Vijfhonderd jaar natuur op Curaçao: verleden, heden en
toekomst.
"los tiempos que pasarán y que nunca
volverán"
Gerard van Buurt
Wij leven in het heden. Van het recente verleden hebben wij in het algemeen
een vrij duidelijk beeld, maar naarmate wij verder in het verleden teruggaan
wordt dit beeld vager. Wij baseren ons beeld van dit verleden op wat
ouderen ons verteld hebben, op wat er in de geschiedenisboeken staat
en wat oude bronnen en kroniekschrijvers vermelden. Ook trekken wij
vergelijkingen met andere gebieden waar de tijd als het ware "is
blijven stil staan". Ook de archeologie en de geologie geven inzicht
in het verleden. De ontwikkelingen in de toekomst zijn moeilijk te voorspellen.
Wij kunnen bepaalde trends extrapoleren, maar steeds ook zullen er nieuwe,
onvoorziene ontwikkelingen zijn, die een toekomstvoorspelling op grond
van trends zullen loochenstraffen. Voorts hebben Wij vaak de neiging
om te overschatten wat er in twee of drie jaar kan gebeuren en te onderschatten
wat er in twintig jaar of meer kan gebeuren.
Hoe heeft de natuur op Curaçao er 500 jaar geleden uitgezien?
Toen de eerste Europeanen hier aankwamen waren er al Indianen op het
eiland en was de natuur al door hen beïnvloed. Reeds 2500 jaar
voor Christus waren er Indianen op het eiland, die wij thans Paleo-Indianen
noemen. Vanaf vermoedelijk ongeveer het jaar 500 leefden er Caquetío
Indianen op Curaçao. Hoe hebben deze Indianen de natuur beïnvloed
en hoe is het daarna verder gegaan?
De belangrijkste processen die de natuur beinvloed hebben zijn de introductie
van nieuwe soorten, uitroeiing of sterk teruglopen van soorten door
overexploitatie (jacht, selectieve houtkap en visserij) en veranderingen
in het milieu (habitat destruction, milieuvervuiling, olievervuiling,
klimaatsveranderingen e.d.)
INTRODUCTIES
De meeste introducties van nieuwe soorten zijn van invloed op de natuur.
Soms is het effect onmiskenbaar. Een duidelijk voorbeeld hiervan is
de introductie van de geit. Soms ook is de invloed nauwelijks merkbaar.
De nieuwe soort neemt dan een plaats in de natuur in, de zgn. ecologische
niche, die nog niet "bezet" was door een andere soort of andere
soorten. Meestal is er echter wel invloed maar is onze kennis van de
ecosystemen ontoereikend en zijn er geen concrete gegevens beschikbaar
die het mogelijk maken om duidelijke conclusies te trekken over de aard
en omvang van de invloed. Het lijkt erop dat de chonchorogai of andesmus
(Zonotrichia capensis) sterk in aantal is afgenomen. Of is dit
een subjectieve impressie en is er alleen sprake van een teruggang in
bepaalde habitats? Houdt dit uitsluitend verband met de introductie
van de saffraanvink en/of de Europese huismus? Of spelen wellicht ook
totaal andere factoren een rol? Zo zijn er nog meer waarop wij het antwoord
(vooralsnog?) schuldig moeten blijven.
Introductie van nieuwe soorten door de Indianen
De eerste bewoners van Curaçao, de Indianen, hebben al nieuwe
planten en dieren op het eiland geïntroduceerd en een aanvang gemaakt
met jacht op dieren. Voor bepaalde soorten begon toen reeds de overexploitatie.
Het zgn. Curaçaosch konijn of "cottontail rabbit" (Sylvilagus
floridanus nigronuchalis) en ook het Curaçaosche hert de
"white-tail deer" (Odocoileus gymnotis currassavicus)
zijn zeer waarschijnlijk door de Indianen op het eiland ingevoerd. Het
is onwaarschijnlijk dat deze dieren de oversteek naar een eiland in
open zee, zoals Curaçao, op eigen kracht hebben kunnen maken.
Bij opgravingen van een Caquetío nederzetting te San Juan (Curaçao)
werden behalve overblijfselen van het "Curaçaosch"
konijn en het "Curaçaosche" hert ook overblijfselen
gevonden van nog andere Zuid-Amerikaanse zoogdieren, die niet (meer)
op Curaçao voorkomen en dit eiland evenmin op eigen kracht hebben
kunnen bereiken. Het betreft een agouti (Dasyprocta sp.), een
paca (Agouti paca) en een andere hertensoort, namelijk de "brocket"
deer" (Mazama gouazoubira). Bij opgravingen van de Caquetío
nederzetting te Santa Barbara werden eveneens overblijfselen van een
agouti en een brocket deer aangetroffen en ook van een cavia (Cavia
porcellus). Tevens werden op Santa Barbara overblijfselen gevonden
van een Zuid-Amerikaanse zoetwaterschildpad. Ook op Aruba en Bonaire
werden overblijfselen gevonden van niet-inheemse zoogdieren die zeker
door de Indianen zijn geïmporteerd (zie Haviser 1994). Tevens werden
op Santa Barbara overblijfselen gevonden van de Caribische zeehond,
of monniksrob (Monachus tropicalis), deze was wel inheems (zie
verder). Dieren zoals de agouti, de paca en de "brocket deer"
zijn dieren die een vochtiger klimaat, met meer vegetatie nodig hebben
en zich op Curaçao niet in het wild kunnen handhaven. Het is
mogelijk dat een soort zich enkele jaren weet te handhaven maar uiteindelijk
toch uitsterft. Dit kan b.v. na enige opeenvolgende jaren van grote
droogte. Zo hebben in de jaren '60 (van de 20e eeuw) enige agouti's
in het hofje van Santa Cruz geleefd. Aangenomen mag worden dat zij daar
door iemand waren losgelaten. Na verloop van tijd zijn deze dieren verdwenen.
Ook treffen wij Indiaanse kikkermotieven aan, terwijl kikkers niet op
Curaçao voorkwamen (De Haseth 1993, Haviser 1994). Het kan zijn
dat alleen deze motieven van het vasteland werden meegenomen, maar het
is niet onmogelijk dat Indianen ook kikkers hebben meegenomen, die zich
na verloop van tijd niet wisten te handhaven. De dori maco is op Curaçao
pas in 1910 ingevoerd (zie verder). De leguaan op Aruba, Curaçao,
Bonaire, Klein Bonaire en Los Roques is zo duidelijk verschillend van
die van het vasteland en reeds aangepast aan het leven op semi-aride
eilanden, dat het onwaarschijnlijk is dat dergelijke ingrijpende aanpassingen
zich in een tijdbestek van slechts 4000 à 5000 jaar zouden hebben
voltrokken. Dit betreft o.a. gedrag, grootte en legsels. Het lijkt in
dit geval dan ook waarschijnlijker dat de groene leguaan reeds lang
op deze eilanden is en deze op natuurlijke wijze heeft weten te bereiken,
dus niet door de Indianen werd ingevoerd.
Ook hebben de Indianen vele planten geïntroduceerd. Sommige konden
zich in het wild handhaven. De Amerikaanse kalebas (Crescentia cujete)
is een goed voorbeeld van een plant die door velen als een inheemse
plant beschouwd wordt, maar die vrijwel zeker door de Indianen werd
geïmporteerd. Deze plant kan zich namelijk zonder hulp van de mens
niet verspreiden. De verspreiding van deze plant vindt tegenwoordig
voornamelijk plaats door de mens en door hoefdieren, zoals ezels en
geiten die hele of opengebroken vruchten eten en de zaden verspreiden.
Vóór 1492 was er nog geen vee in de gebieden in Midden-
en Zuid-Amerika waar de kalebas vandaan komt. Ook de mens is geologisch
gezien een late immigrant in Amerika. Verondersteld wordt dat de Amerikaanse
kalebas soorten (Crescentia spp.) voordat de mens in Amerika
aanwezig was, vooral verspreid werden door olifantachtigen met name
de zgn. gomphoteren. Dit zijn een soort mastodons (Janzen & Martin 1982),
die in Midden- en Zuid-Amerika voorkwamen. Deze olifantachtigen zijn
pas vrij recent door de mens uitgeroeid (zie noot 1)(Ward,
1997).
Zeker is dat de Indianen meerdere soorten planten en gewassen
hebben geïmporteerd. Dit zijn o.a. de maïs (maíshi
grandi), bonen, tabak, de marihuri of wilde yuca (Manihot carthaginensis)
De meeste van deze gewassen kunnen zich zonder hulp van de mens niet
in de natuur handhaven. Waarschijnlijk is ook de palmiet of palma llanera
(Copernicia tectorum) door Indianen geïmporteerd. Dit is
een nuttige palm waarvan de zaden eetbaar zijn. De stevige vezels van
de bladeren en stengels zijn geschikt voor vlechtwerk. Het blad is zeer
geschikt als dakbedekking. Deze palm groeit op vochtige plaatsen maar
is, als deze zich eenmaal gevestigd heeft, zeer droogtebestendig. Ook
andere nuttige bomen kunnen geïmporteerd zijn. Een vruchtboom als
de hoba (Spondias mombin) is zeer waarschijnlijk reeds door de
Indianen geïmporteerd. De Caquetío kenden en gebruikten
katoen. Zeker zullen zij dit gewas, dat hier goed groeit, als het er
nog niet was, ook op Curaçao hebben ingevoerd. Misschien zijn
er nog andere planten die wij als inheems beschouwen, omdat zij zich
geheel zonder hulp van de mens in stand kunnen houden en verspreiden,
door de Indianen geïmporteerd. Dit valt echter moeilijk te bewijzen.
De katoen valt in deze categorie. Het is zeer wel mogelijk dat Gossypium
barbadense reeds op het eiland voorkwam. Op vele Caribische eilanden
maakt deze plant deel uit van de natuurlijke vegetatie langs de kust.
Introducties na 1499
Met de komst van de Spanjaarden in 1499 onderging de natuur grote veranderingen.
De belangrijkste factor was ongetwijfeld de invoer van geiten en schapen.
Ook ander vee werd geïntroduceerd: ezels, varkens, koeien en paarden.
Het varken (Sus scrofa) wist zich op Curaçao tot een soort
Curaçaosch landras te ontwikkelen (Husson 1960, Boekschoten 1981).
Behalve vee werden ook honden en katten en pluimvee zoals kippen ingevoerd.
Het Europees konijn weet zich op Curaçao niet in het wild te
handhaven en is na ontsnapping doorgaans binnen enkele dagen dood.
De vegetatie op sommige eilandjes, zoals Isla Bechi en Isla di Makuaku
(in de Sint Jorisbaai), die geiten, schapen en ander graasvee niet kunnen
bereiken geeft aan hoe de vegetatie er voordat deze dieren geïntroduceerd
werden ongeveer kan hebben uitgezien. Ook treft men "oorspronkelijke"
vegetatie op rotsblokken e.d. die geiten niet kunnen bereiken (Debrot
& de Freitas 1992).
De invoer van Europese ratten en muizen (familie: Muridae), de huismuis
(Mus musculus), de bruine rat (Rattus norvegicus) en de
zwarte rat (Rattus rattus) heeft geleid tot het uitsterven van
een aantal Amerikaanse ratten en muizen die op Curaçao voorkwamen.
Deze laatste waren knaagdieren die behoren tot de familie Cricetidae
een familie van ratten en muizen die voornamelijk in de Nieuwe Wereld
voorkomen, maar waar ook de hamsters uit de Oude Wereld toe behoren.
