gekomen, de weg naar zee zoeken.

Olievervuiling

In de jaren '50 en '60 van de 20e eeuw nam de olievervuiling sterk toe. Op stranden aan de Noordkust van Curaçao (zoals b.v. Un Boca en Dos Boca) kon men toen vrijwel niet zwemmen omdat er bijna altijd olie en teer in en op het zand lag. Ook de haven van Willemstad was in die tijd veel vuiler en stonk naar olie. Door internationale voorschriften die lozingen vanaf schepen regelen (Marpol) is dit type structurele olievervuiling thans grotendeels verholpen. De risico's van olievervuiling door ongelukken zijn ook afgenomen, maar als een ongeluk zich voordoet zijn de gevolgen veelal veel ernstiger dan vroeger omdat het om veel grotere hoeveelheden olie gaat. De tankers zijn in de loop der jaren groter geworden en met zekere regelmaat is er sprake van grote oil spills als gevolg van ongelukken op tankers of booreilanden. Ook op Curaçao kan zich ooit een ernstige oilspill voordoen, of kan een grote olievlek van elders komen aandrijven. Zolang de olie maar op open zee blijft wordt deze vrij snel geoxideerd en ook door bacteriën afgebroken. Wanneer de oliemassa aan de kant komt, kan dit echter grote natuurrampen veroorzaken. Bij de afbraak spelen de temperatuur en de weersomstandigheden een grote rol
(zie noot 2) .

Andere "gevaarlijke" ladingen van schepen

Het ongeluk met het schip "Infinity", een met rijst geladen schip, heeft veel schade op het koraalrif bij Hambraak aangericht, dit hoewel rijst op zich geen "gevaarlijke" lading is. De rijst kwam op de zeebodem terecht en ging daar rotten; bij deze rotting wordt zuurstof aan de omgeving onttrokken en komen ook "N-Cyclus" producten en andere schadelijke stoffen vrij. Ook andere ladingen, die op zich niet noodzakelijkerwijs "gevaarlijk" zijn, kunnen voor het koraalrif schadelijk zijn. Een schip of zelfs een barkje dat b.v. met kunstmest geladen is, zou, bij een soortgelijk ongeluk, een nog veel grotere schade kunnen veroorzaken. Dergelijke scheepsrampen behoren, alhoewel de kans daarop misschien niet groot is, ook op Curaçao en elders tot de mogelijkheden.

Luchtvervuiling

De luchtvervuiling van de raffinaderij heeft voornamelijk effect in die gebieden die benedenwinds van de raffinaderij liggen. Hoewel er hierover geen vergelijkende studies zijn lijkt het erop dat de vegetatie in deze gebieden wat eentoniger is (wabi, indju, palu di lechi, korona di Hesus). Zure regen heeft in het algemeen weinig invloed daar de grond vrijwel overal basisch is en ook bladeren ed. bedekt zijn met basisch stof (alleen in de Knip-formatie en in enkele andere gebieden zijn er zure gronden). Niettemin worden bepaalde planten die gevoeliger zijn, wel aangetast. Bij een kwekerij te Boca St. Michiel werd ooit ijssla gekweekt. Op sommige dagen zaten er kleine gaatjes in de sla die door uit de lucht komende deeltjes werden ingebrand. Men denkt hierbij dan al gauw aan zuurdruppeltjes die zich uit zwavelhoudende rookgassen vormen. Vervuiling door de uitstoot van gassen door auto's ed. is waarschijnlijk voornamelijk van invloed op de vegetatie van de bermen van de wegen.

"N-cyclus" producten in zeewater.

