De Amfibieën en Reptielen
van
Aruba, Curaçao en Bonaire

Gerard van Buurt

IV Hagedissen

Gekko's (Fam: Gekkonidae)

Er zijn op de wereld ongeveer 800 à 950 soorten gekko's. Gekko's hebben een grote verspreiding en worden in alle tropische en subtropische gebieden aangetroffen. Zelfs op de meeste tropische oceanische eilanden treft men gekko's, die deze eilanden op natuurlijke wijze hebben weten te bereiken en koloniseren, via drijvende boomstammen of andere drijvende vegetatie. Verreweg de meeste soorten gekko's leggen ronde eieren met een doorgaans vrij dikke kalkschaal. Deze eieren zijn tegen uitdroging bestand. Vaak worden zij in holtes in boomstammen, of in vermolmd hout gelegd. Ook de volwassen dieren kunnen zich op een dergelijke wijze schuilhouden en zo-doende al drijvende overzeese landen of eilanden bereiken. Na de uitbarsting van het vulkaaneiland Krakatau, in de Sunda straat tussen Sumatra en Java, in 1883, werd dit eiland al spoedig door gekko's geherkoloniseerd (Thornton). Ook het transport door de mens speelt een belangrijke rol. In vroeger tijden werden zeer waarschijnlijk reeds gekko's door de mens getransporteerd. Er is een aantal soorten dat men aanduidt als “House gecko's”; deze treft men in en bij woningen aan. Thans vindt transport plaats met veel snellere schepen. De gekko's hebben zodoende meer kans om de overtocht te overleven. Ook vindt transport voornamelijk in containers plaats, die vaak niet bij de haven uitgeladen worden, maar elders waardoor de gekko's zich snel over een groot gebied kunnen verspreiden. Soorten als Hemidactylus mabouia (“Tropical House gecko”, “Cosmopolitan House gecko” of “Wood slave”), Hemidactylus frenatus (“Pacific House gecko”), Hemidactylus turcicus (“Mediterranean House gecko”), Hemidactylus garnottii (“Indo-Pacific gecko”), Cosymbotus platyurus (“Flattened House gecko”) en Ptyodactylus hasselquisti (“Fan-footed rock gecko”) hebben alle Florida weten te bereiken (Bartlett). Ook treft men in Florida Gekko gecko (“Tokay gecko”). Deze laatste populatie is echter zeer waarschijnlijk niet met accidenteel transport binnengekomen, maar ontstaan uit ontsnapte of losgelaten terrariumdieren. In veel andere grote havensteden in de tropen en sub-tropen treft men thans een aantal van deze soorten aan. Een andere soort die zich over grote delen van de wereld verspreid heeft en die thans ook voorkomt in Midden- en Zuid-Amerika is de uit het Indo-Pacifische gebied afkomstige Lepidodactylus lugubris (“Mourning gecko”). Het zou niet verwonderlijk zijn indien wij, naast de “Tropical House gecko” die, althans op Curaçao en Bonaire, reeds voorkomt t.z.t ook op Aruba, Curaçao en Bonaire exemplaren van nog enkele van de bovengenoemde soorten of wellicht nog andere soorten zouden aantreffen.Verreweg de meeste gekko's zijn nachtdieren. Gekko's voeden zich voor-namelijk met insecten en zijn derhalve nuttige dieren, die zorgen voor een zekere mate van pest-control. Zo eten deze dieren b.v. ook termieten, met name de vliegende stadia die op sommige nachten uitzwermen. Overdag dienen de gekko's zich schuil te houden. Wanneer zij in het volle zonlicht terechtkomen raken zij zeer snel oververhit en sterven. Met name de kleinere Gonatodes-soorten kunnen in de zon binnen enkele minuten dood zijn. In Madagascar en op de Comoren en Seychelles komen daggekko's voor (Phelsuma spp.). Gekko's leven relatief lang, de kleine soorten zoals Gonatodes, kunnen maar liefst 7 jaar oud worden, grotere soorten leven langer. Van Phyllodactylus europaeus is bekend dat deze soort een leeftijd van 22 jaar kan bereiken. Gekko's kunnen hun staart verliezen (autotomie). Dit geeft de dieren een goede kans om aan predatoren te ontsnappen. Het afgebroken staartdeel blijft enige tijd naspartelen en dit leidt de aandacht van de belager af. Veelal hebben gekko's een verdikte staart, bij sommige soorten is deze sterk verdikt. De staart bevat vetreserves en energierijke stoffen. Indien de gekko zijn staart kwijtraakt is het dier ook een groot deel van zijn reserves kwijt. De staart regenereert. Bij regeneratie wordt de staart meestal niet even dik als de oorspronkelijke, bij sommige soorten echter wordt de nieuwe staart juist wel dikker (o.a. Thecadactylus). Het geregenereerde deel kan niet opnieuw afbreken, wèl kan een volgende breuk optreden bij overgebleven breekpunten van het nog oorspronkelijke staartdeel.

De meeste gekko's leggen twee eieren per legsel; er zijn echter meerdere legsels per jaar. De kleinere soorten gekko's zoals Gonatodes spp. leggen slechts één ei per legsel, doch kunnen per jaar 8 à 9 legsels hebben. Vrijwel alle Phyllodactylus-soorten leggen eveneens één ei per legsel. Bij de gekko's is het geslacht van de jongen afhankelijk van de uitbroedtemperatuur van de eieren. Dit verschijnsel treft men ook bij veel soorten schildpadden, waaronder alle zeeschildpadden, en alle krokodillen, maar niet bij slangen. Dit noemt men TSD (Temperature dependant Sex Determination)9. Er blijken verschillende TSD-patronen te zijn. Bij een aantal soorten schildpadden, worden bij lage temperaturen mannetjes geboren en bij hoge temperaturen vrouwtjes. Bij andere soorten worden bij lage temperaturen vrouwtjes, bij iets hogere mannetjes en bij nog hogere temperaturen weer vrouwtjes geboren. Bij de gekko's is het patroon juist andersom en worden bij hoge temperaturen mannetjes en bij lage temperaturen vrouwtjes geboren.

Op Aruba, Curaçao en Bonaire bestaat het bijgeloof, dat de Pegapega zich zó hard aan iemand kan vastzuigen dat deze nog slechts met een sigaret, heet water of strijkijzer van het lichaam verwijderd kan worden. Vele ouderen zijn om deze reden bang voor Pegapega's. Thans is dit bijgeloof dat tot aan de jaren '50 zeer sterk was, gelukkig veel minder algemeen en zijn er weinig jongeren die dit nog geloven. Ook op Trinidad & Tobago treft men eenzelfde bijgeloof (Murphy). Grotere gekko's, zoals Hemidactylus mabouia en Thecadactylus rapicauda worden daar wel “Twenty-four hours” genoemd. De gekko zou op het slachtoffer vastgeplakt blijven zitten en deze laatste zou dan binnen vierentwintig uur sterven.

De op Aruba, Curaçao en Bonaire voorkomende gekko's behoren tot slechts enkele genera die van elkaar te onderscheiden zijn naar grootte en doordat de tenen duidelijk van elkaar verschillen.
Gonatodes: de gekko's die tot dit genus behoren zijn klein tot middel-groot (10-15cm). Zij hebben geen hechtschijven aan de tenen, deze eindigen in een scherpe nagel. In het Engels worden deze gekko's daarom ook “Padless”-gekko's genoemd. De gestandariseerde Engelse naam voor dit genus is thans American geckos.
Phyllodactylus: Dit zijn middelgrote gekko's met een hechtschijf die er uitziet als een V-vormige waaier op het eind van de teen, er is een kleine scherpe nagel (Eng: Leaf-toed geckos, Leaf-fingered geckos).
Hemidactylus: Dit zijn vrij grote gekko's (tot max 15 cm) met een hechtschijf langs de hele lengte van iedere vinger en een duidelijke nagel (Eng: Leaf-toed geckos, Nederlands: Halfvingergekko's, fig.18).
In de Nieuwe Wereld komen een aantal zeer nauw verwante Hemidactylus soorten voor die door Kluge (1969) worden aangeduid als het “New World Hemidactylus mabouia-brookii complex”. Het betreft: Hemidactylus brookii haitianus (oorspronkelijk in Cuba, Hispaniola, Puerto Rico, thans ook in Trinidad en de Caribische kust van Colombia), Hemidactylus brookii leightoni (Colombia), Hemidactylus palaichtus (St. Lucia, Trinidad, Venezuela, Guyana en Suriname) en Hemidactylus mabouia (de Kleine Antillen en de oostkust van Zuid-Amerika van Uruguay tot en met Trinidad & Tobago. In veel gevallen loopt het verspreidingsgebied landinwaarts langs grote rivieren zoals de Amazone. In Brazilië treft men deze soort ook op andere plaatsen o.a. in Minas Gerais en op Fernando de Noronha). Hemidactylus brookii en Hemidactylus mabouia komen ook voor in Afrika, bezuiden de Sahara. Er wordt vaak verondersteld dat Hemidactylus mabouia met slavenschepen uit West-Afrika naar Amerika getransporteerd werd en deze gekko wordt daarom ook wel “Wood slave” of “African wood slave” genoemd: de “slaaf” die met het hout uit Afrika meekwam.
Vanzolini (1968) gelooft dat dit inderdaad waarschijnlijk is. Hoewel er in de oudere herpetologische literatuur niets specifieks over de introductie van deze soort te vinden is, wordt ook in Brazilië, al sinds de 18e eeuw, beweerd dat dit dier met de slavenhandel ingevoerd is. De kroniekschrijvers uit de 16e en begin 17e eeuw maken nog geen melding van een hagedisje dat in huizen leeft, dit terwijl hun beschrijvingen bijzonder gedetailleerd zijn. Volgens Kluge (1969) echter wijst de verspreiding van deze soort en ook de verspreiding van Hemidactylus brookii in de Nieuwe Wereld niet op menselijk transport en hebben zowel Hemidactylus mabouia als Hemidactylus brookii de Nieuwe Wereld op natuurlijke wijze, vanuit Afrika, met drijvende boomstammen of vlotten van vegetatie, weten te bereiken. Deze Nieuwe Wereld-soorten zouden reeds enigszins verschillen van de Afrikaanse vormen, wat erop wijst dat zij al reeds langer in de Nieuwe Wereld zijn en derhalve niet door de mens werden overgebracht. Over de vraag of deze soort door de mens in de Nieuwe wereld geïmporteerd is, bestaat dus nog geen overeenstemming. In ieder geval zijn deze soorten, toen zij reeds in de Nieuwe Wereld waren, wel door de mens verder verspreid. In Midden-Amerika en Florida is Hemidactylus mabouia zeker wel door de mens geïntroduceerd en ook op Curaçao en Bonaire is dit een door de mens geïntroduceerde soort. De populaties van Hemidactylus turcicus (“Mediterranean House gecko”), Hemidactylus frenatus (“Pacific House gecko”), en Hemidactylus garnotii (“Indo-Pacific gecko”) die men eveneens in delen van de Nieuwe Wereld aantreft verschillen geheel niet van die in de Oude Wereld. Uit hun versprei-ding blijkt duidelijk dat zij door de mens zijn geïntroduceerd en in veel gevallen is de introductie ook gedocumenteerd. Hemidactylus turcicus wordt in de Nieuwe Wereld reeds aangetroffen in Louisiana, Texas, Florida, Cuba, de Mexicaanse golfkust en Chile, Hemidactylus frenatus in Texas, Florida, Mexico, Guatemala, El Salvador, Nicaragua, Costa Rica en Panama en Hemidactylus garnotii in Florida.
Thecadactylus: dit genus is een zgn. monotypisch genus, er is slechts één soort: Thecadactylus rapicauda (Eng: Turniptail gecko). Het is een grote gekko met een membraan langs de vingers (fig.10).


