|
De Amfibieën en Reptielen Gerard van Buurt V Slangen
Er zijn diverse families van blinde slangen: Fam: Anomalepididae (Eng: American blind snakes, Dawn blind snakes, Blind snakes), Fam: Leptotyphlopidae (Eng: Slender blind snakes, Thread snakes), Fam: Typhlopidae (Eng: Blind worm snakes, Typical blind snakes).
Het genus Liotyphlops (Eng: Lesser blind snakes) wordt veelal ingedeeld in de Fam: Anomalepididae (Eng: American blind snakes, Dawn blind snakes, Blind snakes). In andere classificaties, is men van mening dat er geen gronden zijn om de American blind snakes te beschouwen als een taxonomische eenheid, een aparte familie. In deze classificaties wordt Liotyphlops dan ingedeeld in de familie: Typhlopidae.
Amerikaanse blinde slangen (Fam: Anomalepidae)
Deze familie komt alleen voor in het zuidelijk deel van Midden-Amerika en het noordelijk deel van Zuid-Amerika.
Liotyphlops albirostris Naamgeving: Papiamentu: Bichi di dos cabes, Engels: Whitenose blind snake, Blind worm-snake, Nederlands: Wormslang, Spaans: Cieguita. Verspreiding: Curaçao, van Costa Rica tot West-Colombia. Beschrijving: Een wormachtige slang die een lengte van 15-20 cm en een diameter van ongeveer 3 mm kan bereiken. Op de kop is er een grote schub die een wittige kleur heeft. De tong is wit en gevorkt. De slang is van boven donkerbruin en aan de onderzijde lichter van kleur. De ogen zijn zichtbaar als kleine zwarte vlekjes en bevinden zich onder doorzichtige schubben. Deze slangen leven van de eieren en pupae van mieren en termieten. Zij worden vooral aangetroffen in tuinen op vochtige plaatsen met zachte grond, waar zij mieren en miereneieren kunnen zoeken. Overdag raken deze dieren zeer snel oververhit, zij kunnen absoluut niet tegen de zon. Na regenbuien ziet men deze dieren zich soms bovengronds bewegen. Op de Dienst LVV werden deze dieren in de droge tijd `s ochtends aangetroffen in enkele pas gegraven kuilen, waar zij `s nachts ingevallen waren. Hieruit valt op te maken dat zij zich `s nachts bovengronds bewegen. Hoewel deze slangen een geheel gladde indruk maken kunnen zij verrassend goed klimmen.
Een familie die in de Neo-tropen en ook in de Oude Wereld voorkomt.
Leptotyphlops albifrons Naamgeving: Een synoniem is Leptotyphlops tenella. Papiamentu: Colebra di plata, Colebra di suerte, Engels: Wagler's blind snake, White-faced worm snake, Slender blind snake, Nederlands: IJzerslangetje, Wormslang, Zilverslang, Spaans Venezuela: Cieguita. Verspreiding: Bonaire, Trinidad, op het vasteland van Venezuela tot Argentinië. Deze soort wordt beschouwd als een soort uit Amazonia, die niet op eilanden voorkomt. Zeer waarschijnlijk is dit dier door de mens op Bonaire geïntroduceerd
Deze slang lijkt veel op Liotyphlops albirostris, maar het schubbenpatroon op de kop is anders, het dier wordt iets groter en is veel lichter van kleur. De romp heeft 14 rijen schubben. Meestal leggen zij vier lange dunne eieren. Over de levenswijze van deze grotendeels ondergronds levende slangen is weinig bekend. De meeste soorten Leptotyphlops leven vooral van termieten. Zij produceren een reukstof een zgn. pheromoon, waardoor de termieten deze slang als "medetermiet" herkennen en niet aanvallen. Hierdoor kunnen zij de termieten nesten binnendringen. Zij kunnen ook het spoor van termieten volgen en op deze wijze hun nesten vinden. Het is niet bekend in hoeverre Leptotyphlops albifrons op Bonaire dezelfde levenswijze heeft. De termieten op deze eilanden (Nasutitermes sp.) maken boomnesten. L. albifrons kan ook klimmen en kruipt achter de losse bast van bomen waar het eieren legt. Het is waarschijnlijk dat deze slang op Bonaire termietennesten kan bereiken en termieten en mieren eet.
De Colubridae is verreweg de grootste familie van slangen. Deze familie heeft vertegenwoordigers op alle continenten (met uitzondering van Antarctica). In Australië zijn zij echter in mindere mate vertegenwoordigd. Engelse namen voor deze familie zijn: Advanced snakes, Colubrid snakes, Typical snakes.
Leptodeira annulata bakeri Naamgeving: Papiamentu:
Santanero, Engels: Baker's cat-eyed snake, Aruba cat-eyed snake.
In Zuid-Amerika komen andere ondersoorten van Leptodeira annulata
voor en kent men voor deze de volgende namen: Engels: Banded cat-eyed
snake, Banded night snake, Banana snake, Engels Trinidad: Mapepire,
Surinaams Nederlands: Katteoogslang, katslang, Sranang tongo: Pina Owroekoekoe,
Spaans Venezuela: Sapa, Falsa Mapanare. De naam Banana snake slaat op
het feit dat deze slang vaak in transporten van bananen wordt aangetroffen.