Verhoogde influx van nutrienten waarvan met name de "N-cyclus" producten zoals NH
4+, NO2- en NO32- reeds in zeer lage concentraties zeer schadelijk zijn vooral voor koralen en andere invertebraten. Dit soort stoffen treft men veel aan in huishoudelijk afvalwater. Via beerputten komen deze stoffen in het grondwater terecht en hoewel een deel daarvan door vegetatie wordt opgenomen komen de "N-cyclus" producten door de ondergrondse afstroming van het grondwater naar zee, ook in zee terecht. Bij bebouwing langs de kust moeten beerputten ed. zover mogelijk landinwaarts geplaatst worden. Indien afvalwater gezuiverd wordt is het aan te bevelen dit water voor irrigatie te gebruiken en het niet zonder meer in zee te lozen. Weekendhuizen met rioolafvoer direct in zee zijn wat dit betreft geheel uit den boze. Bij Westpunt en Lagoen is het effect hiervan op de koraalbegroeiing bij de rotswanden waar deze weekendhuizen staan duidelijk zichtbaar. De grote rioolen aan de Pundazijde die tot in 1999 nog in zee uitkwamen (Rotterdamweg, Penstraat en de Waaigatoverloop te Pietermaai) worden thans omgeleid via een ringleiding naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Seru Loraweg. Deze kwam begin 2001 gereed. Augustus 2001 was aan de Punda-zijde reeds een verbetering merkbaar. De groene alg Ulva latuca, die karakteristiek is voor nutrientvervuiling was duidelijk in aantal verminderd en een meer natuurlijke vegetatie van bruinalgen aan het terugkomen. De leidingen aan de Otrabandazijde gaan nu al enkele jaren naar Klein Hofje. Hiermee is een groot deel van dit probleem opgelost.

Anti-fouling

Anti-fouling verven van schepen bevatten veel zware metalen zoals lood en koper en/of TBT (Tri-Butyl-Tin verbindingen). Deze TBT's en ook andere organische tin-verbindingen zijn gevaarlijk voor het milieu. Deze stoffen veroorzaken o.a. abnormale groei van de voortplantingsorganen van gastropoden (slakken), hetgeen leidt tot steriliteit en dus tot uitsterven van deze dieren in gebieden waar deze organische tin verbindingen in de voedselketen terechtkomen. Dit kan gebeuren op plaatsen waar oude verf van schepen geraspt wordt en er nieuwe verf opgespoten wordt. In veel landen zijn dit type verven verboden, in andere landen echter worden zij nog volop gebruikt. De anti-fouling met tin is namelijk zeer effectief. Op Curaçao komen dit soort stoffen in het water op plaatsen waar er scheepsreparatie plaatsvindt; zoals bij de Curaçaosche Dok Maatschappij, de marina te Asiento, de vissershaven te Caracasbaai en andere soortgelijke locaties.

Pesticiden en kunstmest

Hoewel er naar verhouding kwistig gespoten wordt, is het gebruik van pesticiden uitsluitend kleinschalig en derhalve zeer beperkt. Er is op Curaçao geen landbouw die op grote schaal insecticiden of andere pesticiden gebruikt. Vrijwel alle gebruikte middelen hebben een korte afbraaktijd. Alleen voor termietenbestrijding worden persistente middelen toegepast; deze worden veelal gebruikt in funderingen en op plaatsen waar zij niet mobiel zijn en niet makkelijk in het milieu komen. Het gebruik van kunstmest is zeer gering. Bovendien wordt kunstmest, op Curaçao, wanneer het gebruikt wordt, meestal ondergedoseerd. De problemen met pesticiden en kunstmest die men op bananeneilanden, zoals b.v. Saint Lucia, of in een land als Costa Rica kent, waarbij grote hoeveelheden pesticiden of residuen van pesticiden en overtollige kunstmeststoffen hun weg naar de zee en naar koraalriffen vinden, kennen wij op Curaçao dan ook niet.