9 Het is nog niet duidelijk hoe het TSD mechanisme werkt. Gebleken is dat steroïde hormonen, verschillende enzymen en een H-Y antigen hierbij een rol spelen. Er zijn meerdere sex-bepalende genen.


Fig. 21. Gonatodes antillensis mannetje (Curaçao)

Gonatodes antillensis Naamgeving en classificatie:
syn. Gymnodactylus antillensis.
Papiamentu: Pegapega, Engels: Antilles gecko, Nederlands: Zwavelkopje, Spaans Venezuela: Mea-mea.

Verspreiding: Curaçao, Klein-Curaçao, Bonaire, Klein-Bonaire, Las Aves, La Orchila. Op Aruba komt deze gekko ook voor en is daar waarschijnlijk vanuit Curaçao geïmporteerd.

Fig. 22. Gonatodes antillensis wijfje (Bonaire)

Beschrijving: Gonatodes antillensis.
Deze gekko heeft een deels doorschijnend lichaam. De kleur is enigszins variabel en varieert van bleek tot flets bruin of grijsbruin. De mannetjes hebben een gelige of oranje-gele kop. Deze gecko heeft ‘s nachts een verticale pupil. De pupil is niet altijd verticaal, als er veel licht is neemt deze een ronde vorm aan, afhankelijk van de lichtval kan de pupil tussenvormen aannemen. Gonatodes antillensis is een nachtdier, dat zich overdag in het geheel niet laat zien.

Gonatodes albogularis albogularis
Naamgeving: Papiamentu: Pegapega, Engels: Yellow-headed gecko, Nederlands: Geelkopgekko, Gekko, Spaans Venezuela: Mea-mea, Machurito, in La Guajira: Curumachár, Culumasár.

Verspreiding: Er zijn enkele ondersoorten. Gonatodes albogularis albogularis komt voor in Noord-Colombia en West-Venezuela en op Aruba en Curaçao. Deze soort werd ingevoerd in Florida en op Cuba. Wagenaar Hummelinck meent dat deze soort ook op Aruba en Curaçao waarschijnlijk niet inheems is en vanuit het vasteland geïmporteerd werd. Op Curaçao wordt deze soort veel in de omgeving van Daniël en Siberië in Midden-Curaçao aangetroffen. Dit wijst erop dat het hier een geïmporteerde soort betreft.
Verwante soorten, ondersoorten: Gonatodes albogularis bodinii komt voor op de Archipiélago de Los Monjes. Gonatodes albogularis fuscus komt voor van West-Colombia tot El Salvador en Gonatodes albogularis notatus op Haïti en Grand Cayman.

Beschrijving: Gonatodes albogularis albogularis is een kleine gekko die een maximale grootte van 10 cm kan bereiken. De mannetjes hebben een gele kop en donkere rug, het lichaam is veel donkerder van kleur dan dat van Gonatodes antillensis. De vrouwtjes hebben een bruine camouflagekleur met lichte strepen. De huid is wat ruwer dan bij Gonatodes antillensis, de mannetjes bezitten een blauw vlekje in het geel van de kop, nabij het oor. Bij Gonatodes antillensis ontbreekt dit vlekje. De vrouwtjes produceren slechts één ei per legsel. Gonatodes albogularis, laat zich b.v. in een wat donkere kamer ook overdag wel zien. De pupil is altijd rond.



Fig. 19. Gonatodes vittatus vittatus wijfje (Aruba)
Gonatodes vittatus vittatus
Naamgeving: Papiamentu: Pegapega, Engels: Wiegmann's striped gecko, White-banded Gecko, Streak lizard, Nederlands: Gekko, Spaans (Venezuela): Mea-mea, Lagartija. Op Aruba worden de mannelijke Gonatodes vittatus dieren soms ten onrechte “Lagadishi di mispel” genoemd.

Vanwege de streep op de rug en de oranje staartpunt vertonen de dieren een oppervlakkige gelijkenis met de Gymnophthalmus soorten.
Fig. 20 Gonatodes vittatus vittatus mannetje (Aruba)

Verspreiding: Trinidad & Tobago, Colombia, Venezuela, Aruba, Isla de Margarita, Coche, Cubagua, Los Frailes, Los Testigos. Ook deze soort is op Aruba waarschijnlijk door de mens geïmporteerd.
Verwante soorten, ondersoorten: Op Los Roques komt de ondersoort Gonatodes vittatus roquensis voor.
Beschrijving: Gonatodes vittatus vittatus is een kleine gekko die een maximale grootte van 8,5 cm kan bereiken. Het mannetje heeft een witte streep over de lengte van de rug, die geflankeerd wordt door twee donkere banden. Bij de vrouwtjes is deze streep minder duidelijk en is meer een serie van stippen. De pupil is rond.

Phyllodactylus martini

Fig. 9. Phyllodactylus martini (Curaçao), exemplaren die buiten leven (fig. 9 en 13) zijn donkerder van kleur en minder doorzichtig dan exemlaren die in huizen wonen (fig. 11)
Fig. 11. Phyllodactylus martini (Curaçao), in een woonhuis

Naamgeving: Papiamentu: Pegapega, Engels: Dutch leaf-toed gecko, Leaf-fingered gecko, Nederlands: Gekko, Spaans (Venezuela): Tuteque, Tuqueque (alle Phyllodactylus spp.), Salamanqueja.
Verspreiding: Curaçao, Bonaire, Klein-Bonaire. De soort is endemisch op Curaçao en Bonaire.

Beschrijving: Phyllodactylus martini is een ongeveer 10-12 cm. grote gekko. Het meest karakteristieke kenmerk is de dunne tenen, met een V-vormige zuignap aan het einde. De kleur van deze gekko is variabel en kan lichtbruin, bruin-oranje of bruin-oranje-gelig zijn.De huid is ruw met kleine bobbels.

Op de zijden van de kop loopt, in de lengte, een iets donkere band waar het oog in ligt. De staart heeft een bandenpatroon van lichtgele en oranje/gele banden op de donkerbruine ondergrond, eindigend in een geel/oranje staartpunt. De juvenielen zijn donkerbruin met gelige stippen op de kop en dwarsbanden van gele stippen op de romp (fig. 12).

Fig. 12 Phyllodactylus martini juveniel, dat zojuist uit het ei gekomen is. Het dier is nog gedeeltelijk omhuld door het eivlies (ware grootte)

Fig. 13. Phyllodactylus martini (wijfje). Let op de vorm van de tenen. Het dier is deels verveld.

Op enige afstand kan men de karakteristieke V-vormige tenen van Phyllodactylus niet altijd goed waarnemen; er zijn iets fletser gekleurde exemplaren van P. martini die veel op die exemplaren van Hemidactylus mabouia lijken die geen strepenpatroon bezitten. In vergelijking met Hemidactylus mabouia is P. martini minder doorzichtig, minder lichtbruin-grijs en vaak meer oranje-kleurig. De ogen liggen meer in de kop; bij Hemidactylus mabouia daarentegen staan zij meer op de kop.
Er is een zeker leervermogen. Een exemplaar van P. martini dat gevangen werd om er foto's van te maken en dat daarna weer in huis werd losgelaten maakte zich nog maanden later ijlings uit de voeten als hij mij zag.

Fig. 14 en 15. Phyllodactylus julieni (Aruba). zoals op de foto's te zien is kan de kleur aanzienlijk variëren

Phyllodactylus julieni
Naamgeving: Papiamentu: Pegapega, Engels: Aruba leaf-toed gecko, Leaf-fingered gecko, Nederlands: Gekko, Spaans (Venezuela): Tuteque, Tuqueque (alle Phyllodactylus spp.), Salamanqueja
Verspreiding: deze soort is endemisch op Aruba
Beschrijving: deze soort lijkt zeer veel op en is nauw verwant aan Phyllodactylus martini. De volwassen dieren van P. julieni hebben een patroon van lichte dwarsstrepen dat bij juveniele en adolescente P. martini wordt aangetroffen maar dat bij volwassen P. martini ontbreekt of nauwelijks meer zichtbaar is.

 

Fig. 16. Hemidactylus mabouia (Curaçao). Dit dier kan sterk van kleur variëren, van zeer donker tot vrijwel doorzichtig, zoals op deze foto. Het chevronpatroon op de rug en de staart is er wel, maar is lang niet altijd zichtbaar.

