STATEN VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN
---------------------------------------------------------
LANDSVERORDENING houdende regelen in verband met de visserij in de
territoriale zee en de visserijzone van de Nederlandse Antillen
(Visserijlandsverordening)
---------------------------------------------------------
MEMORIE VAN TOELICHTING
------------------------
|
Algemene toelichting
De Nederlandse Antillen beschikken thans niet over wetgeving die specifiek
betrekking heeft op de economische exploitatie van vis. In het verleden
bestond daaraan ook weinig behoefte. De visserijactiviteiten in de wateren
rondom de eilanden waren van betrekkelijk geringe omvang, en er waren geen
aanwijzingen dat Zij een bedreiging vormden voor de visstand.
Langzamerhand is hierin verandering gekomen. Door de toegenomen activiteiten,
ook van buitenlandse vissersschepen, in de wateren rondom de eilanden is
het thans gewenst over te gaan tot regulering van deze activiteiten. Een
van de redenen voor de toename van activiteiten van buitenlandse vissersschepen
is de instelling, inmiddels door vrijwel alle landen In de Caribische regio,
van visserijzones buiten de territoriale zee tot 200 zeemijl uit de kust
waarbinnen de visserij door de kuststaat wordt gereguleerd. Alleen Aruba
en de Nederlandse Antillen zijn daartoe nog niet overgegaan, waardoor
een zekere verplaatsing van visserijactiviteiten naar de wateren van deze
landen heeft plaatsgevonden. Deze situatie Is ongewenst; het is dan ook
het voornemen van de regering te bevorderen dat zo spoedig mogelijk tot
instelling van een visserijzone voor de Nederlandse Antillen wordt overgegaan.
De onderhavige landsverordening zal dan ook eveneens in dat gebied (naast
de territoriale zee) van toepassing zijn.
De visserij is thans op de Nederlandse Antillen niet van grote economische
betekenis. Desondanks is deze sector van belang daar zij aan een groot
aantal mensen werk of neveninkomsten verschaft. ook worden de meeste boten
locaal gebouwd hetgeen afgeleide werkgelegenheid genereert. Naar verhouding
is er een hoge toegevoegde waarde en dus hoge deviezenbesparing. De sector
heeft een veel grotere sociale importantie dan men op grond van alleen
het geld dat er mee gemoeid is zou verwachten. Voor de kleine eilanden
Saba en St. Eustatius welke d
Op de Saba-bank bestaat het vispotentieel vooral uit demersale soorten
(snapper, grouper, kreeft, conch of karkó), terwijl er in de overige
wateren een potentieel aan pelagische vissoorten is (tonijnsoorten, zwaardvis,
dorado, rainbow runner en haaien).
Een belangrijk voordeel van het beschikken over visserijwetgeving is
dat het daardoor mogelijk wordt meer en betere gegevens te verkrijgen over
de visvangsten in de Antilliaanse wateren. Dergelijke gegevens zijn onmisbaar
voor een verantwoord beheer van de visstapels in onze wateren.
Verwacht mag worden dat, vooral in de aanloopfase maar ook daarna, de
opgedane ervaringen met de toepassing van deze verordening kunnen leiden
tot aanpassing van deze wetgeving. De verhouding tot de regelgeving op
andere terreinen, zoals natuurbeheer en mieubescherming, zal daarbij ook
een rol spelen.
Zoals in de considerans staat vermeld beoogt het voorliggende ontwerp
de economische exploitatie van vis te reguleren. De bescherming van het
mariene milieu en natuurbeheer vallen derhalve buiten de reikwijdte en
doelstelling van deze verordening. Dat betekent overigens niet dat met
de bescherming van het economisch belang niet tevens belangen van natuur
en -milieu kunnen zijn gediend.
Het onderhavige ontwerp is voorbereid door een "Commissie Visserijzone
Nederlandse Antillen", ingesteld bij Landsbesluit van 18 december 1989,
no. 8510/JAZ, waarin alle vijf Eilandgebieden waren vertegenwoordigd en
waarin volledige overeenstemming werd bereikt. Vervolgens hebben alle vijf
Bestuurscolleges van de Eilandgebieden- ingestemd met het ontwerp. Het
ontwerp is in nauwe samenwerking met prof. mr. A.H.A. Soons, hoogleraar
Volkenrecht te Utrecht en directeur van het Netherlands Institute for the
Law of the Sea, tot stand gekomen.
Het ontwerp gaat, in navolging van de visserijwetgeving in andere landen,
uit van het op 10 december 1982 te Montego Bay gesloten Verdrag van de
Verenigde Naties inzake het recht van de zee (VN Zeerechtverdrag, Trb.
1984, 55). Hoewel dit verdrag nog niet in werking is getreden wordt het
algemeen beschouwd, voor wat de onderhavige materie betreft, als een weergave
van het geldende gewoonterecht.
Binnen de territoriale zee (tot 12 zeemijl uit de kust) is de kuststaat
volledig bevoegd de visserij te reguleren.