Slotwoord

De conclusie zal duidelijk zijn. Er zijn in de loop der jaren zoveel veranderingen geweest, dat zelfs als wij met enige kennis van zaken in onze gedachten proberen de natuur van 500 jaar of langer geleden te reconstrueren, wij er niet helemaal uitkomen. Wij hebben dan een stukje ongeschonden "hedendaagse" natuur voor ogen maar waarschijnlijk was de natuur van toen in vele opzichten wezenlijk anders dan nu en zou een bioloog van nu die een dergelijk landschap zou aanschouwen veel bekends zien maar toch ook onmiddellijk aanvoelen dat er "iets niet klopt". Er kunnen zelfs soorten geweest zijn die thans geheel uitgestorven zijn, waarvan wij zelfs niet weten dat zij ooit op Curaçao voorkwamen. Men denke hierbij aan knaagdieren, vogels en misschien ook reptielen. Wanneer wij geen 500 jaar, maar 5000 jaar teruggaan, vóór de eerste mensen op Curaçao aankwamen (er zijn menselijke overblijfselen gevonden van 4500 jaar geleden), is het zelfs mogelijk dat er in die tijd nog reuzenschildpadden en/of dwerggrondluiaarden op het eiland voorkwamen. De reuzenschildpadden hebben gedurende een groot deel van het Cenozoicum op Curaçao geleefd (Hooijer 1967). Noch van de reuzenschildpadden, noch van de dwerggrondluiaarden is het precies bekend wanneer zij zijn uitgestorven.

Hoe wij het een en ander moeten interpreteren valt misschien het best te illustreren met een kleiner geheel als voorbeeld. Neem Klein Curaçao: 500 jaar geleden waren er hier zeehonden en een kolonie met vele zeeschildpadden en vele zeevogels. Er was een grote kolonie met geelsnavelsterns (Voous). In het water waren er ongetwijfeld vele haaien en roggen. Het eiland bestond voor een groot deel uit een lage heuvel (die later voor de fosfaatwinning werd afgegraven). Het eiland was veel groener en er waren op de heuvel planten die nu verdwenen zijn (in 1995 werden de geiten van het eiland verwijderd, sindsdien is het eiland zelfs in droge jaren veel groener). De Laet beschrijft hoe het eiland er in 1634 uitzag "...den omgangh [de buitenkant] rudsich [rotsig], beset met sommighe wilde Vijgeboomen..." (Terpstra 1948). De bomen die als "vijgebomen" worden beschreven zijn zeer waarschijnlijk zeedruiven (Coccoloba uvifera) geweest, misschien ook heeft de Laet hier de mansaliña (Hippomane mancinella) mee bedoeld. Zouden wij dit eiland als Klein Curaçao kunnen herkennen?

Wat de toekomst zal brengen is onzeker. Veel van wat wij nog gezien hebben zullen jongeren niet meer zien. Zelf kunnen Wij alleen de veranderingen overzien die Wij zelf in ons eigen leven hebben kunnen meemaken en denken dan met zekere weemoed terug aan het veleden. Maar wij hebben geen "heimwee" naar de Annabaai van 500 jaar geleden, een schitterende binnenbaai met bij de ingang en bij Habaai mooie zandstranden, die wij immers niet gekend hebben. Zo ook zullen volgende generaties nog steeds genieten van het koraalrif en zullen verreweg de meesten zich niet realiseren dat dit koraalrif niet meer is dan "a shadow of its former self".

Misschien ook zullen er als gevolg van klimaatsverandering, verrassende ontwikkelingen zijn, die zich op een veel kortere termijn zullen kunnen manifesteren dan men tot nu toe voor mogelijk hield. Het afsmelten en loslaten van delen van de Antarctische ijskap, zeestromen die zich verleggen etc., etc. Dit alles behoort tot de mogelijkheden en zal ook op Curaçao ingrijpende gevolgen hebben.

Ook de dag van heden zal verzameld worden tot "los tiempos que pasarán y que nunca volverán".

Literatuur

Appeldoorn, R., Rodríguez, B. (Eds), 1994. Biología, Pesquería y Cultivo del Caracol Strombus gigas / Queen Conch Biology, Fisheries and Mariculture. Caracas, Venezuela, Fundacion Científica Los Roques.