Hemidactylus mabouia
Naamgeving: Papiamentu: Pegapega, Engels: Cosmopolitan house gecko, Tropical house gecko, Wood slave gecko, African wood slave, Nederlands: Gekko, Spaans (Venezuela): Tuteque, Tuqueque, Salamanqueja.
Verspreiding: Deze soort komt voor op de Kleine Antillen en de oostkust van Zuid-Amerika van Uruguay tot en met Trinidad & Tobago, in het stroomgebied van de Amazone en in Midden-Amerika en Florida. Komt voor op Curaçao en Bonaire, waar deze soort geïmporteerd is.

fig. 17fig. 18
Fig. 17 en 18. Hemidactylus mabouia. De gekko is gefotografeerd op een rode auto. Het chevronpatroon is duidelijk zichtbaar. Op de foto van fig. 18 zijn de tenen en de nagels duidelijk zichtbaar, de hechtschijf loopt over de hele lengte van de teen, vgl. met Phyllodactylus (fig. 11 t/m 15). op deze foto's is de overgang van de oorspronkelijke naar een geregenereerde staart te zien. De nieuwe staart heeft geen stekels.

Beschrijving: Dit is een vrij grote gekko, die een lengte van ongeveer 14 cm. kan bereiken. Hemidactylus mabouia heeft een basiskleur die variëert van grijswit tot lichtbruin met daarop een lichtbruine tot donkerbruine tekening. Op de rugzijde zijn er karakteristieke chevron-patronen die op de staart overgaan in banden. Bij de juvenielen is dit patroon zeer duidelijk zichtbaar; de juvenielen zijn lichtbruin met donkere dwarsstrepen over het hele lichaam. Volwassen dieren kunnen hun kleur aanpassen van zeer licht tot veel donkerder. Het chevron- patroon is vaak flets en dit patroon is, vooral op de rug, vaak vrijwel of geheel afwezig of niet duidelijk zichtbaar. De huid is gladder dan die van Phyllodactylus maar is niet geheel glad, er zijn kleine tuberculi en ook enige iets grotere trihedrale tuberculi. De originele staart bezit rijen met kleine stekels. Vele dieren hebben echter geregenereerde staarten, die ronder zijn en geen stekels hebben. De geregenereerde staart is lichter van kleur en heeft geen bandenpatroon. In huizen is dit op Curaçao thans de meest algemeen voorkomende gekko, met name in de woongebieden rond Willemstad. In 1936 en '37 werd deze gekko door Wagenaar Hummelinck nog niet aangetroffen. Velen menen dat deze gekko op Curaçao pas rond eind jaren '80 algemeen geworden is. Het lijkt erop dat deze gekko, althans in en rond huizen, met name de oorspronkelijke lokale soort Gonatodes antillensis verdringt en, in mindere mate ook de inheemse soort Phyllodactylus martini. Ook op Bonaire komt deze gekko thans voor. Ik heb deze Maart 1999 aangetroffen in woonhuizen op Sabadeco en bij Sta. Barbara Heights. Waarschijnlijk is dit dier al reeds enige jaren op Bonaire. Juni 1999 was deze soort op Aruba nog niet gesignaleerd.

Fig. 10. Thecadactylus rapicauda. Deze gekko kan sterk van kleur variëren (Aruba)

Thecadactylus rapicauda
Naamgeving: Een synoniem is Thecadactylus rapicaudus, Papiamentu: Pegapega, Engels: Turniptail gecko, Smooth gecko, Nederlands: Knolstaartgekko, Spaans (Venezuela): Tuteque, Tuqueque, Salamanqueja.
Verspreiding: Tropisch Zuid-Amerika - o.a. Aruba, Curaçao, Bonaire, Los Testigos, Trinidad, Tobago - Midden-Amerika en West-Indië. Waarschijnlijk is ook dit een soort die deels door de mens verspreid is en die oorspronkelijk, met name op de niet-continentale eilanden niet voorkwam.
Beschrijving: Dit is een grote gekko, die een lengte van ongeveer 18 cm kan bereiken. De tenen zijn door een vlies verbonden. Onder de tenen bevinden zich twee rijen hechtlamellen. De staart is enigszins afgeplat. Indien het niet de orginele staart betreft, maar een geregenereerde dan is er een verdikking die lijkt op een wortelknol. De tong is blauw. Het dier maakt duidelijke geluiden. Deze gekko is in huizen duidelijk schuwer dan de andere soorten. Het dier blijft in de schaduw en schiet slechts even naar voren om prooi in de lichtzone bij lampen te vangen. De pupil is verticaal en bestaat uit vier kleine openingen.

Leguanen en verwante soorten (Fam: Iguanidae)

De Iguanidae vormen een grote familie met diverse groepen hagedissen die voorkomen in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika, op een aantal Pacifische eilanden (Fiji, Tonga) en op Madagascar. Zij komen niet voor in Afrika, Australië en Eurazië. De totèkis (Anolis spp.) behoren ook tot de familie der Iguanidae (zie verder). In sommige nieuwe classificaties worden de Iguanidae in zeven nieuwe families opgedeeld en wordt Anolis tezamen met Polychrus, de zgn. Bush anoles, ondergebracht in een aparte familie, de familie der Polychrotidae. Binnen de Iguanidae treft men de zgn. “echte” leguanen. Er zijn 30 soorten met daaronder nog een aantal ondersoorten, die verdeeld zijn over de volgende 8 genera:

Marine iguanas (Amblyrynchus) - Galápagos-eilanden
Banded iguanas (Brachylopus) - Fiji- en Tonga-eilanden
Galapagos land iguanas (Conolophus) - Galápagos-eilanden
Spiny-tailed iguanas (Ctenosaura) - Mexico tot Panama, San Andrés en Providencia
Ground of Rock iguanas (Cyclura) - Bahamas, Cuba, Jamaica, Hispaniola, Cayman islands, Mona island, Anegada
Desert iguana (Dipsosaurus) - ZW van de VS, Noord-Mexico
Green iguanas (Iguana) - Mexico tot Zuid-Brazilië en Paraguay
Chuckawallas, Chuckwallas (Sauromalus) - ZW van de VS, Noord-Mexico

Op de Benedenwindse eilanden komt alleen de Zuid- en Midden-Amerikaanse groene leguaan Iguana iguana voor; dit is een grote boomhagedis, die op Aruba, Curaçao en Bonaire en ook op Los Roques (Roze, 1956) meer het gedrag van een grondhagedis vertoont. Op een aantal West-Indische eilanden komen of kwamen Cyclura leguanen voor (Eng: rock iguanas). Dit zijn grote bruine, bruinrode of bruingrijze grondleguanen, welke thans op sommige eilanden uitgestorven zijn en op andere nu zeldzaam zijn. Deze komen nu nog voor op Cuba, Jamaica, Hispaniola, Bahamas, Turks and Caicos, Cayman Islands, Isla Mona en Anegada en vroeger ook op Pto. Rico en St. Thomas. Op al deze eilanden kwam de Zuid- en Midden-Amerikaanse groene leguaan (Iguana iguana) niet voor. In veel gevallen is deze later ingevoerd.

Iguana iguana kwam wel voor op de Caribische eilandenboog; is wellicht ingevoerd op de Virgin Islands. Van Anguilla tot en met Martinique treft men ook nog een andere groene leguaan aan, Iguana delicatissima (Eng: Westindian iguana), die ook wel de West-Indische groene leguaan wordt genoemd. Deze komt ook voor op St. Eustatius en St. Maarten.

In het Papiamentu is de orginele Aruac (Arawak, Taïno, Lokono, Guajiro) uitspraak Yuana bewaard gebleven. De Spaanse kroniekschrijver Gonzalo Fernández de Oviedo, die van 1514 tot 1533 in de Nieuwe Wereld verbleef, beschreef hoe de Taïno's de leguaan noemden:
“...Llámase yuana, i escríbese con estas cinco letras, i pronúnciae y, con poquísimo intervalo u, e después las tres letras postreras ana, juntas o dichas presto; assí que en el nombre todo se hagan dos pausas de la forma que es dicho...” (“... Ze noemen hem “yuana” en dit wordt geschreven met vijf letters en uitgesproken “y”, direkt gevolgd door een “u”, en daarna de laatste drie letters “ana”, achter elkaar en snel uitgesproken; zodat er in de volledige naam [van de leguaan] twee rustpauzes zijn, zoals hiervoor weergegeven...”).
Yuana had niet alleen betrekking op de groene leguanen maar ook op de Cyclura-soorten. Ameiva-soorten werden door de Taïno, Siguana genoemd. Dit zijn hagedissen die op onze Blausana (Cnemidophorus) lijken (zie verder). De Spaanse naam Iguana is afgeleid van het Carib; Ihuana, Iuana, Iwana.In sommige landen of streken worden andere soorten grote hagedissen zoals b.v. grote Ameiva- en Anolis- soorten (ten onrechte) Iguana genoemd. In het Panare, een Carib taal van Venezuela, heet de leguaan Iwana, terwijl met Yawaná een hagedis bedoeld wordt.

De meeste soorten leguanen zijn herbivoor. De Spiny-tail iguanas (Spaans: Algarobos), de Rock iguanas en de Banded iguanas zijn overwegend herbivoor, maar kunnen soms ook dierlijk voedsel eten. Wanneer zij klein zijn eten zij veel insecten. De marine iguana eet algen in zee. Volwassen groene leguanen zijn strict herbivoor.

De Anolis-soorten behoren, volgens de meest gangbare classificaties, ook tot de familie der Iguanidae. Er zijn vele soorten en ondersoorten. Het merendeel hiervan zijn boomhagedissen. Deze komen voor in het zuiden van de VS, Mexico, Midden-Amerika en de tropische en subtropische delen van Zuid-Amerika en de West-Indische eilanden. Binnen de Anolis-groep zijn er verschillende groeperingen te onderscheiden, waarbinnen nog weer andere groeperingen kunnen worden onderscheiden. Er is een andere alternatieve classificatie waarbij het oorspronkelijke genus Anolis in vijf genera opgedeeld wordt. De “echte” Anolis en de genera Ctenonotus, Dactyloa, Norops en Semiurus (zie Savage en Guyer). Tegen deze nieuwe classificatie werden door diverse auteurs (Canatella en de Qeuiroz, en ook door Williams) tegenwerpingen ingebracht; de nieuwe classificatie werd niet algemeen aanvaard. In sommige werken wordt deze echter wel, geheel of gedeeltelijk gevolgd. In enkele recent uitgegeven lokale fotoboeken en een natuurgids treft men de namen Ctenonotus, Dactyloa en Norops. In dit informatieboekje is het “oude” genus Anolis als één groot genus gehandhaafd, waarbinnen een aantal “groepen” te herkennen zijn.