Verspreiding: Leptodeira annulata is een algemeen voorkomende slang met een wijde verspreiding in Midden- en Zuid-Amerika. De ondersoort Leptodeira annulata bakeri was tot voor kort alleen bekend van Aruba. Thans is gebleken dat deze ondersoort niet endemisch is voor Aruba, maar ook in Paraguaná voorkomt, waar deze op vele locaties werd aangetroffen (Mijares-Urrutia, Markezich en Arends,1995). Sommige auteurs beschouwen Leptodeira annulata bakeri als een aparte soort, te weten: Leptodeira bakeri. Er zijn kleine verschillen tussen de populaties op Aruba en die in Paraguaná. In het noordelijk deel van Venezuela treft men ook de ondersoort Leptodeira annulata ashmeadi, vooral in de omgeving van Coro. Andere soorten en ondersoorten die in het noordoostelijk deel van Zuid-Amerika voorkomen zijn: Leptodeira annulata annulata en Leptodeira septentrionalis ornata. Beschrijving: Een slang met bruine dwarsbanden of bruine vlekken op een lichtbruine of bruingele achtergrond. Deze slang bereikt een lengte van maximaal ongeveer 70 cm. Het dier leeft vooral in bomen, maar beweegt zich ook over de grond. Het is een nachtdier dat op Aruba vooral Anolis hagedissen eet (Brongersma, Schall 1975), maar zo nu en dan ook whiptails. In de regentijd worden kikkers gegeten. De pupil is verticaal. De cat-eyed snakes behoren tot de zgn. rear-fanged snakes, die giftanden achterin de bovenkaak bezitten.De prooi wordt niet gewurgd, maar met deze giftanden geïmmobiliseerd. De beet van deze slang is enigszins giftig, doch niet dodelijk. De beet kan zeer pijnlijk zijn, vooral wanneer het een diepe beet betreft.
Liophis triscalis Naamgeving en classificatie: syn. Leimadophis triscalis
en Coluber triscalis Beschrijving: Dit is een slang die een lengte van meer dan een meter heeft en die doorgaans grijs of bruingrijs is met drie lichtbruine strepen op de rug en twee op de staart. Bij exemplaren uit Banda Abao zijn de strepen soms onderbroken en is er een patroon van langgerekte vlekken. Het is een dagdier dat vooral vroeg in de ochtend jaagt. De pupil is rond. Het dier eet o.a. hagedissen14 en kikkers. Grotere prooi wordt eerst gewurgd.
Adders en Groefkopadders (Fam: Viperidae)
Tot de Viperidae horen de adders van de Oude Wereld en de groefkopadders (Eng: Pit vipers). De groefkopadders bezitten een gat of groeve tussen het oog en de neusgaten die een warmtegevoelig orgaan bevat (dit is de oorsprong van de Spaanse naam "Cuatronarices" d.w.z. met vier neusgaten). Deze zeer gevoelige organen kunnen temperatuurverschillen van slechts 0,003 0C nog waarnemen. Alle groefkopadders zijn giftig. Er zijn Aziatische groefkopadders en de groefkopadders van de Nieuwe Wereld. Tot de groefkopadders van de Nieuwe Wereld behoren alle ratelslangen, de bushmaster, copperheads, cottonmouth's en Brothrops-soorten zoals de mapanare, fer de lance etc.etc.
Crotalus durissus unicolor Naamgeving: Papiamentu: Cascabel, Engels: Aruba dwarf rattlesnake,
Aruba Island rattlesnake, Aruba Cascabel. Nederlands: Arubaanse ratelslang.
De Zuid-Amerikaanse Crotalus durissus heeft op het vasteland o.a.
de volgende namen: Spaans Venezuela: Cascabel, Cascabel común,
Cascabel enana,
Verspreiding: Van de 26 bekende soorten ratelslangen is Crotalus durissus de enige ratelslang die ten zuiden van de Isthmus van Tehuantepec voorkomt, de Engelse naam "Neotropical rattlesnake" geeft dit weer. Crotalus durissus komt voor in alle Zuid-Amerikaanse landen, met uitzondering van Ecuador en Chile. In Venezuela komt deze slang ook voor op Isla de Margarita en op Los Testigos. De Neotropical rattlesnake leeft in droge gebieden, in savannes en in bossen met een droogtebestendige vegetatie. In de tropische regenwouden wordt deze slang niet aangetroffen. Beschrijving: De Neotropische ratelslang kan een
lengte van 1,80 m bereiken. Opvallende kenmerken zijn het ruitenpatroon
op het lichaam, twee strepen op de kop, en de gekielde schubben, die in
vergelijking met andere soorten ratelslangen sterker ontwikkeld zijn.
De Arubaanse ratelslang is een dwergras dat meestal kleiner
dan 1 m is en wellicht een maximale lengte van 1 m kan bereiken. Ook op
het vasteland zijn er dwergvormen, die voorkomen in geïsoleerde populaties
in de savannes en droge gebieden van Noord-Oost Venezuela (Campbell &
Lamar). De Arubaanse vorm is echter zodanig karakteristiek qua vorm, kleur
en gedrag, dat deze als een aparte ondersoort beschouwd wordt. Sommige
auteurs beschouwen deze slang als een aparte soort: Crotalus unicolor.
De Arubaanse ratelslang variëert in kleur. Er zijn drie verschillende
kleurpatronen (color "morphs"). Er zijn exemplaren die lichtgrijs
zijn, andere die geel-lichtbruin of beige-oranjebruin zijn. Het patroon
op het lichaam is flets en veel minder opvallend dan bij de exemplaren
van het vasteland.