De thans zeer zeldzame djaka di caña (Calomys hummelincki
syn. Baiomys hummelincki) is op Curaçao bijna uitgestorven.
Deze muis, die in het Nederlands dwergwitvoetmuis genoemd wordt, eet
grassen en (gras)zaden. Dit dier is zeldzaam geworden, waarschijnlijk
als gevolg van de introductie van de zwarte rat en de huismuis en wellicht
ook door competitie met geiten, schapen en ander vee, die eveneens gras
en dus ook de graszaden eten. De naam djaka di caña onstond omdat
dit dier vooral in sorghum velden werd aangetroffen (nadat de sorghum
uit Afrika werd ingevoerd). Thans kent vrijwel niemand de djaka di caña
nog en is deze naam de Papiamentu naam voor een eekhoorn geworden.
Op Curaçao zijn ook fossiele resten gevonden van wat grotere
ratachtige knaagdieren. De rijstrat (Oryzomys) is thans uitgestorven
maar kwam ongetwijfeld in historische tijden nog voor. Een ander groter
knaagdier dat wellicht in historische tijden nog op Curaçao voorkwam
is Megalomys curazensis (Hooijer 1967, Husson 1960). In dit verband
is het curieus dat de Papiamentu naam djaka di caña gebruikt
werd voor een muis, die zelfs 20-25% kleiner is dan een huismuis en
dat deze naam vandaar overging op een veel groter dier zoals de (geïmporteerde)
eekhoorn. Was de naam djaka di caña misschien oorspronkelijk
de naam voor Oryzomys of Megalomys?
Ook werden na 1499 nieuwe cultuurgewassen geïntroduceerd; dit waren
gewassen zoals citrus, bananen, suikerriet, sorghum (maishi chikí),
pinda's etc. Enkele van de reeds door de Spanjaarden geïntroduceerde
planten weten zich in het wild of in verwilderde toestand te handhaven,
b.v. de tamarijn (Tamarindus indicus) en de aloë (Aloe
barbadensis). Wij weten lang niet altijd wanneer de introductie
plaatsvond. Patia's, de "Curaçaosche" komkommer, meloenen,
mispel, zuurzak, granaatappel: dit alles en nog veel meer werd geïntroduceerd.
Kokosnoten werden geïntroduceerd uit het gebied rond de Indische
oceaan. Het betreft de zgn. "Tall Coconuts" uit o.a. Oost-Afrika
en de Seychelles. Deze kokosnoten staan ook bekend als kokosnoten van
het zgn. "Niu Kafa"-type. De mango, die oorspronkelijk uit
India afkomstig is, zou pas in 1782 vanuit Mauritius naar West-Indië
zijn overgebracht (Renkema 1981). De Spanjaarden hebben ook katoen ingevoerd
en de Hollanders hebben dit gewas opnieuw geïntroduceerd, zo kwam
ook een andere katoensoort de Gossypium hirsutum op Curaçao
terecht (Cathoentuin). In de 19e eeuw waren er vijf variëteiten
katoen op het eiland (Renkema 1981). Geïntroduceerde planten die
zich in het wild wisten te handhaven zijn o.a. de uit de Sahel afkomstige
katuna di seda (Calotropis procera), die in de Sahellanden madar
genoemd wordt, en de door de Nederlanders geïntroduceerde indigo
(Indigofera tinctoria), die vooral in de 18e eeuw werd gekweekt.
Met al deze planten kwam er ook een heel scala aan plantenziekten mee,
waarvan er een aantal uiteraard ook van invloed waren op de aanwezige
natuurlijke vegetatie. De groene stinkwants (Nezara viridula),
die hier kapotjas werd genoemd, werd midden 19e eeuw ingevoerd. Enige
jaren voor 1867 brak er een ernstige plaag uit van schildluizen op kokosbomen,
waaraan veel kokosbomen ten gronde gingen (Terpstra 1948). Deze plaag
moet wel door de kokosschildluis (Aspidiotes destructor) veroorzaakt
zijn. Wij mogen dan ook concluderen dat deze schildluis omstreeks deze
tijd op Curaçao is geïntroduceerd. Nieuwe plagen veroorzaken
doorgaans de meeste schade in de eerste jaren na hun introductie, daarna
ontwikkelen de planten vaak een zekere resistentie en ook ontstaat er
een evenwicht in de natuur waarbij predatoren zich op de nieuwe plaag
gaan richten.
Introducties die in de vorige eeuw plaatsvonden en die van grote invloed
waren op de natuur van Curaçao zijn de palu di lechi (Cryptostegia
grandiflora) en de korona di hesus (Balanites aegyptica).
De palu di lechi werd geïmporteerd met het oog op extractie van
rubber. De korona di Hesus is een doornige boom uit de woestijngebieden
van Noord-Afrika en het Midden-Oosten die sterke droogte verdraagt en
die men thans in grote delen van het eiland aantreft. De korona di Hesus
werd door Cornelis Gorsira op Curaçao geïntroduceerd. Gorsira
heeft ook de doum- palm (Hyphaene thebaica) op Curaçao
ingevoerd. Cornelis Gorsira was een Curaçaoënaar die fortuin
gemaakt had met concessies voor fosfaatwinning. Eind vorige eeuw maakte
hij een reis naar Egypte en Palestina en nam vandaar zaden mee van soorten
waarvan hij vond dat deze ook op Curaçao zouden moeten groeien.
Zijn reisverslag dateert van 1882. Hoewel de korona di Hesus dus reeds
rond 1882 op Curaçao is, verspreidt deze plant zich nu nog steeds
verder over het eiland en neemt deze boom inmiddels in veel gebieden
een dominante positie in. Vergeleken met 30 jaar terug heeft deze boom
zich veel verder over het eiland verspreid. Thans treft men deze boom
in praktisch alle delen van Oost- en Midden-Curaçao aan, tot
ongeveer de Kleine Berg, en is deze boom met zijn opmars naar Banda
Abao begonnen. In de 19e eeuw werd de sisal (Agave sisalana)
geïntroduceerd, een agave die afkomstig is uit Mexico en die vezels
van superieure sterkte en lengte levert. Deze werd voornamelijk aangeplant
op Malpaïs en is daar thans nog in verwilderde toestand te vinden.
Ook op veel andere plaatsen op het eiland treft men deze sisal aan.
De sisal plant zich in tropische laaglanden alleen vegetatief voort
en bloeit en produceert alleen zaad en zaailingen in hooglanden die
minimaal boven de 500 m liggen. Voor de zaadvorming zijn koude nachten
nodig. Op Curaçao komen echter wel degelijk bloeiende sisalplanten
voor, die levensvatbare nakomelingen produceren. Is hier destijds een
laaglandvariëteit geïntroduceerd, die zich ook in het laagland
sexueel kan voortplanten, of heeft de sisal zich in iets meer dan een
eeuw aan het klimaat op Curaçao aangepast? Ook de cactus sürnam
(Euphorbia lactea), die niet uit Suriname, maar uit de Oude Wereld
afkomstig is treft men in verwilderde toestand aan. De heester "karpata"
(Ricinis communis) werd uit de Oude Wereld geïntroduceerd.
Voor het vee werden diverse nieuwe grassoorten geïntroduceerd,
waarvan een aantal nu in het wild groeit. En zo zijn er nog diverse
andere geïntroduceerde planten die zich in het wild of in verwilderde
toestand in de Curaçaose natuur kunnen handhaven.
Recente introducties
Zeedieren
Het Panamakanaal vormt een barrière voor de meeste soorten zeedieren
die op de romp van schepen zitten. Het kanaal is met zoet water gevuld.
Ook het Suezkanaal vormt een barrière, die de verspreiding van
zeedieren tegengaat. Het water van de Bittermeren heeft een verhoogd
zoutgehalte. Ook de scheepvaartroutes om Kaap de Goede Hoop en Kaap
Hoorn vormen een barriere, daar het water daar koud is en tropische
organismen op de romp dit koude water niet kunnen overleven. In de jaren
'50 en '60 zat er doorgaans veel olie in het ballastwater. Door internationale
voorschriften tegen het lozen van olie (MARPOL) is het water in de ballasttanks
van schepen veel schoner geworden. Ironisch genoeg heeft dit geleid
tot een toename van de verspreiding van exotische organismen doordat
de larven van deze dieren in het schonere ballastwater kunnen overleven.
Deze worden zo overgebracht naar gebieden waar zij niet thuishoren.
Er wordt thans gewerkt aan nieuwe voorschriften om ballastwater te ontsmetten.
Ook op de huid van schepen kunnen organismen overgebracht worden en
kunnen sommige soorten toch de tocht door het Panamakanaal overleven.
In 1997 werd een levend exemplaar van de "lesser grilled triton"
(Galagno succineta) op de zeebodem bij Blauwbaai aangetroffen.
Ook werd in 1998 een "adam's dwarf triton" (Oenebra muricoides)
nabij Playa Mansaliña te San Juan aangetroffen. Dit zijn beide
zeeslakken uit het Indo-Pacifische gebied die niet in het Caribisch
gebied thuishoren. Het feit dat er enkele van deze "dwaalgasten"
werden aangetroffen wil nog niet zeggen dat deze soorten zich mettertijd
ook blijvend in het Caribisch gebied zullen vestigen, maar het geeft
wel aan dat de kans daarop niet geheel denkbeeldig is.
Zeeappelsterfte. In 1983 werd een organisme vanuit de Pacific in het
Caribisch gebied binnengebracht dat een zeer grote sterfte onder de
zwarte zeeappel (Diadema antillarum) heeft veroorzaakt. Deze
zeeappels grazen op filamenteuze algen. Deze algen kunnen het koraal
overwoekeren. Het afsterven van deze zeeappel heeft geleid tot het afsterven
en verarmen van grote delen van het ondiepwaterrif. In het diepere rif
was het effect veel minder sterk, waarschijnlijk omdat hier minder licht
is en de filamenteuze algen daar langzamer groeien. Het ondiepwaterrif
van voor 1983 heeft opgehouden te bestaan. Thans lijkt het erop dat
de zwarte zeeappel enige resistentie tegen de zeeappelziekte heeft opgebouwd
en dat hun aantal weer toenemt. Zal het ondiepwaterrif ooit terugkeren?
De onderwater bossages van "staghorn coral" (Acropora cervicornis)
die men op diverse plaatsen langs de zuidkust aantrof werden aangetast
door de zgn."white-band disease". De verdwenen koralen zijn
door zandvlaktes met enige algen (vooral Padina pavona) vervangen.
Zeer waarschijnlijk heeft het optreden van deze white-band disease in
de eerste plaats met hogere zeewatertemperaturen te maken (zie verder),
waar met name de Acropora cervicornis gevoelig voor is. Mogelijk
heeft het wegvallen van de begrazing door de zwarte zeeappel hierbij
ook een rol gespeeld.
Om te kunnen weten wat er geïntroduceerd is, dient men eerst goed
te weten wat er wel en wat er niet was. Doordat het onderzoek van het
koraalrif met aqualong vrij recent is en er daarvoor geen goede inventarisatie
van alle riforganismen bestond, valt, wanneer men nieuwe soorten ontdekt,
niet altijd met zekerheid te zeggen of deze er misschien altijd al waren
of dat het nieuwe geïntroduceerde soorten betreft.