De Anolis-soorten worden o.a. gekenmerkt door een relatief lange staart. De mannetjes verschillen van de vrouwtjes (sexuele dimorphie) doordat zij een grotere keelwam (Eng: dewlap) hebben, een uitklapbare membraan onder de keelzak. De staartwortel is bij de mannetjes hoger dan bij de vrouwtjes. In het Papiamentu wordt deze keelwam “sambèchi” genoemd (het zakmes, het knipmes). Er zijn geen femorale poriën. De Anolis-soorten zijn dagdieren die overwegend insecten eten. Evenals de gekko's hebben de Anolis-soorten ook hechtschijfjes van lamellen aan de tenen. Het vrouwtje legt doorgaans één, soms twee eieren per legsel. De dieren leven niet lang, de meeste kleinere soorten leven in gevangenschap hooguit 3 à 4 jaar. De wat grotere soorten kunnen ouder worden. Grotere soorten kunnen bij een goede verzorging veel ouder worden en zelfs een leeftijd van 14 jaar bereiken (schr.med. L. Wijffels). In het wild leven de dieren waarschijnlijk korter.

In het Papiamentu worden de Anolis spp. Kaku of Totèki (Curaçao) of Waltaka (Aruba) genoemd en op Bonaire wordt ook nog de naam Lagadishi di palu gebruikt. Bij de benaming Totèki treft men in het Papiamentu een veranderende (veranderde) betekenis aan. In het huidige Papiamentu wordt de Anolis, totèki genoemd (Aruba, Curaçao: Anolis lineatus, Bonaire: Anolis bonairensis). Deze boomhagedissen noemt men ook wel Kaku. In vroeger jaren werden voor de Anolis-soorten, veel vaker ook de benamingen Waltaka (Aruba) en Lagadishi di palu (Bonaire) gebruikt. In Venezuela bedoelt men met Tuqueque en Tuteque gekko's (Phyllodactylus, Gymnodactylus spp.). In het Papiamentu worden deze Pegapega genoemd, maar vroeger ook totèki, turtiki, totèki pegapega, turtèki pegapega (zie Wagenaar Hummelinck). De naam totèki is dus in het moderne Papiamentu van gekko's op Anolis-soorten overgegaan. Anolis is een Indiaans woord dat afgeleid is van het Taïno: anaóli.


Fig. 30. Jonge leguaan op Aruba (Iguana iguana). Deze leguaan is slechts iets groter dan de Curaçaosche leguaan van fig. 32. Het patroon met donkere strepen is ook op de romp duidelijk zichtbaar.
Iguana iguana
Naamgeving: Papiamentu: Yuana, Engels: Green Iguana, Common Green Iguana, South American Green Iguana, Nederlands: Groene Leguaan, Zuid en Midden- Amerikaanse groene leguaan, Spaans: Iguana verde, Carib: Ihuana, Iuana, Iwana, Taïno: Yuana, Higuana, Lokono: iuwana, Guajiro: Yuana

Verspreiding: Mexico tot Zuid-Brazilië en Paraguay. Op deze eilanden: Aruba, Curaçao, Bonaire en Klein-Bonaire, maar niet op Klein-Curaçao.
Beschrijving: Een grote doorgaans groene hagedis met een kam op de kop en rug. De kleur van de leguaan kan variëren; de dieren zijn groen met donkere banden op de staart, maar kunnen hun kleur enigszins aanpassen aan die van de omgeving. Wanneer zij in groene vegetatie leven kunnen zij lichtgroen zijn, op kalkrotsen nemen zij een veel grijzere kleur aan. Bij schrik of opwinding kunnen zij ineens veel donkerder worden.

Fig. 32. Juveniele groene leguaan (Iguana iguana) op een palmblad (Curaçao).

Jonge dieren kunnen veel sneller van kleur veranderen en in droge bladeren ook een licht-gele kleur aannemen. Bij grote dominante mannetjes leguanen is er soms ook een enigszins blauwe kleur op de kop. Regionaal kunnen er kleurverschillen zijn tussen populaties van Iguana iguana. Op Aruba treft men vele exemplaren waarbij het strepenpatroon zich opvallend scherp tegen de ondergrond aftekend. Sommige juvenielen hebben duidelijke strepen over de romp, terwijl een Curaçaosche leguaan van dezelfde grote op de romp een veel fletser strepenpatroon heeft. Uit het Parque Nacional Manuel Antonio aan de Pacifische kust van Costa Rica zijn groene leguanen bekend die een roodachtige kop hebben. De groene leguanen die op Saba voorkomen hebben een veel donkerder lichaam en hebben meer blauw op de kop. Ook op andere kleine eilanden komen donkere, melanistische vormen voor. Op Los Frailes zijn de volwassen “groene” leguanen dof bruin grijs.

Fig. 31. Grijs/zwarte, melanistische Iguana iguana,
(El Yaque, La Blanquilla, Venezuela).
Op La Blanquilla zijn zij grijs of zwart (schr.med. L.Wijffels) en op Los Hermanos roetzwart waarbij alleen op de staart het strepenpatroon nog zichtbaar is (Wagenaar Hummelinck).
Iguana iguana is een boomhagedis. Op Aruba, Curaçao, Bonaire en Los Roques vertoont de groene leguaan echter deels het gedrag van een grondhagedis,

dit i.t.t. de leguaan van “Tierra firme”, die slechts zelden de bomen verlaat. Ook is de leguaan op deze eilanden aanzienlijk kleiner dan die van het vasteland. De groene leguaan van het vasteland kan 70% langer worden en drie keer zo zwaar zijn (van Marken Lichtenbelt en Albers, 1993).
Sommigen menen dat de groene leguaan, evenals het “Curaçaosche” hert (Odocoileus gymnotis currasavicus) en het zgn. “Curaçaosch konijn” (Sylvilagus floridanus nigronuchalis) door de Indianen op het eiland ingevoerd zou zijn. Reeds 2500 jaar voor Christus waren er op Curaçao Indianen, die wij thans Paleo-Indianen noemen. Ook op Aruba waren er reeds 2000 jaar voor Christus of eerder al Paleo-Indianen. De leguaan op Aruba, Curaçao, Bonaire, Klein Bonaire en Los Roques is echter reeds zo duidelijk verschillend van die van het vasteland en reeds aangepast aan het leven op semi-aride eilanden, dat het onwaarschijnlijk is dat dergelijke ingrijpende aanpassingen zich in een tijdbestek van slechts 4000 à 5000 jaar zouden hebben voltrokken. Dit betreft o.a. gedrag, grootte en legsels (zie verder). Het lijkt dan ook waarschijnlijker dat de groene leguaan reeds lang op de eilanden is en deze op natuurlijke wijze heeft weten te bereiken. Wellicht heeft de groene leguaan deze eilanden weten te bereiken gedurende één van de perioden waarin het klimaat vochtiger was dan nu en kon de aanpassing aan een droger klimaat geleidelijk aan plaatsvinden. Niettemin is het niet geheel onmogelijk dat de groene leguaan niet op al deze eilanden aanwezig was en op één of meer daarvan wèl door de mens vanuit de andere eilanden werd geïntroduceerd.

De groene leguaan is strict herbivoor. Dit neemt niet weg dat deze leguaan in gevangenschap b.v. hondenvoer ed. kan eten. Dit is echter geen normale situatie en een teveel van dergelijk voedsel zal tot darmstoornissen leiden. De afbraak van cellulose vindt plaats in de colon (eind-darm) waar een bacteriële fermentatie van het plantaardig materiaal plaats vindt en cellulose afgebroken wordt. De leguaan kan ook de appeltjes van de mansaliña (Hippomane mancinella) eten, die diverse giftige stoffen (physostigmine, alkaloïden en saponinen) bevatten. Het dier beschikt over enzymen die deze gifstoffen afbreken. Mannetjes worden groter dan vrouwtjes. Mannetjes hebben verhoudingsgewijs een iets grotere kop. De mannetjes hebben een hogere kam dan de vrouwtjes, bij oudere dieren is deze kam soms afgesleten zodat het verschil dan niet meer zo duidelijk zichtbaar is. De vrouwtjes hebben een voller onderlichaam; vooral wanneer zij eieren bij zich dragen is dit duidelijk te zien.

Fig. 33. Femorale poriën bij mannelijke leguaan (Iguana iguana).

Beide sexen bezitten zgn. femorale poriën, die te vinden zijn op de binnenzijde van de dijen van de achterpoten. Bij de mannetjes zien deze eruit als duidelijke grijze rondjes, zo groot als een speldeknop. Bij de vrouwtjes (en bij jonge mannelijke dieren) daarentegen zijn deze femorale poriën echter minder goed ontwikkeld en alleen zichtbaar als kleine gaatjes. Deze poriën scheiden een was-achtige substantie af waarvan de functie nog niet duidelijk is. Bij de bereiding van leguanensoep wordt de huidstrip met de femorale poriën, de zgn. “cuenta”(kralenketting) weggesneden. Indien deze in de soep blijven kan dit bij sommige mensen, die daar gevoelig voor zijn, allergische huidreacties, cq. jeuk veroorzaken. De vrouwtjesleguaan graaft een vrij diep gat of tunnel om eieren te leggen. Dit gat kan 50-70 cm diep zijn. Het dier heeft daarbij een voorkeur voor vrij losse grond, zoals b.v. rulle diabaas, daarna wordt het hol dichtgemaakt. Na het graven van het nest en het leggen van de eieren zijn de vrouwtjes doorgaans geheel uitgeput en kan men hen makkelijk met de hand vangen. De eieren zijn wit en gummi-achtig. Zij komen uit na een periode van ongeveer drie maanden. De hele reproductiecyclus is afgestemd op het normale patroon van de regenval (van Marken Lichtenbelt 1991). De paartijd is in maart/april, het eieren leggen vindt plaats in april/mei en de eieren komen uit in juli/augustus. Het uitkomen gebeurt vaak na een zware regenbui. In de periode juli/augustus vallen doorgaans de eerste regenbuien, na de droge tijd. Op deze wijze is er enig voedsel, in de vorm van jong blad en grassprietjes e.d. beschikbaar wanneer de jongen uitkomen en hebben zij de regentijd, van eind september tot december, nog voor zich. In hele droge jaren worden de eieren soms pas later in het jaar gelegd. Een andere aanpassing aan het droge klimaat is het feit dat de vrouwtjes minder eieren per legsel produceren dan groene leguanen van het vasteland, maar dat de eieren groter zijn (van Marken Lichtenbelt en Albers 1993). Leguanen kunnen zeer goed zwemmen en duiken soms zelfs in zee om aan belagers te ontsnappen.