De in Venezuela en Colombia voorkomende ondersoort Crotalus durissus cumanensis heeft een zeer duidelijk ruitenpatroon (fig. 63). De naam unicolor slaat op het fletsere, meer gelijkmatige kleurpatroon. De ruiten zijn er wel, maar zijn niet duidelijk zichtbaar. Bij de volwassen geel-lichtbruine exemplaren ziet men het ruitenpatroon geheel niet. Jonge dieren hebben een scherper minder flets kleurpatroon, de ruiten zijn zichtbaar. Deze jonge dieren lijken wat dit betreft wat meer op, maar verschillen toch ook duidelijk van Crotalus durissus cumanensis van het vasteland. De ratelslangen jagen `s nachts op kleine zoogdieren, vogels, hagedissen, kikkers ed. Deze slang heeft een verticale pupil. De beet is giftig. De Neotropische ratelslang is duidelijk minder aggressief dan andere soorten ratelslangen zoals bv. de Western diamondback (Crotalus atrox) en de Western rattlesnake (Crotalus viridis) (zie Hardy, 1995). Ook waarschuwen zij met hun ratel. De Arubaanse ratelslang is zelfs in het geheel niet aggressief, men moet hen zeer dicht naderen, of beetpakken voordat zij bijten. Dit voor ratelslangen extreem dociele gedrag is waarschijnlijk ontstaan als gevolg van de lange isolatie van de populatie op Aruba waar deze slang lange tijd de top-predator in het ecosysteem was en er geen of nauwelijks andere dieren waren die een bedreiging voor dit dier vormden. Pas met de komst van de mens op het eiland en de latere introductie van honden, katten en hoefdieren kwam hier verandering in. Ondanks het feit dat deze slang geheel niet aggressief is hebben er in de loop der jaren enkele ongevallen plaatsgevonden. Dit waren vrijwel alle ongelukken die te wijten waren aan het feit dat de betreffende personen de slang hadden beetgepakt. Alle patiënten herstelden zich na verloop van tijd na in het ziekenhuis behandeld te zijn. Ratelslangen zijn ovovivipaar; de jongen komen vlak voor de geboorte uit het ei, of soms tijdens of vlak na de geboorte. De Arubaanse ratelslang krijgt meestal 6-9 jongen per keer. In één geval kreeg een ratelslang die door personeel van het Parke Arikok tijdelijk in gevangenschap werd gehouden 16 jongen. Hiervan waren er twee waarschijnlijk te klein en zwak om in de natuur te kunnen overleven (med. Hr. R de Kort).
De Arubaanse ratelslang is een bedreigde soort die thans (1997) echter nog niet op de CITES lijsten is ondergebracht. Deze slang valt in Nederland, tezamen met alle andere ratelslangen, onder de Wet Bedreigde Uitheemse Dier- en Plantesoorten (BUDEP). Er zijn schattingen (1995) dat het totale aantal van deze slangen in het wild slechts rond de 225 exemplaren zou liggen. Hiermee is een kritische situatie bereikt. Indien de populatie verder in aantal terugloopt, gaat ook inteelt een rol spelen. Door de toename van de bevolking op Aruba en de toenemende economische ontwikkeling staat de populatie onder druk. Slangen die te dicht bij woonhuizen komen, worden door de bevolking gedood en ook komen slangen om doordat zij door voertuigen worden overreden. Verder worden er slangen gedood door rondzwervende honden en katten. Zeer waarschijnlijk is ook de sterfte als gevolg van vertrapping door loslopend vee, zoals geiten, schapen en ezels, significant voor zo'n kleine populatie. Deze slang kruipt bij gevaar namelijk niet weg, maar blijft liggen en waarschuwt met de ratel.
Slangen zijn doof, zij kunnen wel trillingen in de grond opvangen, maar het geluid van de ratel kunnen zij niet horen. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat de ratel een sociale functie heeft. Aannemelijk is dat het typische geluid dat de ratel voortbrengt dient om predatoren af te schrikken. Sommige soorten adders schudden bij gevaar met de staart; de ratel bij ratelslangen zou op deze wijze geëvolueerd zijn. De ratelslangen zijn ontstaan in Noord-Amerika. Er wordt wel verondersteld dat de ratel de slangen in open gebieden zoals de Amerikaanse prairies, bescherming zou bieden tegen vertrapping door grote herbivoren, zoals herten en bisons. Hiervoor zijn er echter geen duidelijke bewijzen. In ieder geval is de bescherming die de ratel biedt niet altijd afdoende en komt het voor dat ratelslangen vertrapt worden door hoefdieren. In het algemeen eten ratelslangen warmbloedige prooi,
zoals muizen, ratten en andere kleine zoogdieren en ook vogels. Zoals
alle groefkopadders beschikken ook de ratelslangen over warmtegevoelige
sensoren in de kop, waarmee zij kleine temperatuurverschillen kunnen waarnemen
en waarmee zij `s nachts deze warmbloedigen kunnen opsporen. Zo kan een
ratelslang in een terrariumbak, ook wanneer hij vervelt en daarom tijdelijk
niet kan zien, toch een hand die zich voor het glas beweegt precies volgen.
Koudbloedigen, zoals hagedissen zijn een minder geschikte prooi. Verondersteld
wordt dat de Arubaanse ratelslang zich in vroeger tijden vooral gevoed
zou hebben met de thans zeldzame dwergwitvoetmuis (Calomys hummelincki
syn. Baiomys hummelincki). Deze muis, behoort tot een familie van
ratten en muizen die men in de Nieuwe Wereld aantreft, maar waar ook de
hamsters uit de Oude Wereld toe behoren (Fam: Cricetidae). De dwergwitvoetmuis
eet grassen en zaden. Dit dier komt voor op Aruba, Curaçao en in
het Noorden van Venezuela. Op Curaçao wordt deze muis "Djaka
di caña" genoemd, dit omdat men deze dieren vroeger vooral
in Sorghum velden aantrof. Op Aruba wordt de naam "Djaka di
caña" niet gebruikt. Dit dier is op Curaçao15
zeer zeldzaam geworden. Op Aruba is het dier minder zeldzaam. De oorzaken
van de teruggang van de dwergwitvoetmuis zijn zeer waarschijnlijk de import
van de Europese knaagdieren van de Fam: Muridae, zoals de zwarte rat (Rattus
rattus) en de huismuis (Mus musculus), maar misschien ook de
competitie om voedsel met geiten, schapen en ander vee. Het teruglopen
van een zo belangrijke voedselbron heeft zeer waarschijnlijk een negatieve
rol voor de overleving en het voortbestaan van de Arubaanse ratelslang.