Atwood, D.K., Ferguson, R.L., 1981. An Example Study of the Fate of Spilled Petroleum in a Tropical Environment: IXTOC-1. - In: Proceedings of the Thirty-third Annual Gulf and Caribbean Fisheries Institute. p. 35-51, Miami, Florida.

Arnoldo, Fr. M., 1967. Handleiding tot het gebruik van Inheemse en Ingevoerde planten op Aruba, Bonaire en Curaçao. Curaçao, Boekhandel St. Augustinus.

Arnoldo, Fr. M., 1971. Gekweekte en nuttige planten van de Nederlandse Antillen. Curaçao, Natuurwetenschappelijke Werkgroep Nederlandse Antillen.

R.P.M. Bak., Sybesma, J., Duyl van, F.C., 1981. The Ecology of the Tropical Compound Ascidian Trididemnum solidum. II. Abundance, Growth and Survival. Mar. Ecol. Prog. Ser., Vol. 6: 43-52.

Boekschoten, G.J., 1981. Over het landvarken van Curaçao. Zeldzaam huisdier 6 (9) p. 9-11., Stichting zeldzame huisdierrassen.

Boerstra, E.H.J., 1982. De Precolumbiaanse bewoners van Aruba, Curaçao en Bonaire. Zutphen, De Walburg Pers

Boschma, H., 1953. On specimens of the coral genus Tubastraea, with notes on phenomena of fission. Studies on the fauna of Curaçao and other Caribbean Islands 18: 109-119.

Bree, P. J. H. van., 1994. Enkele aantekeningen betreffende de Caraïbische Monniksrob. - In: De Horen en zijn Echo, Stichting Libri Antilliani, Zoölogisch Museum Amsterdam. p. 76, 77.

Buurt, G. van., 1995. De schildpadden van Curaçao en Bonaire. Curaçao, de schrijver.

Buurt, G. van., 1996. Korte notities over Palmen op Curaçao. Kristòf jaargang X-1, pp. 7-18.

Buurt, G. van., Joubert, S.M., 1997. Stemmen uit het Verleden, Indiaanse woorden in het Papiamentu. Curaçao, de schrijvers.

Coomans, H.E., 1970. Volksnamen voor weekdieren op de Nederlandse Antillen. Curaçao, Uitgaven van de "Natuurwetenschappelijke Werkgroep Nederlandse Antillen" No. 19.

Coomans, H.E., 1997. nieuwe archeologische gegevens uit oude bronnen. - in: Arubaans Akkoord, pp. 103-111. Bloemendaal, Stichting Libri Antilliani.

Day, D., 1981. The Doomsday Book of Animals. A Natural History of Vanished Species. New York, The Viking Press.

Debrot A.O., Prins T.G, 1992. First record and establishment of the Shiny Cowbird. Caribbean Journal of Science. Vol 28, No's. 1-2.

Debrot A.O., de Freitas, J.A., 1993. A comparison of ungrazed and livestock-grazed rock vegetations in Curaçao. Biotropica 25(3): 270-280.

Duyl van, F.C., R.P.M. Bak., Sybesma, J., 1981. The Ecology of the Tropical Compound Ascidian Trididemnum solidum. I. Reproductive strategy and larval behaviour. Mar. Ecol. Prog. Ser., Vol. 6: 35-42.

Foster, N., Cordell, L.S. (eds)., 1992. Chilies to Chocolate, Food the Americas gave the World. Tucson, Arizona, Univ. of Arizona Press.

Gast, G.J., 1998. Nutrient Pollution in Coral Reef Waters, with data from Curaçao waters. Contribution no. 5, Curaçao, Reef Care.

Gruhn, R., Bryan, A.L., 1984. The record of Pleistocene Megafaunal extinction at Taima-taima, Northern Venezuela. - In: Quaternary extinctions, a Prehistoric revolution.