Fig. 34. Deze leguaan heeft gedurende de nacht in deze zuilcactus (Cereus repandus) geslapen. In de ochtend lag het dier nog enige tijd te zonnen. Het dier heeft de fotograaf inmiddels opgemerkt en maakt aanstalten om zich uit de voeten te maken.

‘s Nachts slapen de leguanen op deze eilanden vaak op zuilcactussen of in rotsspleten, in de bewoonde gebieden slapen zij vaak in de ruimtes tussen het dak en het plafond van gebouwen. In vroeger jaren werden leguanen vaak gevangen door met een lange stok een lus om hun nek te leggen en hen zo, wanneer zij ‘s nachts slapen, van de cactussen te plukken. Ook zonnen leguanen wel op de cactussen waar zij ‘s nachts slapen (fig. 34). Een andere plant met stekels die leguanen graag als schuil- en slaapplaats gebruiken is de zgn. “Kaktus sürnam” (Surinaamse kaktus) Euphorbia lactea. Dit is een Euphorbia en geen cactus, die niet uit Suriname maar uit Afrika afkomstig is.

 

 

Anolis lineatus
Naamgeving: Papiamentu: Kaku, Totèki, Waltaka (Aruba), Engels: Striped anole, Nederlands: Anolis, Spaans: Lagartijo. Een synoniem voor Anolis lineatus is Norops lineatus.

Fig. 23. Anolis lineatus. Mannetje (Aruba). zowel de Anolis lineatus op Aruba als die op Curaçao kunen van kleur variëren van flets lichtbruin tot veel donkerder bruin. Bij de Arubaanse exemlaren
  Fig. 24. Anolis lineatus, mannetje (Curaçao).

Verspreiding: Aruba, Curaçao
Verwante soorten, oorsprong: Anolis lineatus is van Zuid-Amerikaanse oorsprong en hoort thuis in de zgn. Anolis nitens-groep (syn. Anolis chrysolepis). Anolis nitens is een soort uit Venezuela en de Guyana's, die enkele ondersoorten bevat.
Beschrijving: Een kleine boomhagedis. De dieren zijn licht tot donkerbruin gekleurd en hebben twee strepen op iedere flank, die gevormd worden door een aaneenschakeling van langgerekte donkerbruine vlekjes met geelbruine randen. Aan de onderzijde zijn zij licht-grijs van kleur. Evenals de leguanen kunnen zij ook van kleur veranderen, maar de kleur variëert slechts van licht naar donkerder. Bij schrik of opwinding kunnen zij ineens veel donkerder worden. Bij de Arubaanse vorm van Anolis lineatus is het strepenpatroon scherper afgelijnd. De mannetjes bereiken een SV (snout-vent) lengte van 70-75 mm, de vrouwtjes een SV lengte van maximaal ongeveer 60 mm. De dieren hebben een eigen territorium, vaak bewaken de dieren de stam van hun boom of struik. Zij zitten meestal met de kop naar beneden op de stam en dreigen met de “dewlap” naar mogelijke indringers. De mannetjes bezitten een grotere “dewlap” dan de vrouwtjes. De “dewlap” is oranje met aan de keelzijde een zwarte streep en aan de buitenrand een dun geel randje.

Anolis bonairensis
Naamgeving: Papiamentu: Totèki, Kaku, Lagadishi di Palu, Engels: Ruthven's Anole, Nederlands: Anolis, Spaans: Lagartijo. Een synoniem voor Anolis bonairensis is Dactyloa bonairensis.
Fig. 25.
Fig. 26.
Fig. 27.
Anolis bonairensis, op een Palu Brasil (Haematoxylon brasiletto). Op fig. 27 is het pineale oog te zien.
Verspreiding: Bonaire, Klein-Bonaire.
Verwante soorten, oorsprong: Anolis bonairensis is van West-Indische oorsprong. Deze soort behoort tot de zgn. Anolis roquet groep. Anolis roquet wordt aangetroffen op Martinique (zie

Roughgarden 1995 en ook Fläschendräger en Wijffels 1996). De roquet groep bestaat uit de anolissen van de eilanden Martinique, Barbados, Sta. Lucia, St. Vincent, Grenada en de Grenadines, La Blanquilla en Bonaire. Binnen deze groep is Anolis bonairensis het meest verwant aan de anolissen van La Blanquilla (Anolis blanquillanus) en Sta. Lucia (Anolis luciae)10.

Fig. 28, 29. Anolis blanquillanus, op een Indju boom (Prosopis). El Yaque, La Blanquilla, Venezuela. Boven vrouwtje. Onder: mannetje. Op fig. 29 is het pineale oog te zien.
Anolis blanquillanus komt voor op La Blanquilla en Los Hermanos. Deze soort is nauw verwant aan Anolis bonairensis en werd tot voor kort beschouwd als een ondersoort van Anolis bonairensis nml. Anolis bonairensis blanquillanus.
Beschrijving: De Bonairiaanse anolis is geelbruin van kleur en heeft een donker patroon op een lichte ondergrond. Over de rug en flanken lopen schuine dwarsstrepen en op de staart lopen de strepen verticaal. De onderzijde is licht van kleur. De “dewlap” is fletsgeel. Tussen de ogen op de kop is het zgn. pineale oog zichtbaar (fig.27). Anolis bonairensis is iets kleiner dan Anolis lineatus. Deze anolis treft men vooral op de Palu di Brasil (Haematoxylon brasiletto). In het Nederlands wordt deze boom “brasiletto” of verfhout genoemd.

Ook op andere bomen zoals de Kwihi (Prosopis juliflora) en de Wayaká (Guaiacum officinale; deze wordt in het Nederlands pokhout genoemd) wordt deze Anolis wel aangetroffen, maar in mindere mate. De dieren houden zich verscholen in de diepe groeven van de stam van de Palu di Brasil (fig.25 t/m 27). In de ochtenduren van ongeveer 7-10 uur en in de namiddag van ongeveer 4-6 komen zij uit hun schuilplaatsen tevoorschijn en lopen over de stam op zoek naar insecten. Anolis bonairensis laat zich veel dichter benaderen dan Anolis lineatus en vertrouwt sterk op zijn camouflage. Indien men hen echter bij uitzondering op de grond aantreft (op weg van één boom naar een andere?), schieten zij onmiddelijk weg en zijn dan zelfs veel schuwer dan Anolis lineatus.


10 Over de geologische geschiedenis van de Caribische plaat bestaat er nog geen consensus, er zijn diverse theorieën die vooralsnog op vele punten tegenstrijdig zijn. Een van deze theorieën is dat het noordelijk en het zuidelijk deel van het Caribisch gebied een andere oorsprong zouden hebben. Het gebied van Martinique tot Bonaire zou geologisch een apart deel van de Caribische plaat vormen. De geologische en faunistische scheidingslijnen liggen aan de ene zijde tussen Dominica en Martinique en aan de andere zijde tussen Curaçao en Bonaire. Er zou aan de westzijde van dit deel van de plaat een eilandenboog geweest zijn die o.a. bestond uit Bonaire, La Blanquilla en Sta. Lucia. Deze eilandenboog haalde de oostelijke eilandenboog in; Sta. Lucia kwam tussen Martinique en St. Vincent te liggen en la Blanquilla en Bonaire werden in de richting van het Venezolaanse continentale plat gedrukt. De nauwe verwantschap tussen Anolis bonairensis, Anolis blanquillanus en Anolis luciae, die op hun beurt deel uitmaken van de roquet groep is consistent met deze theorie (Roughgarden). Op de Maria-eilanden, enige rotsen zuid-oost van Sta. Lucia, komt de endemische soort Cnemidophorus vanzoi voor, die deel uitmaakt van de zgn. lemniscatus-groep (zie verder onder: Whiptails). Hier zien wij een soortgelijk voorbeeld van een hagedis op Sta. Lucia die nauw verwant is aan de soorten op Bonaire (C. murinus ruthveni) en de soort op de eilanden van Bonaire tot La Blanquilla en Los Hermanos (C. nigricolor). Op de andere Kleine Antillen komen geen Cnemidophorus-soorten voor. Blair Hedges (1966 en 1999)
stelt dat de verspreiding van soorten in dit deel van het Caribisch gebied het gevolg is van “waif dispersal”. De nauwe verwantschap tussen de Anolis soorten van St. Lucia, La Blanquilla en Bonaire kan behalve door de eerder genoemde vicariantie theorie, evenzeer verklaard worden door aan te nemen dat de verspreiding van deze soort, door “waif dispersal” met de overheersende zeestromingen mee, vanuit St. Lucia, naar het Westen, naar Blanquilla en Bonaire heeft plaatsgehad. Gedurende de ijstijden lag het zeeniveau lager. Delen van de zee rond de eilanden waren meer beschut en moeten veel rustiger geweest zijn dan tegenwoordig. La Blanquilla, La Orchila, Los Roques en Las Aves waren veel groter dan tegenwoordig en vormden “stepping stones” op de route naar Bonaire. Anolis bonairensis zou in het verleden ook op Aves gesignaleerd zijn en kwam wellicht in het verleden ook voor op andere tussenliggende eilanden. Gedurende de interglaciale perioden zullen deze “stepping stones” deels of zelfs geheel onder water gelegen hebben. Dieren van sommige eilanden kunnen weer zijn verdwenen. Hoewel de afstand van Sta.Lucia naar Bonaire vrij groot is, is het zeker niet uitgesloten dat verspreiding door “waif dispersal” heeft plaatsgehad.