Hier staat tegenover dat de geïmporteerde Europese ratten en muizen
tot op zekere hoogte een vervangende voedselbron vormen. De dwerg-witvoetmuis
komt op Aruba vooral voor op vlakke gebieden waar gras groeit. Op Aruba
is het verspreidingsgebied grotendeels beperkt tot een bijna continue
strook langs de Noordkust (Bekker). De ratelslang wordt daarentegen vooral
aangetroffen in de heuvelgebieden met veel rotsen en vele lage struiken.
Het verspreidingsgebied van beide soorten overlapt slechts gedeeltelijk.
Dit roept de vraag op of de veronderstelling dat de dwergwitvoetmuis in
het pre-Colombiaanse Aruba de belangrijkste prooi van de ratelslang geweest
is juist is. Het is mogelijk dat beide soorten vroeger een groter verspreidingsgebied
hadden.
14 De prooi is niet altijd geheel weerloos. In 1998 werd op de terreinen van de Dienst L.V.V. te Klein Kwartier waargenomen hoe een grote Blausana (Cnemidophorus murinus murinus) een Curaçaosche slang bij de staart te pakken had. De hagedis gaf de slang geen kans om zich op te rollen, door het lichaam van de slang steeds strak te houden. Indien de slang de kop naar rechts bewoog trok de hagedis de staart naar links en viceversa. Als de slang naar voren kroop ging de hagedis iets mee en als de slang naar achter probeerde te bewegen werd deze door de hagedis naar achter getrokken. Deze slang woonde in de holle muren van het L.V.V. kantoor en is dezelfde van de foto van fig. 57. De slang werd enige dagen eerder gevangen en na het nemen van de foto weer losgelaten. Tijdens het gevecht met de hagedis kwam ik te dichtbij en liet de hagedis de slang gaan, die onmiddelijk de holle muur inkroop. Daarna is de slang niet meer gesignaleerd.
15 Het kan zijn dat de dwergwitvoetmuis op Curaçao toch minder zeldzaam is dan wordt verondersteld, maar dat er nog nimmer in de juiste habitats op systematische wijze naar dit dier is gezocht. Een andere mogelijkheid is, dat er, doordat Curaçao een iets minder droog eiland is dan Aruba, een sterkere concurrentie is met de Europese ratten en muizen, die zich in de onherbergzame gebieden waar de dwergwitvoetmuis op Aruba leeft minder goed kunnen handhaven (zie Bekker).
Afgezien van de geïmporteerde soorten die zich reeds blijvend op één of meerdere van deze eilanden hebben gevestigd en die hiervoor reeds behandeld zijn, worden er met zekere regelmaat dieren aangebracht die niet op deze eilanden thuishoren. Het is niet onwaarschijnlijk dat dit in de toekomst tot nieuwe, mogelijk ongewenste, vestiging van soorten zal kunnen leiden. In de afgelopen jaren werden op Curaçao, bij de Dienst Landbouw, Veeteelt en Visserij met zekere regelmaat slangen aangebracht. In de meeste gevallen betrof het boa's die door lokale pet-shops verkocht werden. In het Kabouterbos werd enige jaren terug zelfs een vrij grote boa gedood, die maar liefst twee volwassen leguanen in de maag bleek te bevatten. Tevens vermeldenswaard is een grote boa die zich bij een jacuzzi van een huis aan de Blenchiweg had gevestigd. Elders werd een nest met jonge dieren gevonden. Uit een en ander blijkt dat de dieren, na hun ontsnapping, zich soms nog lang weten te handhaven. Een ieder wordt aangeraden om met name grotere boa's met het nodige respect te benaderen. Hoewel de dieren soms vrij tam zijn, waarschijnlijk als gevolg van een verblijf in gevangenschap, kunnen zij soms ook agressief zijn. Deze dieren hebben scherpe tanden en kunnen zeer gemeen bijten.
Bij de import van sierplanten en bomen die voor landscaping
op het eiland ingevoerd worden, zijn en worden ook exotische soorten ingevoerd.
Zo troffen wij een giftig koraalslangetje (Micrurus fulvius fulvius),
een Eastern blackneck garter snake (Thamnophis cyrtopsis ocellatus)
en een Southern ringneck snake (Diadophis punctatus punctatus)
die meekwamen met palmen uit Florida. In een zending Washingtonia palmen
afkomstig uit Cuba werd een Cubaanse boomkikker gevonden (Osteopilus
septentrionalis); ook ontsnapten enkele hagedissen uit deze bomen.
Deze werden niet meer teruggevonden, er kon derhalve niet bepaald worden
om welke soort(en) het ging.Vermoedelijk uit Venezuela afkomstig, werd
op de De Ruyterkade (thans Sha Caprileskade), een groene boomslang met
witte onderzijde, vermoedelijk een Leptophis-soort aangetroffen.
In een tuin op Curaçao werd een boomslangetje met grote ogen, behorend
tot het genus Imantodes gevonden. Deze was waarschijnlijk afkomstig
uit een tros geïmporteerde bananen van een nabijgelegen fruitwinkel.
Uit Aruba was een Arubaanse ratelslang afkomstig en vermoedelijk ook uit
Aruba een Santanero. Een ieder wordt aangeraden om slangen die men niet
kent, niet met de handen beet te pakken. Ook op Aruba worden met regelmaat
uitheemse
Wellicht zijn er op Aruba, Curaçao en Bonaire nog andere gekko's dan de hier in dit boekje behandelde. Zo werd op Curaçao (Saturnusstraat) een populatie aangetroffen van een uitheemse Phyllodactylus- soort; waarschijnlijk betreft het hier de Venezolaanse soort Phyllodactylus ventralis (fig. 9) Het is niet duidelijk of deze soort inmiddels op Curaçao wellicht al op meer plaatsen voorkomt. Gekko's zijn niet altijd makkelijk te vangen of makkelijk te determineren. Zij houden zich veelal in woonhuizen op waar zij achter kasten kruipen die niet altijd even gemakkelijk te verschuiven zijn. Indien een exemplaar van een vreemde soort wordt aangetroffen is het de vraag of dit een eenling is of dat deze soort ook al elders voorkomt, een wijdere verspreiding heeft en op weg is zich permanent op het eiland te vestigen.