Martin, P.S., Klein, R.G. (Eds), Tucson, Arizona, University of Arizona Press.

Harries, H.C., 1978. The Evolution, Dissemination and Classification of Cocos nucifera L. The Botanical Review. Vol. 44, No. 3.

Haviser, J.B., 1991. The First Bonaireans. Reports of the A.A.I.N.A. no.10, Curaçao.

Haviser, J.B., 1994. South American faunal remains noted in archaelogical contexts on Curaçao and Bonaire: the potential for cultural implications. - In: De Horen en zijn Echo, Stichting Libri Antilliani, Zoölogisch Museum Amsterdam. p. 124 - 127.

Haseth C.P. de., 1993. Kikkermotieven op Indiaanse artefacten van Curaçao, Aruba en Bonaire. Kristòf, jgr. VIII-4, p. 17-28.

Hooijer, D.A., 1967. Pleistocene Vertebrates of the Netherlands Antilles. - In: Pleistocene Extinctions, The Search for a Cause. Yale University Press.

Hoyos, F.J., 1985. Flora de la Isla Margarita, Venezuela. Sociedad y Fundación La Salle de Ciencias Naturales, Monografía no. 34. Caracas, Venezuela.

Hoyos, F.J., 1989. Frutales en Venezuela. Sociedad y Fundación La Salle de Ciencias Naturales, Monografía no 36. Caracas, Venezuela.

Husson, A.M., 1960. De zoogdieren van de Nederlandse Antillen. Uitg. "Natuurwetenschappelijke Werkgroep Nederlandse Antillen" no. 12, Curaçao.

Janzen, D.H., Martin, P.S., 1982. Neotropical anachronisms: the fruit the gomphotheres ate. Science 214: 19-27.

Janzen, D.H., 1983. Costa Rican Natural History. Chicago, University of Chicago Press.

Kluge, A.G., 1969. The evolution and geographical origin of the New World Hemidactylus mabouia brookii complex (Sauria: Gekkonidae). Misc. Publ. Mus. Zool. Univ. Michigan 138: 1-78.

Lessios, H.A., Robertson, D.R., Cubit, J.D., 1984. Spread of Diadema Mass Mortality Through the Caribbean. Science, Vol.226 p. 335-337.

Little, E.L., Wadswordth, F.H., 1964. Common trees of Puerto Rico and the Virgin Islands. Washington D.C.

Morton, J.F., 1987. Fruits of Warm Climates. Inc. Winterville, N.C., Creative Resource Systems.

Murphy, J.C., 1997. Amphibians and Reptiles of Trinidad and Tobago. Malabar, Florida, Krieger.

Prunetti, P., 1987. Scharloo. Firenze, Edizione Pligrafico Florentino.

Purseglove, J.W., 1972. Tropical Crops. Monocotyledons I, Dicotyledons II. London, Longman.

Rebel, T.P., 1974. Sea Turtles. rev. ed., Miami, Univ. of Miami Press.

Renkema, W.E., 1981. Het Curaçaose Plantagebedrijf in de negentiende eeuw. Zutphen, De Walburg Pers.

Schiltkamp, J.A., de Smidt, J.Th. (Red.) 1978. West Indisch Plakaatboek Curaçao, Aruba, Bonaire. Deel I 1638-1672, Amsterdam, S. Emmering.

Sybesma, J., Duyl van, F.C., R.P.M. Bak., 1981. The Ecology of the Tropical Compound Ascidian Trididemnum solidum. III. Symbiotic Association with Unicellular Algae. Mar. Ecol. Prog. Ser., Vol. 6: 53-59.

Sybesma, J., 1992. WIDECAST Sea Turtle Recovery Action Plan for the Netherlands Antilles (Karen. L. Eckert, Editor). CEP Technical Report no.11, UNEP Caribbean Environment Programme, Kingston, Jamaica. pp. 63

Teenstra, M.D., De Nederlandsch West-Indische eilanden. Twee delen 1836-1837.
Repr 1977: Amsterdam, S. Emmering.