 


Whiptail lizards, jungle runners en verwante soorten
(Fam: Teiidae)

De familie der Teiidae omvat de whiptail lizards of whiptails die ook racerunners genoemd worden (Cnemidophorus spp.), verder de tegu's (Tupinamba spp.), de Ameiva's of jungle runners (Ameiva spp.), de Caiman lizards (Dracaena) en nog enkele andere groepen. In oudere classificaties worden de Teiidae verdeeld in twee groepen: de Macro-teiidae en de Micro-teiidae. De groep der Micro-teiidae omvat een aantal genera die thans in een aparte familie der Gymnophthalmidae (briltegu's en verwante soorten) worden ondergebracht (zie verder).
De Ameiva's komen voor in Midden- en Zuid-Amerika en op de West-Indische eilanden. De Ameiva's lijken zeer veel op de whiptails. Het belangrijkste verschil tussen Ameiva en Cnemidophorus zit in het patroon van de schubben op de borst. Op Aruba komt Ameiva bifrontata voor.

Whiptails of racerunners zijn middelgrote grondhagedissen die veel gelijkenis vertonen met de Europese hagedissen Lacerta en Podacris. Zij komen voor in de VS, Mexico, Midden-Amerika en Zuid-Amerika. Op de West-Indische eilanden zijn er slechts twee soorten. Dit zijn Cnemidophorus vanzoi op een van de Maria's eilanden bij St. Lucia (Maria major) en C. lemniscatus op de Colombiaanse eilanden San Andrés, Isla de la Providencia en Sta. Catalina nabij Nicaragua. Dit zijn Zuid-Amerikaanse elementen in de West-Indische fauna. Verreweg de meeste soorten whiptails eten voornamelijk insecten en andere arthropoden. De whiptails zijn weer onderverdeeld in aan elkaar verwante “groepen”. De Zuid-Amerikaanse soorten zijn alle nauw verwant aan Cnemidophorus lemniscatus en behoren tot de zgn. Lemniscatus-groep. Cnemidophorus lemniscatus, de “Rainbow racerunner” of “Dotted racerunner” (fig.49 t/m 52), wordt aangetroffen in Midden-Amerika en het noorden van Zuid-Amerika. Op de Zuid-Amerikaanse eilanden treft men deze soort aan op Trinidad & Tobago, Isla de Margarita, Cubagua, Coche, Los Testigos en Los Frailes. Deze soort komt thans ook voor op Aruba waar deze uit Venezuela werd geïmporteerd (C. lemniscatus lemniscatus).

Fig. 46. Cnemidophorus nigricolor (Islote Palmeras, Aves de Sotavento, Venezuela).

De whiptails van Aruba, Curaçao en Bonaire, te weten C. arubensis, C. murinus murinus en C. murinus ruthveni, behoren ook alle tot de Lemniscatus groep. Een andere verwante soort, die ook tot de Lemniscatus-groep behoort is C. nigricolor. Dit is een donkerbruine of zwart-grijze whiptail (fig.45 t/m 48), die voorkomt op Las Aves, Los Roques, La Orchila, Los Hermanos, La Blanquilla en La Tortuga.

Fig. 46. Cnemidophorus nigricolor, mannetje op een Prosopis boom (El Yaque, La Blanquilla, Venezuela.

In het Nederlands worden de whiptails soms wenkhagedissen genoemd, omdat zij met de voorpootjes “wenken”. Dit gedrag is waarschijnlijk vergelijkbaar met het “kopschudden” bij de leguaan en anolis. Het dier geeft waarschijnlijk aan dat het de ander al gezien heeft “doe maar geen moeite om me te pakken, ik heb je al gezien”. Indien men te dichtbij is houdt hij zich koest en veraf is er nog geen reden tot ongerustheid. Daarnaast heeft het “wenken” waarschijnlijk nog andere betekenissen; meer praktisch lichten de dieren als zij op hete grond staan de pootjes op, soms ook de achterpoten en krullen de staart iets omhoog om zich niet aan de hete grond te branden. Ze liggen dan even op de wat dikkere buikschilden. De whiptails zijn vooral actief op het heetst van de dag. Vanaf een uur of 9 tot ongeveer 14.30 lopen zij rond op zoek naar voedsel, na 14.30 zijn zij al duidelijk minder actief en na 17.00 worden zij slechts zo nu en dan waargenomen. Dit activiteitspatroon verschilt duidelijk van dat van b.v. Anolis bonairensis, die juist in de ochtenduren en namiddag actief is.

Fig. 47. Cnemidophorus nigricolor, vrouwtje, (Islas Aves de Sotavento, Islote Palmeras, Venezuela).
 
Fig. 48. Cnemidophorus nigricolor, mannetje, (Islas Aves de Sotavento, Islote Palmeras, Venezuela). C. nigricolor is een melanistische soort. Op Aves de Sotavento komen naast de melanistische exemplaren ook niet-melanistische voor.Deze dieren zijn lichter van kleur en zijn overwegend donkerbruin of bruin-grijs. Die van Los Roques en La Tortuga, hebben een anthraciet kleur, de stippen ontbreken geheel. Op La Blanquilla zijn de mannetjes zwart (fig.46), de vrouwtjes iets lichter van kleur, zonder stippen.

Op Aruba, Curaçao en Bonaire bereiken de whiptails uitzonderlijk hoge dichtheden. De eilanden wemelen van de hagedissen, rond menselijke bebouwing zijn er zelfs nog meer te vinden. De lokale soorten whiptails (C. arubensis, C. murinus murinus en C. murinus ruthveni) blijken alle overwegend herbivoor te zijn, dit i.t.t. andere soorten whiptails (zoals o.a. C. lemniscatus) die voornamelijk insecten en andere arthropoden eten (Schall, 1973). Hoewel de lokale soorten whiptails ook insecten en andere arthropoden eten en rond menselijke bebouwing praktisch alleseters zijn, zijn zij in hun natuurlijk milieu, in de mondi, voor het overgrote deel van hun voedsel (rond de 80 vol%) van plantaardig materiaal, zoals bloemen, nectar, blaadjes en vruchtjes afhankelijk (Dearing & Shall). De darm is duidelijk groter dan die bij andere soorten whiptails en is aan een herbivoor dieet aangepast.Verder bestaat het voedsel voor ongeveer 15% uit arthropoden (vnml. insecten) en bevat de maaginhoud ongeveer 5% aan faeces, steentjes en takjes. In het natuurlijk milieu zijn er te weinig insecten en andere arthropoden beschikbaar, om populaties met zulke hoge dichtheden van vrij grote hagedissen in stand te kunnen houden. Het feit dat deze dieren overwegend herbivoor zijn verklaart de hoge dichtheden die zij op Aruba, Curaçao en Bonaire kunnen bereiken. Er zijn slechts weinig soorten hagedissen die herbivoor zijn (Szarski, Ostrom). Meestal betreft het grote hagedissen. De meeste soorten leguanen, vooral de grotere soorten, zijn overwegend herbivoor. In Afrika en delen van Azië treft men een aantal soorten doornstaartagamen (Uromastyx spp.), dit zijn vrij grote herbivore hagedissen. Verder de grote Solomon skink (Corucia zebrata) uit de Solomon-eilanden. Kleinere herbivore hagedissen zijn zeer uitzonderlijk en worden veelal op eilanden aangetroffen. Het dagelijks beeld van vele middel-grote hagedissen die men op Aruba, Curaçao en Bonaire vrijwel overal aantreft is dan ook zeer uitzonderlijk. De whiptails kunnen soms ook cannibalistisch zijn. Dit werd in de droge tijd in de natuur (op Curaçao) waargenomen. De Curaçaosche whiptail heeft de reputatie dat deze in gevangenschap zeer moeilijk te houden is (dit geldt waarschijnlijk evenzeer voor de Arubaanse en de Bonairiaanse whiptail). Een van de redenen hiervoor is ongetwijfeld dat men zich veelal niet realiseert dat deze dieren i.t.t. andere soorten whiptails grotendeels herbivoor zijn (Shall & Russel, 1991 en Dearing, 1993). Bij een dieet van vlees en insecten zoals krekels en meelwormen, dat voor andere soorten whiptails geschikt is, ontwikkelen zij na enige tijd darmstoornissen en sterven. Alle whiptails bezitten zgn. femorale poriën, die te vinden zijn op de binnenzijde van de dijen. Bij de vrouwtjes zijn de femorale poriën minder goed ontwikkeld dan bij de mannetjes en niet zo duidelijk zichtbaar. De mannetjes bezitten bovendien ook zgn. pre-anale poriën. Deze poriën scheiden een was-achtige substantie af waarvan de functie nog niet duidelijk is. In de paartijd krijgen de dominante mannetjes veel fellere kleuren, over een groter deel van het lichaam.

Fig. 37. Ameiva bifrontata (Aruba).
Ameiva bifrontata
Naamgeving: Papiamentu: Koffie ku lechi, De naam Vloem of Floem wordt ook gebruikt maar is minder algemeen.
Engels: Cope's Ameiva, Jungle runner, Nederlands: Ameiva, Spaans (Venezuela): Lagartija, Mato, Bizurre, Lobo.
In het Spaans van Cuba, de Domikaanse Republiek en Puerto Rico worden andere Ameiva soorten Siguana genoemd. Taïno: Siguana.

Verspreiding: Aruba, Noord-Venezuela, Colombia, Noord-Peru, Isla de Margarita, Cubagua, Los Testigos, Los Frailes. Deze hagedis verschilt nauwelijks van de Ameiva bifrontata uit Venezuela. Dit wijst erop dat de soort waarschijnlijk nog niet lang op Aruba is. Wagenaar Hummelinck trof deze soort eind jaren '30 alleen rond Oranjestad aan, waar deze bovendien niet algemeen was. Wagenaar Hummelinck veronderstelde daarom dat deze hagedis waarschijnlijk niet zolang daarvoor door de mens op Aruba geïmporteerd zou zijn. Begin jaren '70 was Ameiva bifrontata reeds over heel Aruba verspreid (Schall, 1973). Volgens Ruthven (1924) echter werd A. bifrontata reeds in 1885 door Cope op Aruba aangetroffen en ook in 1922 door Dr. H. Burrington Baker op Aruba verzameld. Dit kan erop wijzen dat deze hagedis toch al langer op Aruba is dan door Wagenaar Hummelinck werd verondersteld. Volgens Ruthven (1923) is de kleur van de Arubaanse A. bifrontata gelijkmatiger en bleker dan bij exemplaren van het vasteland. Ook hebben exemplaren op Aruba geen of minder zwarte stippen dan die van het vasteland. Wagenaar Hummelinck meldt eveneens dat dit het geval is, maar geeft aan dat er bij populaties in Paraguaná ook dergelijke exemplaren zonder, of met slechts enkele zwarte stippen voorkomen.