Begin jaren '30, waarschijnlijk 1932, is er op Klein Curaçao een "kaiman" aan land gegaan. De benaming "kaiman" werd in die tijd in het Papiamentu zowel voor kaaimans als voor krokodillen gebruikt. Na een periode van hevige regenval in het tegenoverliggende Venezolaanse kustgebied kwam een dergelijk dier het strand oplopen. Het dier was vrij groot ("basta grandi"); het bleek nogal agressief te zijn en werd na enige dagen door de vuurtorenwachters gedood. Dit alles is destijds niet goed gedocumenteerd. Het vermoeden is dat het hier een Amerikaanse krokodil (Crocodylus acutus) betrof. Met name het agressieve gedrag van het dier wijst in die richting. Deze krokodil zou afkomstig kunnen zijn uit Chichiriviche. In gebieden aan de Venezolaanse kust welke hemelsbreed niet erg ver van Aruba, Curaçao en Bonaire liggen, trof men de Amerikaanse krokodil aan, in Zulia en in Falcón (b.v. bij Pta. Caimán, even ten zuiden van Pto. Cardón en ook nabij Chichiriviche in een gebied dat nu het Parque Nacional Cuare is). Deze krokodil was vroeger langs de Venezolaanse kust zelfs zeer algemeen. Tot in de jaren '40 kwam deze krokodil ook op Isla de Margarita voor. De soort is langs de Venezolaanse kust nu zeer zeldzaam. De informanten wijlen de Hr. Ciro Maduro en de Hr. Kichin Zimmerman hebben dit dier destijds gezien, toen de "kaiman" van Klein Curaçao in hun jeugd, met de staart reeds in mootjes gehakt bij Boca St. Michiel werd binnengebracht. Kichin zij hierover "nos ta bisa kaiman, pero e tabata muchu grandi, awendia nos la bisa krokodil" (We zeggen kaaiman, maar (daarvoor) was hij te groot, tegenwoordig zouden wij krokodil zeggen). In 1910 ging een krokodil aan wal op Grenada. Het betrof hier een Orinoco-krokodil (C. intermedius).
Boy Antoin: fig. 55 Jan Beaujon Jr.: fig. 5. Gerard van Buurt: fig. 3, 4, 6, 7, 8, 11, 12, 13, 15, 16, 17, 18, 19, 21, 23, 24, 25, 26, 27, 30, 32, 33, 34, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 56, 57, 60, 61, 62. Paul Ch. Hoetjes: fig. 9. Elisabeth Kuin: fig. 64, 65 Ronald Montiel: fig. 63. Peter Mudde: fig. 22. R.A. Odum: fig.10, 14, 20. RMNH (Nationaal Natuurhistorisch Museum, Leiden): fig.35 Carlos Tramm: fig. 43. Herman Velvis: fig. 58, 59. Nico Visser: fig. 44. P. Wagenaar Hummelinck: fig. 66 Leo C.M. Wijffels: fig. 28, 29, 31, 46 Leo Wolters: fig. 45
Arnoldo, Fr. M. (1954) - Zakflora. Natuurwetenschappelijke Werkgroep Nederlandse Antillen, Curaçao.
Bartlett, R.D. (1994) - House Geckos and Corn Snakes in the `Glades, with notes on other Florida Geckos. Tropical Fish Hobbyist Magazine, Vol XLIII, No 3 (#465), pg. 110-126.
Bekker, J.P. (1996) - Basisrapport zoogdierkundig onderzoek Aruba. Uitgegeven door de schrijver, Veere, Nederland.
Bennet, A.F., Gleeson, T.T. (1979) - Metabolic expenditure and the cost of foraging in the lizard Cnemidophorus murinus. Copeia pg 573-577.
Blair, F. (Ed) (1972) - The Evolution of the genus Bufo. University of Texas Press, Austin and London.
Briggs, J.C. (1987) - Biogeography and Plate Tectonics. 204 pp. Elsevier.
Brongersma, L.D. (1940) - Snakes from the Leeward group, Venezuela and Eastern Colombia. Studies on the Fauna of Curaçao, Aruba, Bonaire, Venezuelan Islands 2: 115-137.
Brongersma, L.D. (1948) - Frogs from the Leeward group, Venezuela and Eastern Colombia. Studies on the Fauna of Curaçao, Aruba, Bonaire, Venezuelan Islands 3: 34-40.
Brongersma, L.D. (1959) - Some Snakes from the Lesser Antilles. Studies on the Fauna of Curaçao and other Caribbean Islands no. 37, Vol IX.
Burghardt, G.M., Rand, S.A. (1982) - Iguanas of the World, their Behavior, Ecology and Conservation. Noyes Publications, New Jersey.
Burt, C.E. (1935) - A New Lizard from the Dutch Leeward Islands (Cnemidophorus murinus ruthveni). Occasional papers of the Museum of Zoology, no 324, University of Michigan, Ann Arbor, Michigan.
Buurt, G. van (1995) - De Schildpadden van Curaçao en Bonaire. Uitgegeven door de schrijver, Curaçao.
Campbell, J.A., Lamar, W.W. (1989) - The Venemous Reptiles of Latin America. 425pp. Comstock Publishing Associates, Cornell University Press.