De tunicaten (manteldieren) zijn diertjes die uit pijpjes van cellulose
bestaan, zij pompen water door hun lichaam en filteren voedseldeeltjes
uit het water. Vanaf ongeveer 1978 is de tunicaat Trididemnum solidum
op Curaçao in grote aantallen op het rif te vinden. Van deze
soort is bekend dat zij thans ook op Bonaire en in andere delen van
het Caribisch gebied (San Blas bij Panama, de Caribische kust van Colombia
en ook in Puerto Rico) in grote aantallen voorkomt. Deze tunicaten vormen
grote plakkaten die tussen het koraal groeien en dit aan de randen kunnen
overwoekeren. Het betreft hier een soort, die niet in het Indo-Pacifische
gebied voorkomt, en waarvan bekend is dat deze altijd al in het Caribisch
gebied aanwezig was. De vraag is of deze tunicaat ook op Curaçao
en Bonaire altijd al aanwezig was, en er sprake is van een abnormale
toename van hun aantal (dit kan te maken hebben met veranderingen in
de ecologie van het koraalrif en ook verband houden met hoge zeewater-temperaturen),
of dat deze, waarschijnlijk vanuit San Blas, geïntroduceerd is.
Dit laatste lijkt waarschijnlijker. Hoewel er niet specifiek naar gezocht
is, kan men zich niet herinneren dat dit organisme voor 1978 op Curaçao
aanwezig was. Bovendien waren zij, na 1978, toen er op Curaçao
op het rif al sprake was van een aanzienlijk aantal van deze kolonies,
op Bonaire nog nergens te vinden (mededeling: J. Sybesma). De eerste
kolonies op Bonaire werden in de omgeving van de BOPEC oil aangetroffen
(mededeling: E. Newton).
In het verleden is er ook enige discussie geweest over de vraag of het
koraal Tubastraea coccinea in het Atlantisch, en dus ook het
Caribisch gebied, geïntroduceerd is of niet. Tubastraea coccinea
is een oranjerood koraal dat groeit op beschaduwde plekken zoals rotswanden
en de ingang van grotten. Dit is een van de weinige koraalsoorten die
zowel in het Indo-Pacifische als in het Atlantische gebied voorkomt
(Wood 1983). Dit koraal hecht zich makkelijk aan scheepsrompen. Om deze
reden heeft men in het verleden gedacht dat deze soort in het Atlantisch
gebied geïntroduceerd zou zijn. Thans neemt men echter aan dat
het hier een cosmopoliet betreft die zich op natuurlijke wijze heeft
weten te verspreiden.
Amfibieën
De dori maco (Pleurodema brachyops syn. Pleuroderma brachyops)
is op Curaçao en Bonaire uit Aruba ingevoerd, op Curaçao
ca. 1910 en op Bonaire in 1928 (Wagenaar Hummelinck 1940). In het noorden
van Zuid-Amerika komt deze kikker alleen voor in de savannegebieden
en drogere streken en niet in de beboste gebieden. De dori maco is een
kleine lichtbruine grondkikker die veel op een pad lijkt. In de regentijd
wanneer de dammen zich met water vullen en er elders diepere plassen
water ontstaan, komen de volwassen dieren uit de bodem, waar zij in
de droge tijd in een soort winterslaap ingegraven zitten. De paring
begint, en de hele nacht door wordt er flink gekwaakt. Na enkele dagen
wordt het gekwaak allengs minder en ziet men nesten van schuim, die
op het water drijven. Deze nesten van schuim zijn karakteristiek voor
kikkers van het genus Pleurodema. De Engelse naam voor Pleurodema
brachyops "froth-nest frog" slaat op deze schuimnesten.
De fluitkikker (Eleutherodactylus johnstonei) is afkomstig uit
de Kleine Antillen en komt voor op de meeste eilanden in deze groep.
Kleine Antillen waar deze soort voorkomt zijn St. Croix, Anguilla, St.
Maarten, St. Barth's, Saba en St. Eustatius, St. Kitts, Nevis, Montserrat,
Barbuda, Antigua, Guadeloupe, Martinique, Sta. Lucia, St. Vincent, Grenada
en Barbados (Schwartz & Henderson). Hij werd geïmporteerd in de
kustgebieden van Venezuela, in Jamaica, Bermuda, Guyana en ook in Trinidad
(Murphy 1997). Deze soort wordt veel in tuinen aangetroffen en weet
zich in geurbaniseerde gebieden te handhaven. Op Curaçao is deze
soort ook geïmporteerd, waarschijnlijk vanuit Venezuela, begin
jaren '80. Deze fluitkikkers zijn thans over een groot deel van het
eiland verspreid. Zij hebben zich in of in de buurt van tuinen weten
te vestigen en handhaven. De dieren verblijven op vochtige plekken in
tuinen, in potplanten, varens, heliconia's, bromelia's e.d.. Thans kunnen
wij deze kikker als een genaturaliseerde soort beschouwen, hoewel zij
zich niet in het wild weten te handhaven en van de altijd groene vegetatie
in tuinen afhankelijk zijn. De fluitkikker is een kleine kikker die
zich op de grond of in lage begroeiing ophoudt. Er loopt een donkere
band over de snuit, het oog en het oor (tympanum). Op de rug zijn er
donkerbruine chevron patronen. 's Nachts maken de mannetjes-kikkers
hoge "bwií, bwií" fluitgeluiden die tot op grote
afstand te horen zijn. Niet iedereen weet de indringende tonen en het
indrukwekkende volume dat deze miniatuurkikkers voortbrengen te waarderen;
temeer daar het geluid ook in de airco-kamer doordringt. Dieren die
verplaatst worden weten de "home range" van een afstand van
50 m of meer terug te vinden. Er is hierdoor bij de zgn. Pest-control
bedrijven vraag naar eliminatie van deze diertjes.
Reptielen
De "cosmopolitan house gecko" (Hemidactylus mabouia)
is een vrij grote gekko (Pegapega), die een lengte van ongeveer 14 cm
kan bereiken. Deze gekko heeft een basiskleur die varieert van grijswit
tot lichtbruin met daarop een lichtbruine tot donkerbruine tekening.
Op de rugzijde zijn er karakteristieke chevron patronen en op de staart
gaan deze over in banden. Bij de juvenielen is dit patroon zeer duidelijk
zichtbaar; de juvenielen zijn lichtbruin met donkere dwarsstrepen over
het hele lichaam. Volwassen dieren kunnen hun kleur aanpassen van zeer
licht tot veel donkerder. Het chevron patroon kan vaak flets zijn, en
dit patroon is vooral op de rug, vaak vrijwel of geheel afwezig of niet
duidelijk zichtbaar. De huid is gladder dan die van de inheemse soort
Phyllodactylus maar is niet geheel glad, er zijn kleine tuberculi
en ook enige iets grotere trihedrale tuberculi. De originele staart
bezit rijen met kleine stekels. Vele dieren hebben echter geregenereerde
staarten, die ronder zijn en geen stekels hebben. De geregenereerde
staart is lichter van kleur en heeft geen bandenpatroon. In huizen is
dit op Curaçao thans de meest algemeen voorkomende gekko, met
name in de woongebieden rond Willemstad. In 1936 en '37 werd deze gekko
door Wagenaar Hummelinck nog niet aangetroffen. Velen menen dat deze
gekko pas rond eind jaren '80 algemeen geworden is. Er wordt vaak verondersteld
dat de Cosmopolitan house gecko Hemidactylus mabouia met slavenschepen
uit West-Afrika naar West-Indië getransporteerd werd en deze gekko
wordt daarom ook wel "Wood slave" of "African wood slave"
genoemd: de "slaaf" die met het hout uit Afrika meekwam.Vanzolini
(1968) gelooft dat dit inderdaad waarschijnlijk is. Hoewel er in de
oudere herpetologische literatuur niets specifieks over de introductie
van deze soort te vinden is, wordt ook in Brazilië, al sinds de
18e eeuw, beweerd dat dit dier met de slavenhandel ingevoerd is. De
kroniekschrijvers uit de 16e en begin 17e eeuw maken nog geen melding
van een hagedisje dat in huizen leeft, dit terwijl hun beschrijvingen
in alle opzichten bijzonder gedetailleerd zijn. Volgens Kluge 1969 wijst
de verspreiding van deze soort en ook de verspreiding van de nauw verwante
soort Hemidactylus brookii in de Nieuwe Wereld echter niet op
menselijk transport en hebben zowel Hemidactylus mabouia als
Hemidactylus brookii de Nieuwe Wereld op natuurlijke wijze, vanuit
Afrika, met drijvende boomstammen of vlotten van vegetatie, weten te
bereiken. Deze Nieuwe Wereld-soorten verschillen reeds enigszins van
de Afrikaanse vormen, hetgeen erop wijst dat zij al reeds langer in
de Nieuwe Wereld zijn en derhalve niet door de mens werden overgebracht.
Wel zijn deze soorten, toen zij reeds in de Nieuwe Wereld waren, door
de mens verder verspreid. In Midden-Amerika en Florida is Hemidactylus
mabouia zeker wel door de mens geïntroduceerd en ook op Curaçao
is dit een door de mens geïntroduceerde soort. Het lijkt erop dat
deze gekko, althans in en rond huizen, met name de oorspronkelijke lokale
soort Gonatodes antillensis verdringt en, in mindere mate ook
de inheemse soort Phyllodactylus martini.
Zoogdieren
Ook de veestapel onderging in de loop der jaren veranderingen. Het is
aannemelijk dat het proces van vermenging reeds in de Nederlandse tijd
begonnen is. Het is bekend dat er in de loop der jaren ook geiten vanuit
Nederland geïmporteerd zijn, de invloed hiervan op de veestapel
is echter niet duidelijk te achterhalen. Volgens Boekschoten (1981)
zijn er, (of waren er in 1981) exemplaren die veel op de zgn. "veluwse
geiten" lijken; wit, langharig en voorzien van een bokkepruik.
Waarschijnlijk zullen er in de Engelse tijd ook Engelse rassen zijn
geïmporteerd. Vaak werden levende geiten als proviand op schepen
meegenomen, soms overleefde de proviand de reis en werd de Curaçaosche
veestapel met nieuw bloed verrijkt. In de 20e eeuw werden systematisch
nieuwe rassen van schapen en geiten ingevoerd en fokprogramma's opgezet
met de bedoeling het slachtgewicht te verbeteren. Deze programma's zijn
voor een groot deel succesvol geweest. De geiten en schapen die nu op
het eiland rondlopen vertonen dan ook duidelijk andere kenmerken dan
het oorpronkelijke uit Spanje afkomstige vee. Het zgn. "Persian
black-head" schaap werd waarschijnlijk vroeg in de 20e eeuw ingevoerd.
Dit is een kortharig wit schaap met zwarte kop en nek. Vanaf begin jaren
'70 wordt dit type schaap alweer verdrongen door de zgn. "black-belly",
een bruin schaap met donkere buik, dat ingevoerd werd vanuit Grenada
en Barbados. Vanaf de jaren '50 zijn veel zgn. "Anglo-nubian"
geiten ingevoerd. Dit is een ras dat in de 19e eeuw door de Engelsen
werd ontwikkeld in Egypte en Sudan (Nubia). De "Anglo-nubian"
heeft langere oren en is veel zwaarder dan de oorspronkelijke "Curaçaosche"
geit. De invloed van deze in deze eeuw geïmporteerde rassen is
thans in het lokale vee duidelijk zichtbaar. Vanaf 1993 wordt ook de
Zuid-Afrikaanse "boer-goat" ingevoerd. Ook hier zien wij dus
een proces van continue verandering. Noch het vee noch de vegetatie
zijn hetzelfde als toen de Spanjaarden zich op Curaçao vestigden.