Terpstra, H., 1948. De Boomgroei op de Benedenwindse Eilanden in Vroeger Tijd. Koninklijke vereeniging Indisch Instituut, Mededeling no.LXXVIII, Amsterdam.

Vanzolini, P.E , 1968. Lagartos brasileiros da familia gekkonidae (Sauria). Arq. Zool. S.

Paolo, Vol 17 (1):1-84

Voous, K.H., 1983. The Birds of the Netherlands Antilles. Zutphen, De Walburg Pers.

Wagenaar Hummelinck, P., 1936. Notes on Agave in Aruba, Curaçao, Bonaire and some parts of the South American Continent. Extrait du Recueil des Traveaux Botaniques Néerlandais, Vol. XXXIII, p. 224 - 249.

Wagenaar Hummelinck, P., 1938. Notes on Agave in the Netherlands West Indies and North Venezuela. Extrait du Recueil des Traveaux botaniques néerlandais, Vol. XXXV, pp. 14-28.

Wagenaar Hummelinck, P., 1940. Studies on the Fauna of Curaçao, Aruba, Bonaire and the Venezuelan Islands. Dissertatie Utrecht.

Wagenaar Hummelinck, P., 1961. Rotstekeningen van Curaçao, Aruba en Bonaire Deel III. Uitg. Natuurwetenschappelijke werkgroep Nederlandse Antillen No. 13.

Wagenaar Hummelinck, P., 1991. De Rotstekeningen van Aruba. 228 pp. Utrecht, Uitg. Presse-papier.

Ward, P.D., 1997. The Call of Distant Mammoth's. Why the Ice Age mammals disappeared. 241 pp. New York, Copernicus (Springer-Verlag, New York Inc).

Westermann, J.H., 1953. Nature preservation in the Caribbean. Publications of the Foundation for Scientific Research in Surinam and the Netherlands Antilles no. 9, Utrecht.

Wood, E. M., 1983. Corals of the World. Neptune City, NJ., T.F.H. publications.

Noten

1. In Taima-taima niet ver ten oosten van La Vela de Coro in de staat Falcón, in Venezuela zijn skeletten van mastodons gevonden die door Indianen werden gedood (Gruhn & Bryan 1984). Deze skeletten zijn slechts ongeveer 13.000 jaar oud. Achter de duinen bij Muaco, vlak bij de plaats waar de ferry uit Curaçao naar Venezuela aankomt, zijn eveneens skeletten gevonden van mastodons die ongeveer 14-16.000 jaar oud zijn. Ook de uitgestorven pre-Colombiaanse paarden hebben zeer waarschijnlijk een belangrijke rol gespeeld bij de verspreiding van de Amerikaanse kalebas. Deze leefden ook in Noord-Venezuela en zijn zelfs nog recenter uitgestorven dan de eerder genoemde mastodons.

2. In 1979 vond een zeer grote oil spill plaats in de Golf van Mexico bij het Ixtoc-1 olieplatform. Hoewel men aanvankelijk zeer bevreesd was dat de olie naar de kust zou afdrijven in de richting van de garnalenvisgronden in Campeche, bleef de oliestroom in de Golf van Mexico. De watertemperatuur was in dit seizoen uitzonderlijk warm (meer dan 280 C). Er onstond een orkaan die de oliemassa en het zeewater tot een suspensie in elkaar klutste. Na ongeveer 9 weken bleek de olie vrijwel geheel afgebroken te zijn. Uiteraard lopen de zaken lang niet altijd zo goed af. Namen als "Torrey Canyon", "Amoco-Cadiz" en "Exxon Valdez" behoren thans niet voor niets tot het "culturele" erfgoed van de 20e eeuw.