Canatella, D.C., de Qeuiroz, K. (1989) - Phylogenetic systematics of the Anoles: Is a new taxonomy warranted? Syst. Zool., 38(1): 57-69
Carl, G., Peterson, K.H., Hubbard R.M. (1982) - Reproduction in captive Aruba Island rattlesnakes, Crotalus unicolor. Herp. review 13(3):5.
Cole, C. J., Dessauer, H. C. (1993) - Unisexual and bisexual whiptail lizards of the Cnemidophorus lemniscatus complex (Squamata: Teiidae) of the Guiana Region, South America, with descriptions of new species. American Museum Novitates. (3081) :1-30.
Cole, C. J., Dessauer, H. C., Townsend C.J., Arnold, M.G. (1990) - Unisexual lizards of the genus Gymnophthalmus (Reptilia: Teiidae) in the Neotropics: Genetics, origin, and systematics. American Museum Novitates. (2994) :1-29.
Cooper, W.E. Jr (1998) - Relative and anticipatory display to deflect predatory attack to an autotomous lizard tail. Can.J.Zool., 76: 1507-1510.
Cooper, W.E. Jr (1998) - Conditions favoring anticipatory and reactive displays deflecting predatory attack. Behavioral Ecology, Vol 9 No. 6: 598-604.
Cooper, W.E. Jr., Vitt, L.J. (1985) - Blue Tails and Autotomy: Enhancement of Predation Avoidance in Juvenile Skinks. Z. Tierpsychol., 70, 265-276.
Cooper, W.E. Jr., Vitt, L.J. (1991) - Influence of detectability and ability to escape on natural selection of conspicuous autotomous defenses. Can.J.Zool., 69: 757-764.
Curet, E.A. (1992) - Stratigraphy and Evolution of the Tertiary Aruba basin. Journal of Petroleum Geology, Vol 15(3), pp. 283-304.
Dearing, M.D., Schall, J.J. (1992) - Testing models of optimal diet assembly by the generalist herbivorous lizard Cnemidophorous murinus. Ecology, 73(3), pp. 845-858.
Dearing, M.D. (1993) - An alimentary specialization for herbivory in the tropical whiptail lizard Cnemidophorus murinus. J. Herpetol. 13(3) 303-311.
Dixon, J.R., Huey, R.B. (1970) - Systematics of the lizards of the gekkonid genus Phyllodactylus of mainland South America. Los Angeles County Museum, Contributions to Science 192. pg. 1-78.
Dixon, J.R. (1989) - A key and checklist to the neotropical snake genus Liophis with country lists and maps. Smithsonian Herpetological Information Service 1989(79):1-40
Duellman, W.E., Veloso, A.M. (1977) - Phylogeny of Pleurodema (Anura: Leptodactylidae): a biogeographic model. Museum of Natural History, The University of Kansas, Lawrence, Kansas. Occasional Papers no. 64, pp. 1-46.
Duellman, W.E. (Ed.) (1979) - The South American Herpetofauna: its Origin, Evolution and Dispersal. Museum of Natural History, The University of Kansas Monograph no. 7. Ewert, M.A., Nelson C.E. (1991) - Sex Determination in Turtles: Diverse patterns and some possible adaptive values. Copeia, 1991 (1) pp. 50-69.
Fläschendräger, A., Wijffels, L.C.M. (1996) - Anolis. Natur und Tier Verlag, Matthias Schmidt, Münster.
Frank, N., Ramus, E. (1996) - A Complete Guide to Scientific and Common Names of Reptiles and Amphibians of the World. Second ed. NG Publishing Inc. Pottsville, Pa.
Freiberg, M. (1982) - Snakes of South America. TFH. Publications, Neptune, N.J. 189 pp.
Gasc, J-P. (1990) - Les lezards de Guyane. Editions Raymond Chabaud, Paris.
Goin, C.J, Goin, O.B, Zug, G.R. (1978) - Introduction to Herpetology. Third ed. W.H. Freeman & Co, San Fransisco.
Grzimek, B. (Ed.) (1975) - Animal Life Encyclopedia, Vol. 6 Reptiles, Van Nostrand Reinhold Co. English ed.
Hardy, D. L. (1975) - The Aruba Island Rattlesnake (Crotalus durissus unicolor): Epidemology and Treatment Aspects of Envenomation. In: Aruba Island Rattlesnake Conservation Action Plan. The Toledo Zoological Society, Toledo, U.S.A.
Haseth de, C.P. (1993) - Kikkermotieven op Indiaanse artefacten van Curaçao, Aruba en Bonaire. Kristòf, jgr. VIII-4, pg. 17-28.
Hedges, S.B. (1996) - The origin of West Indian Amphibians and Reptiles. pp.95-128, In: Contributions to West Indian Herpetology; Society for the Study of Amphibians and Reptiles, Contributions in Herpetology, Ithaca, N.Y.
Hedges, S.B. (1999) - Distribution patterns of Amphibians in the West Indies. In: Duellman, W.E. ed. Patterns of Distribution of Amphibians, A Global Perspective, John Hopkins Univ.Press.
Henderson, A., Galeano, G., Bernal, R. (1995) - Field Guide to the Palms of the Americas. Princeton University Press, Princeton, U.S.A.
Henkel, F.W., Schmidt, W. (1995) - Geckoes. Krieger Publishing Co, Malabar, Florida.
Heselhaus, R., Schmidt, M. (1990) - Karibische Anolis. 87 pp. Herpetologischer Fachverlag, Münster.
Hooijer, D.A. (1967) - Pleistocene Vertebrates of the Netherlands Antilles. In: Pleistocene Extinctions, The Search for a Cause. Yale University Press.
Kauffeld, C.F., Gloyd, H.K. (1939) - Notes on the Aruba rattlesnake, Crotalus unicolor. Herpetologica (6): 156-160.
King, G. (1996) - Reptiles and Herbivory. Chapman & Hall. London.