Vogels
In 1953 werd de Europese huismus (Passer domesticus) op Curaçao
geïntroduceerd door Johan Jonkhout. In het Papiamentu heet deze
vogel dan ook para di Joonchi (Voous 1983). Jarenlang trof men deze
vogel alleen bij Mundo Nobo aan. Thans echter wordt deze mus over zowat
het hele eiland gesignaleerd, tot aan Westpunt toe. Men treft haar aan
in de bewoonde omgeving. In sommige gebieden is de mus zeer talrijk.
Het lijkt erop dat deze vogel na haar introductie, onder invloed van
de natuurlijke selectie, een vrij lange periode van genetische aanpassing
aan de omstandigheden op Curaçao onderging, alvorens de soort
in staat was zich over het hele eiland te verspreiden.
De Afrikaanse koereiger (Bubulcus ibis) is een vogel die over
grote afstanden migreert. In de jaren '30 werd deze vogel voor het eerst
gesignaleerd in de Guiana's. Aangenomen wordt dat een groep van deze
vogels de oversteek vanuit Afrika naar het Amerikaanse continent op
eigen kracht heeft kunnen maken, daarbij wellicht geholpen door gunstige
winden. Vanuit de Guiana's heeft de koereiger zich thans over grote
delen van beide Amerikaanse continenten verspreid. In 1944 werd deze
vogel voor het eerst gesignaleerd Aruba, in 1967 op Curaçao en
in 1970 op Bonaire (Voous 1983). Thans is de koereiger een algemene
verschijning op Curaçao. Het lijkt erop dat de koereiger een
belangrijke predator van hagedissen is, zowel van de lagadishi (Cnemidophorus
murinus) als van de totèki (Anolis lineatus).
De saffraanvink (Sicalis flaveola) is een vogel die afkomstig
is uit de droge gebieden van Zuid-Amerika. Vanaf begin jaren '70 komt
deze vogel in het wild voor op Curaçao. Op Aruba komt deze vogel
voor sinds '79. Vrijwel zeker betreft het hier een populatie van ontsnapte
volièrevogels; maar het is niet geheel uitgesloten dat deze vogel
Aruba vanuit Venezuela heeft kunnen bereiken (Voous 1983). De para di
misa (Dendroica petecha), is met name in de bewoonde gebieden
zeldzaam geworden. Het is vrijwel zeker dat deze door de saffraanvink
werd verdrongen. Terzelfdertijd dat de saffraanvinken in tuinen gesignaleerd
werden verdween de para di misa. Wel kan men zich afvragen hoe dit mogelijk
is, dit daar de para di misa een insecteneter is en de safraanvink een
zaadeter, er is dus geen voedselconcurrentie. Het kan zijn dat de para
di misa simpelweg door de saffraanvink verjaagt wordt. Doordat de saffraanvink
veel op de para di misa lijkt wordt deze door velen para di misa genoemd
en zijn velen zich er niet van bewust dat het hier niet om "de
echte para di misa" gaat. De indringer heeft de para di misa niet
alleen naar de mondi (bush) verdrongen, maar ook zijn identiteit overgenomen.
In 1991 werd de "shiny cowbird" (Molothrus bonariensis)
op Curaçao aangetroffen in het wild (Debrot & Prins 1992). Ook
hier betreft het een populatie die vrijwel zeker ontstaan is uit ontsnapte
volièrevogels. De "shiny cowbird" is een blauw-zwarte
vogel die lijkt op en behoort tot de familie van de Icteridae. Deze
familie omvat de troupials, blackbirds en orioles. Deze vogel legt haar
eieren in nesten van andere vogels, evenals een koekoek en kan mede
daardoor een bedreiging vormen voor allerlei andere soorten vogels.
Het betreft met name de gele troepiaal (Icterus icterus), de
oranje troepiaal (Icteris nigronuchalis), de para di misa (Dendroica
petecha) en de chonchorogai of andesmus (Zonotrichia capensis),
(zie Debrot & Prins 1992). Op Martinique heeft de "shiny cowbird"
de populaties van de endemische Martinique oriole (Icterus bonana)
sterk nadelig beïnvloed.
Thans zien wij dat er diverse verwilderde papegaaien rondvliegen. Dit
zijn o.a. de "chestnutfronted ara" (Ara severa) en
de "yellow-crowned amazon" (Amazone ochrocephala).
Amazona ochrocephala heeft zelfs op enkele plaatsen in het wild
gebroed. In het verleden werden ook verwilderde rose-ringed parkieten
(Psittacula krameri) en bibitu's (Forpes passerinus) op
Curaçao aangetroffen en hadden deze kleine broedkolonies gevormd.
Waarschijnlijk zijn al deze dieren door volièrehouders weer weggevangen.
In ieder geval hebben deze soorten zich nog niet permanent op Curaçao
weten te vestigen.
Planten, plantenziektes en schadelijke insecten
De meeste sierplanten werden pas in deze eeuw op Curaçao geïntroduceerd.
Palmen en andere sierplanten die uitsluitend voor ornamentale doeleinden
worden gebruikt zijn pas deze eeuw in zwang geraakt, toen de mogelijkheid
om met windmolens of met de waterleiding te irrigeren ontstond. Er zijn
op Curaçao een aantal soorten koningspalmen die alle uit de Caribische
regio afkomstig zijn. De koningspalm (Roystonea spp.) heeft veel
water nodig; op oude foto's zien wij nergens grote koningspalmen. Op
foto's uit het begin van deze eeuw van huizen op Scharloo is een enkele
kleine koningspalm zichtbaar. Hiermee is natuurlijk niet gezegd dat
dit de eerste koningspalmen op Curaçao waren. Wel geeft het aan
dat de eerste koningspalmen in tuinen vermoedelijk pas begin deze eeuw
in zwang raakten. De Fiji-palm (Pritchardia pacifica) die afkomstig
is uit de Pacifische eilanden ziet men nergens op foto's uit het begin
van deze eeuw. In het boek Scharloo van Paulina Prunetti-Winkel
ziet men op enkele foto's van Van der Wal uit 1954 Fiji-palmen, waarvan
de grootste vermoedelijk 20-25 jaar oud is. Het lijkt aannemelijk dat
de Fiji-palm in de jaren '20 of '30 op Curaçao geimporteerd werd
(dit kan verband houden met de opening van het Panama-kanaal) en in
de jaren daarna een "mode"-plant werd.
De Manila palmen zijn eind jaren '50 in zwang geraakt. Ook de flamboyant
(Delonix regia), die uit Madagascar afkomstig is was in de jaren
'40 een mode-plant, dit hoewel deze toen reeds geruime tijd op het eiland
was. Een van de meest recente introducties is de washingtonia-palm (Washingtonia
robusta) die vanaf 1980 steeds meer in plantsoenen en beplantingen
rond hotels wordt aangetroffen; daarvoor waren er reeds enkele exemplaren
op het eiland. Ook werden in deze eeuw nieuwe variëteiten van fruitbomen
en gewassen geïntroduceerd. Van de papaya werden nieuwe virusresistente
variëteiten geïntroduceerd. In de jaren '50 kwam de import
van de Maleise dwergkokos-variëteiten op Curaçao op gang
(de zgn."dwarf coconuts"). Men treft dwergvariëteiten
met licht-gele, oranje en met groene vruchten. De Maleise dwergkokospalmen
dragen veel eerder vrucht en worden lang niet zo hoog als de "Tall
coconuts". Hierdoor worden de "Tall coconuts" niet meer
aangeplant en zijn deze nog maar op enkele plaatsen te vinden (o.a.
op de plantages San Juan en in de hofjes van Klein Santa Martha en Lagun).
Wel zijn er nog kokospalmen die zeer waarschijnlijk hybriden van "Tall
coconuts" en de Maleise dwergkokospalmen zijn.
Wat was het effect van al deze introducties op de oorspronkelijke natuur?
Sommige sierplanten weten zich in het wild te handhaven. Op sommige
plaatsen worden Afrikaanse kalanchoë aangetroffen en ook sanseviera's
(lengua di suegra). Ook deze eeuw kwamen er met al deze introducties
de nodige nieuwe plantenziektes binnen, waarvan een aantal ook wilde
planten aantasten. De afgelopen jaren alleen al is er een groot aantal
nieuwe plantenziektes Curaçao binnengekomen. Een aantal van deze
kwamen binnen met sierplanten, andere met land- en tuinbouwproducten.
Het "bunchy top virus" kwam eind jaren '60 binnen en tast
papayabomen aan, inmiddels is het voorkomen van dit virus veel minder
door het gebruik van resistente papayarassen. BTV is een voorbeeld van
een ziekte die slechts één soort aantast. Andere plantenziekten
hebben vaak een breder spectrum, dat wil zeggen zij tasten meer planten
aan en kunnen ook van invloed zijn op de natuurlijke vegetatie. De "white
fly" (Bemisia tabaci) is een insect dat zijn intocht deed
in 1989, thrips (Thrips palmi) in 1994, "pink mealy bug"
of "hibiscus mealy bug" (Macconellicoccus hirsutus)
in 1997 en "citrus leaf miner" (Phyllocnistis citrella)
eveneens in 1997.
De "pink mealy bug" wordt ook aangetroffen op wilde planten
o.a. de wayaká (Guaiacum officinale) en op diverse soorten
onkruid, de "white fly" op wayaká en mansaliña
(Hippomane mancinella), de "citrus leaf miner" werd
ook op watakeli (Bourreria succulenta) aangetroffen.
Ook diverse andere plantenziektes worden op wilde planten aangetroffen.
De varoa mijt (Varoa jacobsoni) kwam binnen in 1997. Deze tast
kolonies van bijen aan, maar is voor zover bekend niet van invloed op
andere insecten.
Toekomstige introducties
Het is zeer waarschijnlijk dat er in de toekomst nog meer planten en
dieren geïntroduceerd zullen worden die zich in het wild kunnen
handhaven. Het vervelende van introducties is dat de gevolgen daarvan
voor de oorspronkelijke natuur zeer onvoorspelbaar kunnen zijn. Zo heeft
de Zuid-Amerikaanse reuzenpad Bufo marinus zich op een zo droog
eiland als Aruba weten te vestigen. Dit terwijl het een soort betreft
uit vochtiger gebieden, waarvan men niet zou verwachtten dat deze ooit
op een zo droog eiland als Aruba zou kunnen vestigen. Dit voorbeeld
geeft aan dat deze pad in de toekomst wellicht ook op Curaçao
terecht kan komen, met alle nadelige gevolgen van dien.
Een andere bron van zorg is de import van nieuwe plantenziektes en schadelijke
insecten die met geïmporteerde planten binnenkomen.
Ook worden er exotische dieren geïmporteerd die zich wellicht tegen
de verwachting in toch op een zo droog eiland als Curaçao kunnen
vestigen. Ik denk hierbij aan soorten als de mongoose, waranen, slangen
en ontsnapte volièrevogels.
Er is een aantal exotische gekko's die zich via containers steeds verder
over de tropen en sub-tropen verspreiden. De meest bekende invasieve
soorten zijn de "mourning gecko" (Lepidodactylus lugubris),
de "pacific house gecko" (Hemidactylus frenatus) en
de "mediteranean house gecko" (Hemidactylus turcicus).