Beschrijving: Ameiva bifrontata is een vrij grote, grotendeels lichtkhakibruine hagedis, de kop en voorzijde zijn lichtgroen of grijsgroen. In veel gevallen loopt deze lichtgroene of grijsgroene kleur als het ware over de khaki ondergrond. De Papiamentu naam “Koffie ku lechi” (koffie met melk) geeft de khakibruine kleur goed weer. Deze hagedis leeft voor een groot deel van arthropoden maar eet ook jonge whiptail lizards (Cnemidophorus). Hij wordt aangetroffen in gebieden met enige vegetatie en niet op open droge zand en steenvlaktes met weinig vegetatie, waar men C. arubensis aantreft (Schall, 1973).

Cnemidophorus lemniscatus lemniscatus
Fig. 49. Cnemidophorus lemniscatus lemniscatus, mannetje (Aruba, Aruba Golf Club, ten noorden van San Nicolas).
Naamgeving en classificatie: Papiamentu: Lagadishi bèrdè, Lagadishi di maïshi, de vrouwtjes en juvenielen worden Lagadishi genoemd. Engels: Rainbow whiptail, whiptail lizard, Rainbow racerunner, Dotted racerunner, Nederlands: Hagedis, Sranang tongo: Waiwaihanu, Spaans: Lagarto, Lagartijo, Spaans (Venezuela): Lagartija verde11, Lobo, Bizurre, Bisure (Paraguaná), Culu (La Guajira).
Fig. 50. Cnemidophorus lemniscatus lemniscatus, mannetje (Aruba, Aruba Golf Club, ten noorden van San Nicolas).

In 1997 werd door Markezich, Cole en Arends de nieuwe soort Cnemidophorus arenivagus uit Paraguaná (Venezuela) beschreven, die voorheen beschouwd werd als C. lemniscatus lemniscatus. De op Aruba ingevoerde Lagadishi bèrdè zou waarschijnlijk vanuit Paraguaná zijn ingevoerd, en zou derhalve waarschijnlijk deze zelfde Cnemidophorus arenivagus zijn. De kleur van de Arubaanse mannetjes is echter duidelijk anders dan die van de exemplaren uit Paraguaná; de khaki kleur op de flanken die men bij mannelijke dieren in Paraguaná aantreft, is bij de exemplaren uit Aruba vrijwel geheel afwezig. De flanken bevatten veel meer geel en lichtgroen. Dit kan erop wijzen dat deze hagedis wellicht oorspronkelijk niet uit Paraguaná afkomstig is, maar uit een ander deel van Venezuela of uit een ander land. In dit infomatieboekje is de naam C. lemniscatus lemniscatus vooralsnog gehandhaafd.

Verspreiding: Aruba, Venezuela, Midden-Amerika tot het noorden van Zuid-Amerika. Deze hagedis komt voor op alle eilanden die in de ijstijden deel uitmaakten van het continent: Trinidad & Tobago, Isla de Margarita, Cubagua, Coche, Los Testigos, Los Frailes. Deze soort werd, waarschijnlijk rond 1950, op Aruba ingevoerd. Deze dieren werden voor het eerst gesignaleerd nabij de oil jetty's van de raffinaderij te San Nicolaas, hieruit kan wellicht worden geconcludeerd dat zij vermoedelijk met olietankers werden geïmporteerd. Dit is echter enigszins vreemd, daar dergelijke dieren niet makkelijk op een tanker meekomen. Wellicht werden zij door een bemanningslid van een olietanker meegenomen. Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat zij vanuit Venezuela en dan met name vanuit Paraguaná,

werden geïmporteerd, maar dit hoeft niet per sé het geval te zijn. Op San Nicolaas werden ook materialen voor de raffinaderij uitgeladen, die van elders afkomstig waren en ook voeren er tankers met afgewerkte producten op routes naar andere landen dan Venezuela, zoals o.a. Colombia waar C. lemniscatus ook voorkomt. De soort verspreidt zich niet snel over het eiland en werd in 1997 aangetroffen in de omgeving van San Nicolaas; te weten bij Cura Cabai, Mabon, Brasil, rond het voormalig vliegveld “de Vuist” en op en rond de tereinen van de Aruba Golf Club. Binnen dit gebied treft men deze hagedis op enkele plaatsen waar de bodem zandig is. Op deze plaatsen komt C. arubensis eveneens voor en treft men beide soorten aan.

Fig. 51.

Fig. 51 en 52. Cnemidophorus leminscatus lemniscatus, vrouwtje (Aruba, Aruba Golf Club, ten noorden van San Nicolas).

Beschrijving: Deze hagedis is veelkleuriger dan de andere. Vrouwtjes en juvenielen zijn bruin met lichte en donkere lengte-strepen.De dominante mannetjes hebben in de paartijd blauw op de kop, blauwe voorpoten, de voorrand van de achterpoten is blauw, de rug groen en de onderzijde van de flanken geel. Deze hagedis is kleiner dan
C. arubensis
en is de kleinste Cnemidophorus-soort die op Aruba, Curaçao en Bonaire

Fig. 52.

voorkomt. De mannetjes zijn aanzienlijk groter dan de vrouwtjes. Het voedsel bestaat, althans op Aruba, voornamelijk uit insecten.Van Cnemidophorus lemniscatus zijn er populaties bekend die unisexueel zijn. Deze populaties bestaan enkel uit vrouwelijke dieren die zich via parthenogenese voortplanten. Dergelijke populaties worden aangetroffen in Amazonia en in de Guyana's. De parthenogene populaties worden soms beschreven als een nieuwe soort te weten Cnemidophorus cryptus.De populatie op Aruba is bisexueel en bestaat uit mannelijke en vrouwelijke dieren.

 

 

Fig. 37.Cnemidophorus arubensis, mannetje; het dier wenkt met de rechtervoorpoot (Aruba).

Cnemidophorus arubensis
Naamgeving: Papiamentu: Cododo, Cododo blau, Blausana; de vrouwtjes en juvenielen worden Lagadishi genoemd. Engels: Aruba whiptail, Aruban whiptail lizard, Nederlands: Arubaanse renhagedis, Spaans: Lagarto, Lagartijo, Spaans (Venezuela en Colombia): Lagartija. De Arubaanse whiptail werd tot voor kort beschouwd als een ondersoort van Cnemidophorus lemniscatus. De naam voor deze ondersoort was Cnemidophorus lemniscatus arubensis. Nadat Cnemidophorus lemniscatus, waarschijnlijk rond 1950, op Aruba geïmporteerd werd, bleek deze soort niet met de daar reeds voorkomende C. lemniscatus arubensis te hybridiseren (Schall, 1973). Hieruit blijkt dat de Arubaanse Cnemidophorus reeds zodanig van de Cnemidophorus lemniscatus verschilt dat het hier een aparte soort betreft. Thans wordt de Arubaanse whiptail dan ook beschouwd als een aparte soort die evenals Cnemidophorus murinus thuishoort in de zgn. Lemniscatus-groep.
Verspreiding: Aruba
Beschrijving: De romp van deze hagedis is bruin-groen met blauwe stippen op de zijden. In de paartijd worden de dominante mannetjes veel blauwer en zijn dan blauw op de kop, rug en de staart (september-oktober). De vrouwtjes zijn lichtbruin met fletsblauwe stippen. C. arubensis is duidelijk kleiner dan C. murinus. Het wenkgedrag is veel frequenter dan bij C. murinus.

Fig. 43 en 44. Cnemidophorus murinus murinus, boven: mannetje, onder: vrouwtjes (Curaçao).

Cnemidophorus murinus murinus

Naamgeving:
Papiamentu: Lagadishi (algemene benaming en benaming voor de bruin gekleurde wijfjes en juvenielen), Blausana, Blousana12, Blaublau, Blòblò (de grote grijs-blauwe mannetjes met blauwe staart).
Engels: Laurent's whiptail, Curaçao whiptail lizard,
Nederlands: Blauwe renhagedis,
Spaans: Lagarto, Lagartijo, Spaans(Venezuela, Colombia): Lagartija.

Verspreiding: Curaçao, Klein-Curaçao.

Beschrijving: C. murinus is een vrij grote hagedis. Juvenile exemplaren en vrouwtjes (Lagadishi) zijn bruin, met vier rijen witte stippen aan elke zijde, op de romp. De buikzijde is wit. De grote mannetjes hagedissen (Blausana, Blòblò, Blaublau) zijn grijs met een blauwe staart, blauw op de achterpoten en voorpoten, met blauw op de voorrand van de dijen. De kop is enigszins blauw/grijs. De stippen zijn dof wit. In de paartijd is de kleur van de dominante mannetjes intenser, het blauw is dan feller, het grijs donkerder. Op de terreinen van de Dienst L.V.V. te Klein Kwartier op Curaçao werd in 1992 een melanistisch exemplaar van C. murinus murinus waargenomen, dat veel gelijkenis vertoonde met C. nigricolor. De hagedissen op Klein Curaçao hebben zich al enigszins aan het eilandje (1,2 km2) aangepast, zij zijn kleiner dan die op Curaçao. De mannetjes zijn blauwer. Cnemidophorus murinus legt per legsel slechts één ei, dat naar verhouding zeer groot is (hetzelfde geldt voor C. arubensis, zie Shall, 1983).


Fig. 41. Cnemidophorus murinus ruthveni, mannetje (Bonaire). Let op het khakikleurige achterlichaam en de stippen op de kop die duidelijk zichtbaar zijn.

Cnemidophorus murinus ruthveni
Naamgeving: Papiamentu: Lagadishi, Kododo, Engels: Bonaire Island whiptail lizard, Nederlands: Bonairiaanse renhagedis, Spaans: Lagarto, Lagartijo, Spaans (Venezuela en Colombia): Lagartija.
Verspreiding: Bonaire, Klein-Bonaire.

Fig. 42. Cnemidophorus murinus ruthveni, vroustje (Bonaire). Let op het gemarmerde achterlichaam.