Kluge, A.G. (1969) - The evolution and geographical origin of the New World Hemidactylus mabouia brookii complex (Sauria: Gekkonidae). Misc. Publ. Mus. Zool. Univ. Michigan 138: 1-78.
Kluge, A.G. (1993) - Gekkonoid Lizard Taxonomy. Mus. Zool. and Dept. of Biol. Univ. Michigan, Ann Arbor Michigan.
Lammarée, L. (1970) - Lizards of the genus Cnemidophorus from the Leeward group and the adjacent mainland of South America. Studies on the Fauna of Curaçao and other Caribbean Islands 34 (61): 46-72.
Lanzini V, A.R. (1979) - Serpientes de Venezuela. 262 pp. Eda. Ernesto Armitano, Caracas.
Lazell, J.D. (1972) - The Anoles (Sauria, Iguanidae) of the Lesser Antilles. Bulletin of the Museum of Comparative Zoology, Harvard University, Cambridge, Massachusetts, vol. 143, no 1.
Mac Lean, W.P. (1982) - Reptiles and Amphibians of the Virgin Islands. 54 pp. Mac Millan Education Ltd.
Malhotra, A., Thorpe, R S. (1999) - Reptiles and Amphibians of the Eastern Caribbean, Macmillan Education Ltd, London & Oxford.
Manzanilla Puppo, J., Fernández-Badillo, A., La Marca, E., Visbal García, R. (1995) - Fauna del Parque Nacional Henri Pittier, Venezuela: Composicion y Distribucion de los Anfibios. Acta Científica Venezolana 46: 294-302.
Manzanilla Puppo, J., Fernández-Badillo, A., Visbal García, R. (1996) - Fauna del Parque Nacional Henri Pittier, Venezuela: Composicion y Distribucion de los Reptiles. Acta Científica Venezolana 47: 191-204.
Marken Lichtenbelt, W. D. van (1991) - Energetics of the Green Iguana, Iguana iguana in a semi-arid environment. Diss, Univ. of Groningen.
Marken Lichtenbelt, W. D. van (1993) - Optimal foraging of a herbivorous lizard, the green iguana in a seasonal environment. Oecologia 95: 246-256
Marken Lichtenbelt, W. D. van, Albers, K.B.M. (1993) - Reproductive adaptations of the green iguana on a semi-arid island. Copeia 1993: 790-798. Marken Lichtenbelt, W. D. van, Wesselingh, R.A., Vogel, J.T., Albers, K.B.M. (1993) - Energy budgets in free-living green iguanas in a seasonal environment. Ecology 74: 1157-1172.
Marken Lichtenbelt, W. D. van, Vogel, J.T., Wesselingh, R.A. (1997) - Energetic consequences of field body temperatures in the green iguana. Ecology 78: 297-307.
Markezich, A.L., Cole, C.J., Dessauer, H.C. (1997) - The Blue and Green Whiptail lizards (Squamata: Teiidae: Cnemidophorus) of the peninsula de Paraguaná, Venezuela: Systematics, Ecology, Descriptions of Two New Taxa, and Relationships to Whiptails of the Guianas. Novitates No 3207, 60 pp.
Martins, M. (1989) - Deimatic behavior in Pleurodema brachyops. Jour. Herp., 23: 305-307.
Mattison, C. (1992) - Frogs & Toads of the World. 189 pp. Blandford.
Mattison, C. (1992) - Lizards of the World. 192 pp. Blandford.
Mattison, C. (1996) - Rattler, A natural History of Rattlesnakes. 144 pp. Blandford.
Meeuwen, H.M. van (1974) - Aantekeningen over de systematische positie en de biologie van Gymnodactylus antillensis Lith de Jeude, 1877. Lacerta 32, no. 12, pp. 185-200, 1974.
Mijares-Urrutia, A., Markezich, A.L., Arends, A. (1995) - Hallazgo de Leptodeira bakeri (Serpentes: Colubridae) en la Península de Paraguaná, nor-mediooeste de Venezuela. Caribb.J.Sci.31(1-2): 77-82.
Moonen, J., Eriks, W., Deursen, K. van (1978) - Surinaamse slangen in kleur. 119 pp, Kersten & Co NV, Paramaribo.
Murphy, J.C. (1997) - Amphibians and Reptiles of Trinidad and Tobago. Krieger, Malabar, Florida.
Obst, F.J. Richter, K., Jacob, U. (1988) - Atlas of Reptiles and Amphibians for the Terrarium. English ed, Walls, J.G. editor. T.F.H. books, Neptune, NJ.
Odum, R.A. (1992) - A checklist of the Amphibians and Reptiles of Aruba. In: Aruba Island Rattlesnake (Crotalus durissus unicolor), Population and Habitat Viability Assessment Briefing Book, Aruba.
Ostrom, J.H. (1963) - Further comment on herbivorous lizards. Evolution 17(3): 368-369.
Rand, A.S., Rand P.J. (1967) - Field notes on Anolis lineatus in Curaçao. Studies on the Fauna of Curaçao and other Caribbean Islands Vol. XXIV, no. 93: 112-117.
Reinert, H.K., Bushar, L.M., Odum, R.A. (1995) - Recommendations for the Conservation and Management of the Aruba Island rattlesnake on Aruba (Crotalus unicolor). In: Aruba Island Rattlesnake Conservation Action Plan. The Toledo Zoological Society, Toledo, U.S.A. Renfijo, J,M. (1997) - Ranas y Sapos de Colombia. Editorial Colina, Medellin y Santafé de Bogotá.
Rivero, J.A. (1978) - Los Anfibios y Reptiles de Puerto Rico/ The Amphibians and Reptiles of Puerto Rico. Univ. de Puerto Rico, Editorial Universitaria.
Rooij, N. de (1922) - Reptiles and Amphibians of Curaçao. Bijdr. Dierk. 22, pp. 249-253.