Op Curaçao en Bonaire is de "cosmopolitan house gecko"
(Hemidactylus mabouia) reeds geïntroduceerd, maar hoeven
wij niet verbaasd te zijn als er in de toekomst ook nog andere invasieve
soorten zouden opduiken. Dit kan leiden tot het verdringen van lokale
soorten gekko's, zoals Phyllodactylus martini en Gonatodes
antillensis.
In zee kunnen wij nieuwe koraalziektes, algen of andere soorten uit
het Indo-Pacifische gebied verwachten die met ballastwater of op de
huid van schepen binnenkomen.
OVEREXPLOITATIE
Overexploitatie tot aan de 20e eeuw
Melongena melongena, de karkó indjan
In oude Indiaanse schelpenhopen vinden wij veel Melongena melongena,
een zeeslak die men thans op Curaçao vrijwel niet meer aantreft
en die, naar men op grond van de aanwezigheid in deze schelpenhopen
mag aannemen vroeger, veel talrijker geweest moet zijn.
Zeeschildpadden
De exploitatie van zeeschildpadden is zeker al begonnen door de Indianen,
maar er was waarschijnlijk nog geen sprake van overexploitatie. De aanwezigheid
van "seafood" van hoge kwaliteit zoals de carcó (Strombus
gigas), de carcó indjan (Melongena melongena), kreeft
en een aantal soorten zeeschildpadden vormden belangrijke eiwitbronnen,
die het verblijf op deze eilanden aantrekkelijk maakten. In de koloniale
tijd ging deze exploitatie verder. In het West-Indisch plakaatboek
(Schiltkamp & de Smidt) treft men resoluties van mei en juni 1643 van
de directie van de West-Indische Compagnie waarbij een schip naar Las
Aves en Los Roques gezonden wordt om schildpadden te vangen, maar ook
naar Klein Curaçao. De resolutie van 6 juni 1643 staat het garnizoen
toe om enige personen naar Klein Curaçao te zenden "...,om
te sien ofse tott streckinge van haer sober rantsoen eenige schiltpadden
conden keeren ...,.." Dit impliceert dat er in die tijd waarschijnlijk
een kolonie eierleggende schildpadden op Curaçao was. Hoewel
niet vermeld wordt om welke soort schildpadden het gaat zijn er redenen
om aan te nemen dat het hier waarschijnlijk de green turtle (Chelonia
mydas) betreft, die nu niet meer op Klein Curaçao nest. Aves
en Roques zijn belangrijke nestplaatsen voor de Green turtle en deze
worden in deze resolutie praktisch in één adem genoemd
met Klein Curaçao. De loggerhead of Kawama heeft veel taaier
en peziger vlees dan de green turtle en de karetschildpad nest niet
in groepen. Waarschijnlijk is Klein Curaçao vroeger een belangrijke
nestplaats voor de Green turtle geweest.
Westindische zeehond
De Westindische zeehond of Westindische monniksrob Monachus tropicalis
(Eng: Westindian monk seal, Sp: foca fraile) kwam tot het begin van
de 17e eeuw ook op Curaçao voor en werd begin 20e uitgeroeid.
Dit waren vrij grote zeehonden welke tot 2,40 m lang konden worden en
een gewicht van meer dan 200 kg konden bereiken. Deze dieren werden
vooral gejaagd om hun traan. In 1911 werd op de Triangle Keys bij Yucatán
een laatste kolonie van ongeveer 200 exemplaren door vissers gedood.
In 1952 werd nog een laatste exemplaar bij de Seranilla bank (Jamaica)
gezien. Ten tijde van de "ontdekking" van Amerika kwam deze
zeehond voor op de Bahama's, Cuba, Hispaniola, Jamaica en langs de kusten
van het vasteland van Midden-Amerika van Yucatan tot de Noordkust van
Honduras. Ten Noordnoord-westen van Anguilla treft men de eilanden Seal
island en Little Seal island en bij opgravingen op St. Kitts werden
resten van deze zeehond gevonden. Ook op Guadeloupe kwam deze zeehond
voor, in 1667 werden hier exemplaren gezien (Van Bree 1994). Midden
zestiger jaren werd door C.P. de Haseth bij de resten van een Indiaanse
nederzetting te Klein St. Michiel op Curaçao een bot gevonden
dat door dr. D.A. Hooijer, paleontoloog van het Rijksmuseum voor Natuurlijke
Historie te Leiden, tentatief geïdentificeerd werd als een vingerkootje
van een zeehond. Uiteraard is een positieve identificatie op grond van
één enkel bot moeilijk, nochtans scheen dit bot van een
zeehond afkomstig te zijn. In 1992 werden bij opgravingen bij een Caquetío
nederzetting op de plantage Santa Barbara op Curaçao door het
AAINA, onder leiding van dr. Jay Haviser resten van een Westindische
zeehond gevonden. Hiermee is er thans een concreet bewijs, dat eerdere
vermoedens (van C.P. de Haseth) over het tot vrij recent voorkomen van
deze zeehond op deze eilanden bevestigd. Er zijn tot nog toe geen verdere
meldingen over het voorkomen van deze zeehond in tussenliggende gebieden,
ten Zuiden van Guadeloupe en ten Zuiden van Honduras.
Op 16 februari 1643 gaven de Directeur (P. Stuyvesant) en Raden van
de West-Indische Compagnie op Curaçao, een resolutie uit waarbij
het jacht de Paroquiet o.a. er op uitgestuurd wordt om op Klein Curaçao
robben te gaan vangen:
"Wijders alsoo 't eiland ende de jachten onversien sijn van
traen, sonder welcke qualick in see te gaen is, hebben goetgevonden
't jacht de Paroquiet eens opwaarts aen te senden naar Clein Curaçao
om enige robben vandaar te halen..." (Westindisch Plakaatboek
Deel I pag. 10, 11.).
Bij een eerder bezoek aan Klein Curaçao midden november 1635,
waarbij "de nieuwe boot" er door Johan van Walbeeck op uit
gezonden wordt om Klein Curaçao te verkennen, wordt niets over
zeehonden vermeld (Hartog pag. 159). Dit hoeft op zich geen bewijs te
zijn dat deze daar toen al niet meer voorkwamen. In de Bahamas kwamen
deze zeehonden tot in de 19e eeuw alleen gedurende de paartijd in de
wintermaanden op de kust. De aanwezigheid van deze dieren op eilanden
en zandbanken was ook elders steeds seizoengebonden. Latere berichten
van Klein Curaçao reppen niet meer over robben of zeehonden.
De dichtstbijzijnde historisch bekende kolonie van deze zeehonden bevond
zich op het eiland Alta Vela, bij de meest zuidelijke punt van Hispaniola.
Reeds in 1494 maakte Columbus op zijn tweede reis melding van deze kolonie.
De bemanning ving enkele van deze dieren. Alta Vela bevindt zich op
ongeveer 450 zeemijl van Klein Curaçao. Deze afstand is kleiner
dan die tussen Jamaica en Yucatán en ongeveer even groot als
de afstand tussen Jamaica en de kust van Honduras. In dit gebied hebben,
naar men aanneemt, zeehonden geleefd die tot één populatie
behoord hebben. Men kan zich voorstellen dat er ook een meer Oostelijke
populatie bestaan heeft, ten Oosten en ten Zuiden van Alta Vela en dat
deze populatie ten tijde van de ontdekkingsreizen reeds op haar retour
was. St. Kitts ligt op ongeveer 708 zeemijl ten Oosten van Alta Vela.
Zeehonden op Curaçao en naar alle waarschijnlijkheid ook Aruba
en Bonaire kunnen deel uitgemaakt hebben van een dergelijke populatie.
Nabij de sero di Arikok op Aruba bevinden zich enige rotsblokken die
Sero di Bonchi genoemd worden. Bij deze rotsen is er een Indiaanse rotstekening
welke sterk op een zeehond lijkt (zie Wagenaar Hummelinck Rotstekeningen
III fig. 42). Deze tekening is echter niet als een zeehond beschreven,
omdat er waarschijnlijk van uitgegaan is dat er in deze streken nooit
zeehonden geweest zijn. Ook heeft deze "zeehond" twee stekels
op de rug welke niet op een zeehond thuis horen. Indien deze tekening
inderdaad een zeehond voorstelt, zouden deze stekels opstaande rugharen
of speren waarmee het dier gevangen wordt kunnen weergeven of een symbolische
betekenis kunnen hebben. In het licht van de recente vondst op Santa
Barbara is het waarschijnlijk dat deze tekening inderdaad een zeehond
voorstelt.
Het is waarschijnlijk dat er op Curaçao en Klein Curaçao
door de Indianen reeds op deze zeehonden gejaagd werd en dat zij in
de koloniale tijd geheel uitgeroeid werden.
De terugdringing van het witstaarthert
Toen het hert door de Indianen werd ingevoerd waren er nog geen andere
grote concurrerende herbivore viervoeters op het eiland en wij mogen
aannemen dat deze herten over het hele eiland verspreid waren en er
een relatief grote populatie was. Met de invoer van geiten, schapen
en andere hoefdieren en het gebruik van vuurwapens zal deze populatie
al spoedig teruggelopen zijn. Teenstra die in 1833 en 1834 op Curaçao
verbleef schrijft het volgende: "Men vindt onder het viervoetige
wild, op klippen en rotsen, enkele vlugge Rheebokken, zijnde
reeds meerendeels door de jagt op dezelve, alsmede door gebrek en ellende,
ten gevolge van langdurige droogten, uitgestorven".
Mijn moeder heeft mij nog verteld dat er in de jaren '20 nog herten
voorkwamen op Klein Piscadera, Groot Piscadera en Blaauw die via de
nog onbebouwde terreinen van het huidige Julianadorp in verbinding stonden
met de huidige tereinen van Malpaïs. De huidige Bullenbaaiweg,
die langs Julianadorp loopt bestond nog niet, de weg langs de Savaan,
Klein Piscadera en Blaauw was de hoofdweg naar St. Michiel, Malpaïs
en verder naar Banda Abao. Rond 1929 werd het laatste hert op Klein
Piscadera afgeschoten. Nu treft men het Curaçaosche hert nog
op Malpaïs en in het Christoffelpark en soms op de aansluitende
terreinen van San Nicolaas, Pos Spaño en Santa Cruz. Het leidt
geen twijfel dat dit hert spoedig alleen nog maar in het Christoffelpark
te vinden zal zijn.
Uitroeïng Curaçaosche papegaai rond 1800
De geelvleugel amazonepapegaai, die wij hier ook de Bonairiaanse papegaai
noemen (Amazona barbadensis) kwam ook voor op Aruba waar hij
in de periode 1940-50 uitgeroeid is (Voous 1983) en kwam zeer waarschijnlijk
ook voor op Curaçao waar hij vermoedelijk rond 1800 is uitgeroeid.
Hoewel er hierover geen absolute zekerheid bestaat wordt de papegaai
op Curaçao genoemd in een verslag uit 1782 van Justin Girod Chantrans
(Voous 1983). Bovendien is het gezien het verspreidingsgebied en leefmilieu
van deze papegaai en het vermogen van amazonepapegaaien om grote afstanden
af te leggen zeer waarschijnlijk dat deze papegaai ook op Curaçao
geleefd zal hebben.
Houtkap
In het verleden was er veel houtkap o.a. voor de productie van houtskool.
Hootskool werd ook gebruikt in kalkovens. De palu di Brasil of "brasiletto"
(Haematoxylon brasiletto) werd geoogst om er verf van te maken.