Beschrijving: Het patroon is als dat van de Curaçaosche hagedis. Het onder-lichaam van de oudere mannetjes is bruingrijs; bij de Curaçaosche mannetjes-hagedis van deze grootte, is de hele romp grijzer. Het stippenpatroon is ook op de kop duidelijk zichtbaar; bij de Curaçaosche whiptail zijn de stippen op de kop flets en niet duidelijk zichtbaar, waardoor het erop lijkt dat deze laatste geen stippen op de kop heeft.



11 Hagedis is in het Spaans: El Lagarto. Dit woord is afgeleid van het Latijn: Lacerta via het vulgair Latijn Lacartu. Het grammaticaal correcte verkleinwoord van Lagarto is Lagartijo. In Venezuela en Colombia zegt men echter Lagartija. Dit verkleinwoord is ook van toepassing op vrij grote hagedissen zoals bv. de Ameiva bifrontata. In veel landen, o.a. Mexico, is Lagarto een krokodil of kaaiman en wordt een hagedis Lagartijo genoemd. Het Engels: Alligator is afgeleid van El Lagarto. In de Republica Dominicana heeft Lagarto wel de betekenis hagedis, Lagartijo is een kleine hagedis en de daar voorkomende Amerikaanse krokodil wordt Caimán genoemd. Het Papiamentu: Lagadishi is afgeleid van het Spaans: Lagartija of wellicht waarschijnlijker van het Portugees: Lagartixa (de x wordt uitgesproken als sh).

12 In de zgn. fonologische spelling die op Curaçao en Bonaire de officiële spelling is, schrijft men Blousana. Een fonologische spelling is een spelling die de “logica” van de fonetiek volgt en die grotendeels, doch niet in alle opzichten, een fonetische spelling is.


 

Brilteju's en verwante soorten (Fam: Gymnophthalmidae)

De Familie der Gymnophthalmidae is een familie die bestaat uit kleine soorten, waaronder enkele die veel op skinks lijken. Deze familie is van Zuid-Amerikaanse oorsprong maar er komen ook soorten voor in Midden-Amerika. Zij leven doorgaans in bladafval en zachte grond waar zij zich snel kunnen ingraven. Zij voeden zich met kleine insecten en andere arthropoden. Qua levenswijze en uiterlijk vertonen zij vaak veel overeenkomst met de Skinks. De poten zijn soms in omvang gereduceerd, waardoor de dieren zich als kleine slangetjes bewegen. De familie bevat acht verschillende genera. Op Aruba, Curaçao en Bonaire treffen wij twee soorten spectacled tegu's (Gymnophthalmus spp.) en één Tretioscincus soort. In het Engels noemt men de Gymnophthalmus-soorten “spectacled tegus”, het Nederlands brilteju is hiervan afgeleid. In het genus Gymnophthalmus komen parthenogene soorten voor.

Fig. 36. Gymnophthalmus lineatus (Curaçao).
Gymnophthalmus lineatus
Naamgeving: Papiamentu (Curaçao, Bonaire): Colebra di mispel,
Engels: Striped spectacled tegu, Nederlands: Gestreepte brilteju. Spaans (Venezuela): Madre de Culebra.

Verspreiding: N.O. Zuid-Amerika, o.a. Brazilië, Curaçao, Klein Curaçao, Bonaire.
Beschrijving: De Colebra di mispel is een kleine, zwarte hagedis met twee gele lijnen op de rug en een oranje staart. De schubben zijn glad en glanzend. De mannetjes zijn kleiner dan de vrouwtjes.

Er zijn aan elke voorpoot slechts vier vingers cq. tenen. De Colebra di mispel heeft een zeer cryptische (verborgen) levenswijze. Daar het een kleine hagedis is, die een gemakkelijke prooi zou vormen voor de vele Lagadishi die op Curaçao en Bonaire overal rondlopen en ook voor vogels, zoals o.a. de Chuchubi (Milvus vagus) moet dit dier zich wel goed verborgen houden om te kunnen overleven. Men ziet deze dieren dan ook zelden. Dit wekt de indruk dat zij zeer zeldzaam zouden zijn, wat niet het geval is. In sommige biotopen, zoals hofjes met een dik bladerpakket op de grond, kunnen deze dieren in grote getale voorkomen. Zoals de Papiamentu naam al aangeeft treft men deze dieren vaak aan onder het bladafval van mispelbomen (Achras sapote), maar ook onder bladafval van de zeedruif (Coccoloba uvifera) en een aantal andere (doch niet alle), boomsoorten met veel bladafval worden zij aangetroffen. Ook treft men ze bij stranden waar er boven de hoogwaterlijn los zand ligt waar zij zich snel kunnen ingraven (o.a. Pos Spañó op Curaçao en op Klein Curaçao). Omstreeks 1970, voordat hier zand werd afgegraven trof men deze dieren ook nabij de Willemstoren op Bonaire. Zij werden daar dan onder platte stenen die op het zand lagen, in een gebied met Suriana maritima (Tabaku di piskadó) vegetatie aangetroffen. Zij waren in dit biotoop zeer talrijk. De dieren zijn snel, zij graven zich zeer snel in, en zijn moeilijk te vangen. De oranje staartpunt zou een nabootsing kunnen zijn van de eveneens oranje laatste achterpoten van een duizendpoot (Scolopendra sp.) die zich tussen de bladeren beweegt (mimicry)13. Bij het graven om deze dieren te vangen, heb ik zelf bij het zien van de oranje kronkelende staart het graven enkele malen onwillekeurig reflexmatig onderbroken, uit angst met een duizendpoot te doen te hebben, waardoor de Colebra di mispel kon ontsnappen. Het gaat niet alleen om de kleur, maar ook om de wijze waarop de staart beweegt. In dit verband is het frappant dat er in Australië een skink leeft, die zeer veel op de Colebra di mispel lijkt, met een vrijwel identiek kleurpatroon. De “Fire-tailed skink” (Morethia taeniopleura) is een kleine skink die evenals de Colebra di mispel in bladerpakketten en losse aarde leeft. Ook in de Florida Keys is er een soortgelijke hagedis, de “Florida key mole skink” (Eumeces egregius egregius). Deze dieren behoren tot een totaal andere groep van hagedissen, zodat dit voorbeelden zijn van parallelle evolutie, die er tevens op wijzen dat het kleurpatroon voor dieren met deze levenswijze functioneel is. Er bestaat een oud volksgeloof, dat thans nog slechts bij weinigen bekend is, dat deze dieren geluk brengen. Men moet hen niet doden en doet er goed aan een lot in de loterij te kopen als men er een gezien heeft.

Gymnophthalmus speciosus
Naamgeving en classificatie: een synoniem is: Gymnophthalmus laevicaudus. Papiamentu (Aruba): Lagadishi di mispel, Colebra di mispel, Engels: Golden Spectacled Tegu, Nederlands: Kleine brilteju, Spaans Venezuela (Las Aves): Madre de Culebra, Spaans (Midden-Amerika) Lisa dorada
Verspreiding: Van Zuid-West Mexico en Guatemala tot het noorden van Zuid-Amerika. In Zuid-Amerika voornamelijk in N. Zuid-Amerika. o.a. Colombia , Venezuela en Guyana, Aruba, Las Aves. Ook komt dit dier voor op het eiland Chacachacare (Trinidad).
Beschrijving: Dit dier lijkt op en vertoont een soortgelijke levenswijze als Gymnophthalmus lineatus. Het kleurpatroon is anders. Het dier is grijzig tot grijsbruin op de rug, de flanken zijn zwart en de staart is lang en dun, het uiteinde van de staart is licht-oranje van kleur. Er is een scherpe overgang tussen de kleur op de rug en die op de flanken, die zichtbaar is als een lichte lijn, maar er zijn geen duidelijke laterale strepen zoals bij Gymnophthalmus lineatus. De schubben zijn glad, enkele schubben op het eind van de staart zijn gekield. De mannetjes bezitten kleine femorale poriën. Er zijn aan elke voorpoot slechts vier vingers cq. tenen. De tong is lang en gevorkt.

Fig. 35. Tretioscincus bisfasciatus. dit exemplaar is afkomstig uit Isla de Margarita, Toma de Agua, ten westen van la Asunción. RMNH (Nationaal Natuurhistorisch Museum, Leiden) no. 29088, P. Wagenaar Hummelinck, 1936.

Tretioscincus bifasciatus

Naamgeving:
Papiamentu: Lagadishi di scama, Engels: Rio Magdalena tegu,
Nederlands: —— ,
Spaans Venezuela: Lagartijo cola azul, Madre de Culebra.

Verspreiding: Noord-Oost Colombia, Isla de Providencia, Noord-West Venezuela, Aruba, Los Hermanos, Isla de Margarita.

Beschrijving: Een kleine hagedis met lengte van maximaal 15 cm. Het dier is ongeveer even lang als Gymnophthalmus speciosus maar is veel breder en zwaarder van bouw. Het dier is grijsbruin met een blauwzwarte glans en twee geelwitte strepen langs de rug. De punt van de staart is blauw13. Dit dier is herkenbaar aan, en van Gymnophthalmus speciosus te onderscheiden door de gekielde schubben, het leeft op de grond en klimt op stenen en ook in bomen. Wat dit betreft verschilt dit dier van de Gymnophthalmus soorten, die uitsluitend op de grond blijven en zich ophouden in bladafval en op zandige grond waar zij zich snel kunnen ingraven. Tretioscincus bifasciatus is op Aruba zeldzaam.

 


13 Bij experimenteel onderzoek (Cooper en Cooper & Vitt, zie literatuuropgave) naar de functie van blauwe staartpunten bij juveniele skinks van het genus Eumeces, is aangetoond dat de blauwe staartpunt de aandacht van een predator, die reeds dichtbij heeft kunnen komen, afleidt van het lichaam naar de staart. De staartpunt kan verloren gaan door autotomie en later weer regenereren. Door de staartpunt op te offeren kan het dier zijn overlevingskansen bij een aanval vergroten. De oranje staartpunt bij G.lineatus en G. speciosus zou naast de eerder genoemde mimicry van de achterpoten van duizendpoten, eveneens een dergelijke functie kunnen hebben. Er zijn nog andere gevallen van mimicry van duizendpoten door kleine hagedissen bekend (Vitt,1992)