Rösler, H. (1995) - Geckos der Welt, Alle Gattungen. 256 pp. Urania Verlag, Leipzig/ Jena/ Berlin.
Roughgarden, J. (1995) - Anolis lizards of the Caribbean. Ecology, Evolution and Plate Tectonics, Oxford University Press, 200 pp.
Roze, J.A. (1956) - La Herpetofauna de las islas Los Roques y La Orchila. Memorias de la Sociedad de Ciencias Naturales la Salle 1956:79-86.
Roze, J.A. (1966) - La Taxonomia y Zoogeografia de los Ofidios de Venezuela. Ediciones de la biblioteca no. 28, Universidad Central de Venezuela, Caracas.
Ruthven, A.G. (1915) - Description of a new subspecies of Cnemidophorus lemniscatus Laurenti. Occasional papers of the Museum of Zoology, no. 16, University of Michigan, Ann Arbor, Michigan.
Ruthven, A.G. (1923) - The Reptiles of the Dutch Leeward Islands. Occasional papers of the Museum of Zoology, no. 134, University of Michigan, Ann Arbor, Michigan.
Ruthven, A.G. (1924) - The subspecies of Ameiva bifrontata. Occasional papers of the Museum of Zoology, no. 155, University of Michigan, Ann Arbor, Michigan.
Ruthven, A.G. (1936) - Leptodeira bakeri, New Species. Occasional papers of the Museum of Zoology, no. 330, University of Michigan, Ann Arbor, Michigan.
Savage, J.M., Guyer, C. (1989) - Infrageneric classification and species composition of the anole genera, Anolis, Ctenonotus, Dactyloa, Norops and Semiurus (Sauria: Iguanidae). Amphibia-Reptilia 10:105-116. E.J. Brill, Leiden.
Schall, J.J. (1973) - Relations among three macroteiid lizards on Aruba Island. J.Herpetol.7:289-295, 1973.
Schall, J.J. (1974) - Population structure of the Aruban whiptail lizard Cnemidophorus arubensis. Herpetologica 30: 38-44.
Schall, J.J. (1975) - Factors influencing the distribution of the Aruban whiptail lizards, Cnemidophorus arubensis. Stud. Fauna Curaçao and other Caribbean Islands 153: 94-108. Schall, J.J. (1983) - Small clutch size in a tropical whiptail lizard (Cnemidophorus arubensis). J. Herpetol. 17(4) 406-408.
Schall, J.J., Ressel, S. (1991) - Toxic plant components and the diet of the predominantly herbivorous whiptail lizard, Cnemidophorus arubensis. Copeia 1991(1), 111-119.
Schwartz, A., Henderson, R.W. (1985) - A guide to the identification of the Amphibians and Reptiles of the West Indies, exclusive of Hispaniola. Milwaukee Public Museum. 165 pp.
Schwartz, A., Henderson, R.W. (1991) - Amphibians and Reptiles of the West Indies: Descriptions, Distributions, and Natural History. University of Florida Press. 720 pp.
Scott, N.J, Jr., Ayala, S.C. (1984) - Geographic distribution: Tretioscincus bifasciatus. Herpetological Rev. 15(1):21
Simpson, G.G. (1980) - Splendid Isolation: The curious history of South American Mammals. Yale University Press, New Haven, Conn.
Stafford, P.J., Meyer J.R. (2000) - a guide to the Reptiles of Belize. Academic Press, London.
Szarski, H. (1962) - Some remarks on herbivorous lizards. Evolution 16(4): 529.
Thomas, R. (1965) - The smaller teiid lizards (Gymnophthalmus and Bachia) of the Southeastern Caribbean. In: Proceedings of the Biological Society of Washington, Vol.78: pg. 141-154.
Thornton, I. (1996) - Krakatau, the destruction and reassembly of an island ecosystem. Harvard University Press.
Tyler, M.J.(1994) - Australian frogs, A Natural History. Reed Books, Chatswood, Australia.
Uyen, O. (1997) - De slangen van Aruba. Stinapa no. 14.
Vanzolini, P.E (1968) - Lagartos brasileiros da familia gekkonidae (Sauria). Arq. Zool. S. Paolo, Vol 17 (1):1-84
Vanzolini, P.E., Ramos-Costa, A.M.M., Vitt, L.J. (1980) - Repteis das Caatingas. Academia Brasileira de Ciências, Rio de Janeiro.
Vitt, L.J. (1992) - Mimicry of millipedes and centipedes by elongate terestial vertebrates. Research and Exploration. 8:76-95.
Vries de, W., (1974) - Notes on Cerionidae. Stud. Fauna Curaçao and other Caribbean Islands 146: 81-117.
Wagenaar Hummelinck, P. (1940) - Studies on the Fauna of Curaçao, Aruba, Bonaire and the Venezuelan Islands. Dissertatie Utrecht. Wassén, H. (1934) - The Frog-Motive among the SouthAmerican Indians. Ornamental studies. Anthropos, Vol. XXIX, pp.319-370
Welch, K.R.G. (1994) - Lizards of the World, a checklist Vol 1, Geckos. 165 pp, KCM books, Taunton, Somerset, England.
Wijngaarden, R. van (1989) - Enige opmerkingen over de Herpetofauna van Curaçao. Lacerta, 46, no. 12 pg. 188-193.
Williams, E. E. (1989) - A critique of Guyer and Savage (1986): Cladistic relationships among anoles (Sauria: Iguanidae): Are the data available to reclassify the anoles? In: Biogeography of the West Indies, pp 433-478. Sandhill Crane press, Gainesville, Florida (Charles A. Woods ed.).
Wright, J.W., Vitt, L.J. (eds.) (1993) - Biology of Whiptail lizards
(Genus Cnemidophorus). Oklahoma Museum of Natural History, Norman,
Oklahoma.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||