De stammen werden naar Nederland verscheept en daar in de zgn. rasphuizen
bewerkt. De wayaká (Guaiacum officinale), Ned: pokhout,
Eng: lignum vitae, Sp: guayacán) was ook een nuttige boom, die
geëxploiteerd werd. Het hout is zwaar en hard en heeft, doordat
het bepaalde harsen bevat, zelfsmerende eigenschappen. Het werd vooral
gebruikt voor de afdichting van scheepsassen, waar deze door de scheepswand
gaan. Op sommige oudere schepen treft men dit type afdichting ook nu
nog aan. Thans worden voor dit doel synthethische materialen gebruikt.
Het hout van de wayaká werd ook gebruikt voor de fabricage van
blokken
van katrollen. Zowel de palu di Brasil als van de wayaká zijn
bomen die oud worden en die onder natuurlijke omstandigheden langzaam
groeien. Er zouden vroeger van deze soorten veel meer en veel oudere
en dikkere bomen op het eiland gestaan hebben.
Overexploitatie in de 20e eeuw
Visserij (rif en pelagisch)
Op Curacao en Bonaire heeft de traditionele visserij zich vrij sterk
weten te ontwikkelen. Langs de kust wordt gevist vanuit kleine open
boten die met een buitenboordmotor aangedreven worden, deze boten zijn
meestal ongeveer 3-5 meter lang en worden aangedreven door motoren van
6 tot ongeveer 25 HP. Vanuit deze bootjes wordt vooral met handlijnen
gevist.
Daar het kustplateau rond Curacao en Bonaire erg smal is en het diepe
water al snel begint, is de zone langs de kust dus vrij snel "leeggevist".
Aan de afgenomen grootte van de diverse rifvissen die worden gevangen,
kan men duidelijk zien dat er sprake is van overbevissing.
Op Curaçao en Bonaire heeft zich dan ook een sleepvisserij ontwikkeld
waarbij met grotere schepen, op open zee wordt gevist. Ook bij deze
pelagische visserij is er sprake van overbevissing, zij het op regionaal
en mondiaal niveau. Er zijn in onze wateren nog slechts enkele commerciële
vissoorten in open zee die niet worden overbevist.
Zeeschildpadden
Ondanks de exploitatie van de zeeschildpadden waren er tot de jaren
'40 van deze eeuw nog vrij veel schildpadden rond Curaçao. Dit
blijkt uit de slachtcijfers van het lokale abbattoir. Daarna begonnen
de aantallen hard terug te lopen. Vanaf 1996 zijn de zeeschildpadden
op Curaçao beschermd. Ook vallen alle zeeschildpadden onder de
CITES (Convention International Trade Endangered Species).
Haaien
Tot begin jaren '60 kon men zo nu en dan haaien onder de pontonbrug
de haven in en uit zien zwemmen. En dit terwijl de haven in die dagen
aanzienlijk vuiler was dan nu. Loodsen uit die jaren verhalen dat er
in die dagen vrijwel altijd een of enkele grote haaien met de loodsboot
meezwommen. Vanaf de jaren '70 nam dit sterk af en nu is dit iets wat
zeer zeldzaam is c.q. niet meer voorkomt. Deze afname is ongetwijfeld
het gevolg van de vangst op haaien voor de Vitamine A in de lever die
eind jaren '50 plaatsvond en de opkomst van de driftlongline tuna visserij
in het Caribisch gebied die na 1963 begon. Hoewel deze longline-visserij
zich specifiek op tuna's richt, is er een bijvangst van haaien. Haaien
blijken gevoelig te zijn voor overbevissing, zij worden oud en planten
zich niet snel voort.
Verzamelen van schelpen; Karkó, Kiwa en andere schelpen
De karkó (Strombus gigas), de kiwa (Cittarium pica)
en ook andere schelpdieren zijn door oververzamelen sterk in aantal
teruggelopen. Zeeslakken kunnen zich alleen in het larvale stadium over
grote afstanden verplaatsen. Het is mogelijk om door oververzamelen
de populatie zodanig uit te dunnen dat de partners elkaar niet meer
kunnen vinden. Op deze wijze kunnen soorten lokaal uitgeroeid worden.
De karkó en ook de kiwa lopen in het hele Caribisch gebied sterk
in aantal terug, dit is een direct gevolg van deze overbevissing c.q.
oververzamelen. Op Curaçao zijn oude karkó's met zwaar
verdikte schelpen (12-14 jaar oud) praktisch niet meer te vinden. Grote
kiwa's treft men praktisch niet meer aan; dit is een probleem voor heremietkrabben
die een grotere behuizing zoeken. Het blijkt ook dat veel duikers schelpen
verzamelen. Anders dan schelpen die reeds dood op het strand worden
aangetroffen, worden deze weekdieren aan het natuurlijk milieu en de
voortplantingscyclus onttrokken. Voor bepaalde soorten die niet in grote
aantallen op het rif voorkomen, kan dit een significante bedreiging
zijn. Sommige soorten vormen "breeding groups", een verzameling
dieren die voor de paring bijeenkomt; één duiker kan een
"breeding group" of een significant deel van een "breeding
group" geheel elimineren. Ook wordt vaak koraal omgekeerd om zeldzame
schelpen te kunnen vinden. Bovendien spelen sommige van deze schelpen
een belangrijke rol in de ecologie van het koraalrif.
Curaçaosche parkiet
Op Curaçao nest Aratinga pertinax, de "Curaçaosche"
parkiet overwegend in termietennesten. Bij wandelingen in de "mondi"
(bush) blijken deze termietennesten met parkietennesten vrijwel altijd
reeds te zijn leeggehaald. Hoewel er geen tellingen zijn die dit objectief
kunnen bevestigen is het duidelijk dat deze parkiet in aantal is teruggelopen.
Dit komt waarschijnlijk door verkleining van het beschikbare leefgebied
en het wegvangen van deze vogels om deze als volièrevogel te
houden.
De jacht
De jacht op het land is de afgelopen dertig jaar afgenomen. Vuurwapenvergunningen
zijn moeilijker te verkrijgen. Illegale vuurwapens worden gebruikt voor
roofovervallen e.d., maar niet voor de jacht. De jeugd groeit op met
televisie en computerspelletjes, maar niet zozeer meer met de jacht.
Wellicht hebben de vele natuurfilms op de televisie een positieve invloed.
De katapult is zeldzaam geworden, de politie neemt deze in beslag en
het flexibele rubber van de autobinnenbanden van vroeger is niet meer
verkrijgbaar. Er zijn nog wel windbuksen, maar ook dit is veel minder
prevalent dan vroeger. We kunnen niet zeggen dat de jeugd helemaal niet
meer jaagt, maar hoewel er nog steeds gejaagd wordt is het opvallend
dat er naar verhouding veel ouderen zijn die dit doen. De jacht beperkt
zich thans vrijwel uitsluitend tot leguanen en in mindere mate, ook
tot konijnen. In de bebouwde gebieden waar er huizen met tuinen zijn,
zijn er veel meer leguanen dan vroeger. Er zijn thans veel meer huizen
met grasvelden dan b.v. in de jaren '50. Door de introductie van de
dripirrigatie zijn veel tuinen veel weelderiger dan vroeger. Er zijn
meer palmbomen in tuinen, waarvan een aantal soorten zaden hebben die
leguanen graag eten. Kortom, er is veel meer voedsel voor deze leguanen
beschikbaar. Totolica's (Columbigallina passerina), vele buladeifi's
(Zenaida auriculata) en ala blanca's (Columba corensis)
worden vrijwel niet meer gegeten en zijn duidelijk in aantal toegenomen.
Ook zijn zij tammer geworden en komen nu in tuinen om overgebleven voer
van honden en katten ed. te eten. De falki (Buteo albicaudatus)
die eind jaren '60 vrijwel uitgeroeid was, is weer in aantal toegenomen.
Hoewel de jacht afgenomen is, worden er nog veel vogels als volièrevogel
gevangen. Soorten waar vraag naar is zijn de parkiet (Aratinga pertinax),
de blauwduif (Columba squamosa) en de kuifkwartel of sloké
(Colinus cristatus).
Houtkap
De houtkap is niet een activiteit die alleen in de koloniale tijd plaatsvond.
De schaarste van oude dikke exemplaren van sommige bomen, met name de
palu di Brasil heeft ook meer recente oorzaken. In de jaren '50 en '60
van de 20e eeuw werden veel dikke palu di Brasil bomen omgezaagd om
koralen op de grillige schijven van de stam te monteren en deze als
souvenier te verkopen. Ook werden tafels van indju hout gemaakt, de
zgn. kwihi tafels. Hoewel dit vooral op Aruba gebeurde vond ook op Curaçao
veel kap van indju plaats voor dit doel. De indju (Prosopis juliflora)
is een hardhout dat echter aanmerkelijk sneller groeit dan de palu di
Brasil en de wayaká. De laatste jaren is de houtkap in de mondi
weer toegenomen. Zo wordt er hout gekapt voor spanten van vissersboten
en voor de blokken waar de motor op bevestigd wordt. Ook de houtskoolbranderij,
een beroep dat in de jaren '60 vrijwel was uitgestorven wordt weer beoefend.
Thans wordt de houtskool verkocht in zakken voor de barbecue en is het
branden van houtskool weer een relatief lucratieve bezigheid geworden.
Het zware werk van de houtkap wordt nu verricht met de kettingzaag.
Verzamelen van bolcactussen
Begin jaren '60 werden vele bolcactussen (Melocactus sp.) geplukt.
Schepelingen van longline schepen die de haven aandeden verscheepten
deze naar Japan, waar zij voor hoge prijzen van de hand gingen. Ook
naar Europa werden vele bolcactussen verscheept. De bolcactussen werden
wettelijk beschermd, waardoor er een eind kwam aan de handel op grote
schaal. Thans vallen zij, evenals alle andere cactussen, onder het CITES
verdrag.
Grondwater
Het oppompen grondwater. Wanneer er teveel water aan de bodem onttrokken
wordt is dit een vorm van overexploitatie die tot verlaging van het
grondwaterniveau en tot verzilting als gevolg van intrusie van zeewater
kan leiden. Verlaging van het grondwaterniveau is in sommige gebieden
uiteraard ook van invloed op de natuurlijke vegetatie. Onttrekking van
grondwater op grotere schaal begon met de komst van de raffinaderij
die zoet water als proceswater voor de raffinage nodig had. De raffinaderij
gebruikt thans geen grondwater meer. Thans is er veel onttrekking van
grondwater voor tuinen, zwembaden ed.
DE INVLOED VAN
DE VERANDERING VAN HET MILIEU OP DE NATUUR
Milieuverandering op grotere schaal is op Curaçao een verschijnsel
van de 20e eeuw.
De belangrijkste negatieve factoren die de natuur beïnvloeden zijn
de verstedelijking ("habitat destruction") en de hiermee samenhangende
versnippering van natuurgebieden ("habitat fragmentation")
en het opwarmen van het zeewater ("global warming"). Daarnaast
treffen wij diverse vormen van milieuvervuiling aan, veroorzaakt door
afvalstoffen die in het milieu terechtkomen. Over het onderwerp milieuvervuiling
valt zeer veel te zeggen, in de context van dit artikel is echter getracht
om de bespreking tot een korte samenvatting van de effecten op de lokale
natuur te beperken.
Verstedelijking
Versnippering natuurgebieden, toerisme, bomen op stranden, bulldozercultuur.
Door verstedelijking gaan natuurgebieden verloren en worden overige
natuurgebieden versnipperd tot gebieden die te klein zijn om bepaalde
soorten in stand te kunnen houden. Een populatie van een soort dient
uit een minimum aantal dieren te bestaan om de negatieve effecten van
inteelt te kunnen weerstaan en ook om natuurlijke calamiteiten, zoals
b.v. hoge sterfte in perioden van grote droogte of sterfte door epidemieën,
te kunnen doorstaan. Ieder individueel dier heeft een minimum areaal
nodig om te kunnen overleven, en omdat er een minimum aantal dieren
benodigd is geldt dat ook een populatie van een soort een minimum areaal
nodig heeft om te kunnen overleven. Bovendien gaat het hier natuurlijk
niet alleen om areaal op zich, maar moeten er binnen dit areaal voldoende
cq. een bepaald minimum aan geschikte habitats voor de desbetreffende
soort aanwezig zijn. De populatie van het zgn. Curaçaosche hert
staat om deze redenen onder druk. Uiteindelijk kan de populatie aan
inteelt ten onder gaan. Het zal nodig zijn om in zeer droge jaren uitzonderlijke
sterfte door bijvoeding te reduceren. Ook andere dieren, die grote arealen
nodig hebben om te kunnen overleven of specifieke voedseleisen hebben
en derhalve alleen in grote arealen met voldoende geschikte habitats,
aan genoeg voedsel kunnen komen, worden door dit soort effecten bedreigd.
Bij roofvogels speelt het beschikbare areaal een belangrijke rol. Daarentegen
is er een categorie dieren die zeer goed in geurbaniseerde gebieden
kan overleven. Dit zijn de zgn. "cultuurvolgers" zoals kakkerlakken,
ratten, muizen, mussen, huisgekko's. In tuinen treft men de fluitkikker,
anolissen (de kaku of totèki), leguanen, de koereiger aan.
Toerisme leidt tot de bouw van condominiums, hotels ed. die op mooie
plekken gebouwd worden. De stranden zijn thans overspoeld met mensen,
op sommige van deze stranden hebben vroeger zeeschildpadden genest.
Verlichting op baaien is een groot probleem voor schildpadden op neststranden.
Het toerisme is ook een belangrijke overweging bij de bouw van kunstmatige
stranden, die de sedimentatie in zee, op het koraalrif verhogen. De
haag van manzanilla bomen die men vroeger bij vele stranden aantrof
(o.a. Knip en Klein Knip) is vanaf begin jaren '70 praktisch geheel
verdwenen. Het gereedkomen van de asfaltering van de weg naar Banda
Abao heeft hierbij een belangrijke rol gespeeld. De bomen die zich in
een zeer droog klimaat nog net kunnen handhaven kunnen niet tegen de
extra belasting van de rook en hitte van de vele barbecue's die onder
deze bomen gehouden werden. Ook is de grond door auto's aangedrukt en
de bast van bomen door auto's beschadigd. Voor slechts 600 gulden per
dag kan men een grote bulldozer huren die grote terreinen van alle doorngewas
kan ontdoen en zo voor kopers aantrekkelijk maken. Dit bevordert ook
de erosie en verhoogt de sedimentatie in zee. En zo zijn er nog vele
andere concrete voorbeelden van directe menselijke invloed op de natuur.
Global warming
Van alle moderne bedreigingen is dit, zeker voor het koraalrif, waarschijnlijk
de meest ernstige. Zeker is dat ook het diepere koraalrif hard achteruitgegaan
is en nog steeds achteruit gaat. Wanneer dit verval zich precies heeft
ingezet is moeilijk te zeggen, zeker is dat deze negatieve ontwikkeling
zich in het afgelopen decennium versneld heeft voortgezet. Factoren
zoals de verderop genoemde "N cyclus"-producten, sedimentatie
als gevolg van de aanleg van kunstmatige stranden en baggerwerkzaamheden,
overexploitatie o.a. door speervissen, verzamelen van levende schelpen
en koraal en de reeds eerder genoemde ziekte van zwarte zeeappels spelen
hierbij allemaal een rol, maar de belangrijkste factoren zijn ongetwijfeld
het opwarmen van de aarde en de verhoogde zeewatertemperaturen die zich
met name de afgelopen 15 jaar hebben voorgedaan. Het is mogelijk dat
ook andere factoren zoals de toename van het CO2 gehalte
in de atmosfeer en ook in het zeewater hierbij een rol spelen. Het verval
vindt ook plaats waar de koraalriffen goed beschermd zijn, zoals op
Bonaire, Las Aves en Los Roques, zij het in mindere mate. Verhoogde
zeewater temperaturen leiden tot "coral bleaching" een proces
waarbij koralen wit worden omdat zij hun symbiontische algen uitstoten.
Hoewel dit soort algen wanneer de temperatuur weer zakt, weer uit de
omgeving opgenomen worden, staat de groei van het koraal enige tijd
stil en is er sprake van "stress". De hoogste zeewatertemperaturen
komen voor gedurende eind september en begin october. In 1990 werden
in deze periode zelfs temperaturen van 29,90
C gemeten in de open zee. Ook in 1995 waren
de temperaturen in deze periode zeer hoog (med. P. Hoetjes). Het voorkomen
van de koraalziekten "white-band disease, yellow-band disease",
"white pox disease", "dark spot disease" en "black-band
disease" houdt vrijwel zeker ook verband met deze verhoogde zeewatertemperaturen.
Zo heeft de yellow-band disease in de afgelopen jaren veel sterfte veroorzaakt
onder het koraal Montastrea annularis.
Daar het moeilijk zal zijn om iets concreets te doen tegen het opwarmen
van het zeewater, dat verband houdt met het "broeikaseffect",
betekent dit in feite dat wij geen controle hebben over de belangrijkste
factor die het koraalrif aantast. De prognose voor het koraalrif is
niet goed en het rif zal zeer waarschijnlijk verder achteruitgaan.
Verder weten wij niet wat voor invloed de "global warming"
op ons klimaat zal hebben. Zal het El Niño-effect frequenter
optreden, zodat wij een droger klimaat krijgen, of zullen er in jaren
zonder El Niño juist meer orkanen zijn, die ook meer regen kunnen
brengen? De "common wisdom" tot nu toe was dat het klimaat
in de ijstijden veel droger is geweest en dat inter-glaciale perioden
in het Caribisch gebied en het noorden van Zuid-Amerika gekenmerkt worden
door een natter klimaat. Is dit misschien een te simplistisch beeld?
Het moderne onderzoek van boorkernen in het ijs van de ijskappen in
Groenland, Antarctica en ook van gletschers op tropische en sub-tropische
bergen, heeft thans tot de conclusie geleid dat veranderingen in klimaat
niet noodzakelijkerwijs geleidelijk aan plaatsvinden, maar dat er omslagpunten
kunnen zijn waarbij het klimaat in zeer korte tijd (10-100 jaar) ingrijpend
verandert.
Milieuvervuiling
Vuilstort in zee
Bij de shute te Noorkant is jarenlang afval in zee gestort. Deze chute
is sinds 1986 buiten gebruik gesteld en er mag aan de Noordkant alleen
nog organisch afval gestort worden. Deze vuilstort zal zeker ingrijpende
invloed op de natuur in zee gehad hebben en nog hebben. In de loop der
jaren zijn hier de nodige transformatoren, batterijen, plastics, blikken
met verf en pesticiden etc. de zee ingegaan. Hoewel hier nooit onderzoek
naar gedaan is, kan men verwachten dat er ook nu nog verhoogde concentraties
van zware metalen, PCB's en pesticiden in bepaalde organismen te vinden
zullen zijn. Ook is het zeer waarschijnlijk dat slakken en andere invertebraten
verdwenen zullen zijn, of minder talrijk dan vroeger. Dit zullen wij
echter nimmer zeker weten want er zijn geen basisstudies die kunnen
aangeven hoe het was voordat de chute in gebruik werd genomen. Op Bonaire
heeft het effluent van de landfill bij Lagoen, dat ondergronds naar
de lagune afstroomt, de invertebraten fauna in het Lagoen beïnvloed
en zijn vele organismen die hier vroeger voorkwamen uit deze baai verdwenen.
Ook op Curaçao zijn er problemen met de uitloging van de land-fill
te Jan Sofat naar de lagune van Jan Thiel en vandaar zeer waarschijnlijk
naar zee. De land-fill te Malpaïs bevindt zich in de kleihoudende
Midden-Curaçao formatie is verder landinwaarts gelegen. Dit zal
hopelijk het uitlogen van stoffen naar zee tegengaan. Drijvende plastic
zakken en uitloging van weekmakers in zee vormen ook een probleem. Veel
schildpadden sterven doordat zij plastic zakken eten die zij waarschijnlijk
voor kwallen aanzien. Ook zijn grote concentraties plasticizers (weekmakers)
aangetroffen in de levers van Leatherbacks, Hawksbills en Green Turtles.
Ook op de Antillen wordt nog zeer veel plasticafval in zee gedumpt dat
aan dit probleem bijdraagt. Op stranden spoelen met name aan de Noordkust
grote hoeveelheden plastics aan. Door het UV licht van de zon worden
deze langzaam afgebroken en komen weekmakers in het milieu vrij. Veel
plastics bevatten pigmenten en stabilisatoren die zware metalen zoals
lood en cadmium bevatten, ook deze komen bij de afbraak van het plastic
in het milieu vrij. Thans bestaat de vrees dat vele weekmakers (evenals
de residuen van sommige pesticiden en detergentia) verschuivingen in
hormoonevenwichten veroorzaken en dat zij wellicht schadelijker zijn
voor de mens en de natuur dan tot nu toe werd aangenomen. Verder vormen
grote hoeveelheden plastics en ook andere rommel op het strand een belemmering
voor schildpadden die eieren willen leggen en voor de jonge schildpadjes,
die uit het ei gekomen, de weg naar zee zoeken.
Olievervuiling
In de jaren '50 en '60 van de 20e eeuw nam de olievervuiling sterk toe.
Op stranden aan de Noordkust van Curaçao (zoals b.v. Un Boca
en Dos Boca) kon men toen vrijwel niet zwemmen omdat er bijna altijd
olie en teer in en op het zand lag. Ook de haven van Willemstad was
in die tijd veel vuiler en stonk naar olie. Door internationale voorschriften
die lozingen vanaf schepen regelen (Marpol) is dit type structurele
olievervuiling thans grotendeels verholpen. De risico's van olievervuiling
door ongelukken zijn ook afgenomen, maar als een ongeluk zich voordoet
zijn de gevolgen veelal veel ernstiger dan vroeger omdat het om veel
grotere hoeveelheden olie gaat. De tankers zijn in de loop der jaren
groter geworden en met zekere regelmaat is er sprake van grote oil spills
als gevolg van ongelukken op tankers of booreilanden. Ook op Curaçao
kan zich ooit een ernstige oilspill voordoen, of kan een grote olievlek
van elders komen aandrijven. Zolang de olie maar op open zee blijft
wordt deze vrij snel geoxideerd en ook door bacteriën afgebroken.
Wanneer de oliemassa aan de kant komt, kan dit echter grote natuurrampen
veroorzaken. Bij de afbraak spelen de temperatuur en de weersomstandigheden
een grote rol (zie noot
2) .
Andere "gevaarlijke" ladingen van schepen
Het ongeluk met het schip "Infinity", een met rijst geladen
schip, heeft veel schade op het koraalrif bij Hambraak aangericht, dit
hoewel rijst op zich geen "gevaarlijke" lading is. De rijst
kwam op de zeebodem terecht en ging daar rotten; bij deze rotting wordt
zuurstof aan de omgeving onttrokken en komen ook "N-Cyclus"
producten en andere schadelijke stoffen vrij. Ook andere ladingen, die
op zich niet noodzakelijkerwijs "gevaarlijk" zijn, kunnen
voor het koraalrif schadelijk zijn. Een schip of zelfs een barkje dat
b.v. met kunstmest geladen is, zou, bij een soortgelijk ongeluk, een
nog veel grotere schade kunnen veroorzaken. Dergelijke scheepsrampen
behoren, alhoewel de kans daarop misschien niet groot is, ook op Curaçao
en elders tot de mogelijkheden.
Luchtvervuiling
De luchtvervuiling van de raffinaderij heeft voornamelijk effect in
die gebieden die benedenwinds van de raffinaderij liggen. Hoewel er
hierover geen vergelijkende studies zijn lijkt het erop dat de vegetatie
in deze gebieden wat eentoniger is (wabi, indju, palu di lechi, korona
di Hesus). Zure regen heeft in het algemeen weinig invloed daar de grond
vrijwel overal basisch is en ook bladeren ed. bedekt zijn met basisch
stof (alleen in de Knip-formatie en in enkele andere gebieden zijn er
zure gronden). Niettemin worden bepaalde planten die gevoeliger zijn,
wel aangetast. Bij een kwekerij te Boca St. Michiel werd ooit ijssla
gekweekt. Op sommige dagen zaten er kleine gaatjes in de sla die door
uit de lucht komende deeltjes werden ingebrand. Men denkt hierbij dan
al gauw aan zuurdruppeltjes die zich uit zwavelhoudende rookgassen vormen.
Vervuiling door de uitstoot van gassen door auto's ed. is waarschijnlijk
voornamelijk van invloed op de vegetatie van de bermen van de wegen.
"N-cyclus" producten in zeewater.
Verhoogde influx van nutrienten waarvan met name de "N-cyclus"
producten zoals NH4+,
NO2-
en NO32-
reeds in zeer lage concentraties zeer schadelijk zijn vooral voor koralen
en andere invertebraten. Dit soort stoffen treft men veel aan in huishoudelijk
afvalwater. Via beerputten komen deze stoffen in het grondwater terecht
en hoewel een deel daarvan door vegetatie wordt opgenomen komen de "N-cyclus"
producten door de ondergrondse afstroming van het grondwater naar zee,
ook in zee terecht. Bij bebouwing langs de kust moeten beerputten ed.
zover mogelijk landinwaarts geplaatst worden. Indien afvalwater gezuiverd
wordt is het aan te bevelen dit water voor irrigatie te gebruiken en
het niet zonder meer in zee te lozen. Weekendhuizen met rioolafvoer
direct in zee zijn wat dit betreft geheel uit den boze. Bij Westpunt
en Lagoen is het effect hiervan op de koraalbegroeiing bij de rotswanden
waar deze weekendhuizen staan duidelijk zichtbaar. De grote rioolen
aan de Pundazijde die tot in 1999 nog in zee uitkwamen (Rotterdamweg,
Penstraat en de Waaigatoverloop te Pietermaai) worden thans omgeleid
via een ringleiding naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Seru
Loraweg. Deze kwam begin 2001 gereed. Augustus 2001 was aan de Punda-zijde
reeds een verbetering merkbaar. De groene alg Ulva latuca, die
karakteristiek is voor nutrientvervuiling was duidelijk in aantal verminderd
en een meer natuurlijke vegetatie van bruinalgen aan het terugkomen.
De leidingen aan de Otrabandazijde gaan nu al enkele jaren naar Klein
Hofje. Hiermee is een groot deel van dit probleem opgelost.
Anti-fouling
Anti-fouling verven van schepen bevatten veel zware metalen zoals lood
en koper en/of TBT (Tri-Butyl-Tin verbindingen). Deze TBT's en ook andere
organische tin-verbindingen zijn gevaarlijk voor het milieu. Deze stoffen
veroorzaken o.a. abnormale groei van de voortplantingsorganen van gastropoden
(slakken), hetgeen leidt tot steriliteit en dus tot uitsterven van deze
dieren in gebieden waar deze organische tin verbindingen in de voedselketen
terechtkomen. Dit kan gebeuren op plaatsen waar oude verf van schepen
geraspt wordt en er nieuwe verf opgespoten wordt. In veel landen zijn
dit type verven verboden, in andere landen echter worden zij nog volop
gebruikt. De anti-fouling met tin is namelijk zeer effectief. Op Curaçao
komen dit soort stoffen in het water op plaatsen waar er scheepsreparatie
plaatsvindt; zoals bij de Curaçaosche Dok Maatschappij, de marina
te Asiento, de vissershaven te Caracasbaai en andere soortgelijke locaties.
Pesticiden en kunstmest
Hoewel er naar verhouding kwistig gespoten wordt, is het gebruik van
pesticiden uitsluitend kleinschalig en derhalve zeer beperkt. Er is
op Curaçao geen landbouw die op grote schaal insecticiden of
andere pesticiden gebruikt. Vrijwel alle gebruikte middelen hebben een
korte afbraaktijd. Alleen voor termietenbestrijding worden persistente
middelen toegepast; deze worden veelal gebruikt in funderingen en op
plaatsen waar zij niet mobiel zijn en niet makkelijk in het milieu komen.
Het gebruik van kunstmest is zeer gering. Bovendien wordt kunstmest,
op Curaçao, wanneer het gebruikt wordt, meestal ondergedoseerd.
De problemen met pesticiden en kunstmest die men op bananeneilanden,
zoals b.v. Saint Lucia, of in een land als Costa Rica kent, waarbij
grote hoeveelheden pesticiden of residuen van pesticiden en overtollige
kunstmeststoffen hun weg naar de zee en naar koraalriffen vinden, kennen
wij op Curaçao dan ook niet.
Slotwoord
De conclusie zal duidelijk zijn. Er zijn in de loop der jaren zoveel
veranderingen geweest, dat zelfs als wij met enige kennis van zaken
in onze gedachten proberen de natuur van 500 jaar of langer geleden
te reconstrueren, wij er niet helemaal uitkomen. Wij hebben dan een
stukje ongeschonden "hedendaagse" natuur voor ogen maar waarschijnlijk
was de natuur van toen in vele opzichten wezenlijk anders dan nu en
zou een bioloog van nu die een dergelijk landschap zou aanschouwen veel
bekends zien maar toch ook onmiddellijk aanvoelen dat er "iets
niet klopt". Er kunnen zelfs soorten geweest zijn die thans geheel
uitgestorven zijn, waarvan wij zelfs niet weten dat zij ooit op Curaçao
voorkwamen. Men denke hierbij aan knaagdieren, vogels en misschien ook
reptielen. Wanneer wij geen 500 jaar, maar 5000 jaar teruggaan, vóór
de eerste mensen op Curaçao aankwamen (er zijn menselijke overblijfselen
gevonden van 4500 jaar geleden), is het zelfs mogelijk dat er in die
tijd nog reuzenschildpadden en/of dwerggrondluiaarden op het eiland
voorkwamen. De reuzenschildpadden hebben gedurende een groot deel van
het Cenozoicum op Curaçao geleefd (Hooijer 1967). Noch van de
reuzenschildpadden, noch van de dwerggrondluiaarden is het precies bekend
wanneer zij zijn uitgestorven.
Hoe wij het een en ander moeten interpreteren valt misschien het best
te illustreren met een kleiner geheel als voorbeeld. Neem Klein Curaçao:
500 jaar geleden waren er hier zeehonden en een kolonie met vele zeeschildpadden
en vele zeevogels. Er was een grote kolonie met geelsnavelsterns (Voous).
In het water waren er ongetwijfeld vele haaien en roggen. Het eiland
bestond voor een groot deel uit een lage heuvel (die later voor de fosfaatwinning
werd afgegraven). Het eiland was veel groener en er waren op de heuvel
planten die nu verdwenen zijn (in 1995 werden de geiten van het eiland
verwijderd, sindsdien is het eiland zelfs in droge jaren veel groener).
De Laet beschrijft hoe het eiland er in 1634 uitzag "...den omgangh
[de buitenkant] rudsich [rotsig], beset met sommighe wilde Vijgeboomen..."
(Terpstra 1948). De bomen die als "vijgebomen" worden beschreven
zijn zeer waarschijnlijk zeedruiven (Coccoloba uvifera) geweest,
misschien ook heeft de Laet hier de mansaliña (Hippomane mancinella)
mee bedoeld. Zouden wij dit eiland als Klein Curaçao kunnen herkennen?
Wat de toekomst zal brengen is onzeker. Veel van wat wij nog gezien
hebben zullen jongeren niet meer zien. Zelf kunnen Wij alleen de veranderingen
overzien die Wij zelf in ons eigen leven hebben kunnen meemaken en denken
dan met zekere weemoed terug aan het veleden. Maar wij hebben geen "heimwee"
naar de Annabaai van 500 jaar geleden, een schitterende binnenbaai met
bij de ingang en bij Habaai mooie zandstranden, die wij immers niet
gekend hebben. Zo ook zullen volgende generaties nog steeds genieten
van het koraalrif en zullen verreweg de meesten zich niet realiseren
dat dit koraalrif niet meer is dan "a shadow of its former self".
Misschien ook zullen er als gevolg van klimaatsverandering, verrassende
ontwikkelingen zijn, die zich op een veel kortere termijn zullen kunnen
manifesteren dan men tot nu toe voor mogelijk hield. Het afsmelten en
loslaten van delen van de Antarctische ijskap, zeestromen die zich verleggen
etc., etc. Dit alles behoort tot de mogelijkheden en zal ook op Curaçao
ingrijpende gevolgen hebben.
Ook de dag van heden zal verzameld worden tot "los tiempos que
pasarán y que nunca volverán".
Literatuur
Noten
1. In Taima-taima niet ver ten oosten van La Vela
de Coro in de staat Falcón, in Venezuela zijn skeletten van mastodons
gevonden die door Indianen werden gedood (Gruhn & Bryan 1984). Deze
skeletten zijn slechts ongeveer 13.000 jaar oud. Achter de duinen bij
Muaco, vlak bij de plaats waar de ferry uit Curaçao naar Venezuela
aankomt, zijn eveneens skeletten gevonden van mastodons die ongeveer
14-16.000 jaar oud zijn. Ook de uitgestorven pre-Colombiaanse paarden
hebben zeer waarschijnlijk een belangrijke rol gespeeld bij de verspreiding
van de Amerikaanse kalebas. Deze leefden ook in Noord-Venezuela en zijn
zelfs nog recenter uitgestorven dan de eerder genoemde mastodons.
2. In 1979 vond een zeer grote oil spill plaats
in de Golf van Mexico bij het Ixtoc-1 olieplatform. Hoewel men aanvankelijk
zeer bevreesd was dat de olie naar de kust zou afdrijven in de richting
van de garnalenvisgronden in Campeche, bleef de oliestroom in de Golf
van Mexico. De watertemperatuur was in dit seizoen uitzonderlijk warm
(meer dan 280
C). Er onstond een orkaan die de oliemassa en het zeewater tot een suspensie
in elkaar klutste. Na ongeveer 9 weken bleek de olie vrijwel geheel
afgebroken te zijn. Uiteraard lopen de zaken lang niet altijd zo goed
af. Namen als "Torrey Canyon", "Amoco-Cadiz" en
"Exxon Valdez" behoren thans niet voor niets tot het "culturele"
erfgoed van de 20e eeuw.
|