In Deel V van het Verdrag, betreffende de zogenaamde "exclusieve economische
zone" staan de bepalingen die betrekking hebben op de visserij in zeegebieden
voorbij de territoriale zee onder jurisdictie van de kuststaat. Deze komen
er in het kort op neer dat de kuststaat gerechtigd is
een zone in te stellen (tot maximaal 200 zeemijl uit de kust) waarin
deze de uitsluitende rechtsbevoegdheid uitoefent met betrekking tot visserijaangelegenheden.
Vissen mag uitsluitend met toestemming van de kuststaat. Deze laatste is
verplicht de visstapels in stand te houden. Hij dient voor zijn zone naar
beste vermogen de "total allawable catch" (TAC) vast te stellen. De TAC
is de hoeveelheid vis die kan worden gevangen in de visserijzone zonder
dat de instandhouding van de vispopulatie in gevaar komt. De kuststaat
dient voorts, onder door hem zelf vast te stellen voorwaarden, vissers
van andere landen in de gelegenheid te stellen dat deel van de TAC te vangen
dat de eigen vissers niet kunnen vangen (het "surplus").
Hoofdlijnen van het ontwerp
Het ontwerp heef t als uitgangspunt dat vissen op commerciële schaal
in de territoriale zee en in de visserijzone een vergunning behoeft.
Regulering
De grens van zes bruto registerton is gekozen omdat deze tevens zal
worden gehanteerd in het nieuwe Nederlands Antilliaans Zeebrievenbesluit.
Aangezien open vaartuigen geen inhoud hebben is voor die gevallen een lengte-grens
(twaalf meter) vastgesteld.
De bevoegdheidsverdeling behoef t een korte nadere toelichting. Volgens
de ERNA is de visserij te beschouwen als een eilandelijke aangelegenheid.
De eilandelijke bevoegdheid strekt zich echter niet uit buiten de territoriale
zee. De visserij in de in te stellen visserijzone is derhalve een Landsaangelegenheid.
Echter, in bee gevallen (visserij in de territoriale zee en in de visserijzone)
zijn er ook elementen van buitenlands beleid (bijvoorbeeld de nakoming
van volkenrechtelijke verplichtingen) bij betrokken, derhalve zelfs een
Koninkrijksaangelegenheid, die regeling op tenminste Landsniveau rechtvaardigt.
Voorts is het met name voor buitenlandse commerciële vissers van belang
om voor het zeegebied van de Nederlandse Antillen met één
visserijregiem te worden geconfronteerd. Tenslotte vergt de aard van de
materie zelf om een overkoepelende regeling — gefragmenteerde regelgeving
op dit terrein zou uiterst ineffectief zijn.
Toch is gekozen voor een systeem waarbij de vergunningverlening en regelgeving
voor de kleinschalige, locale traditionele visserij blijft voorbehouden
aan de Eilandgebieden. Het Land zal voornamelijk als vergunningverlener
en regelgever optreden voor de grootschaliger commerciële visserij,
verder op zee. Op deze wijze blijft de eilandelijke autonomie voldoende
gewaarborgd.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1
Dit artikel bevat enige definitiebepalingen.
onder het begrip "vissen" wordt slechts begrepen het aanwenden van
enig middel om vis te bemachtigen. Dientengevolge vallen handelingen die
in het geheel niet als uitoef enen van de visserij dienen te worden beschouwd
buiten de reikwijdte van de wet. Dit betekent wel dat in beginsel slechts
bij betrapping op heterdaad kan worden opgetreden. Doordat echter het bedrijfsgereed
hebben van vistuigen uitdrukkelijk eveneens onder de omschrijving van vissen
is gebracht zal in de praktijk de bewijsvoering dat werd gevist (of gepoogd
werd vis te vangen) worden vergemakkelijkt.
Krachtens de Machtigingswet instelling visserijzone (Stb. 1977, 345)
is de Kroon bevoegd een visserijzone in te stellen. Ten behoeve van Nederland
is reeds een visserijzone ingesteld bij het Besluit van 23 november 1977
(Stb.
665) tot uitvoering van de artikelen 1, 2 en 3 van de Machtigingswet instelling
visserijzone. De instelling van een visserijzone voor de Nederlandse Antillen,
welke bij Algemene Maatregel van Rijksbestuur moet geschieden, is momenteel
in voorbereiding.
De in te stellen visserij zone, die zich voorbij de territoriale zee
in beginsel mag uitstrekken tot 200 zeemijl (ongeveer 370 kilometer) uit
de kust, zal echter door de aanwezigheid van buurlanden nergens tot die
afstand reiken. De buitengrens van de visserijzone wordt zoveel mogelijk
gevormd door de grenslijn die met andere staten is overeengekomen. Dit
is echter thans alleen nog maar geschied met Venezuela (Grensverdrag van
1978, Trb. 1978, 61). Met de navolgende buurlanden zijn nog geen
grenslijnen overeengekomen: Dominicaanse Republiek, Verenigde Staten, Verenigd
Koninkrijk, Frankrijk en St. Kitts en Nevis. In deze gevallen zal de middellijn
als grens gelden totdat de grenslijn bij verdrag is overeengekomen.
Daar waar de territoriale zee van de Nederlandse Antillen grenst aan
die van buurlanden (Frankrijk en St. Kitts) geldt eveneens de middellijn
als grens. De grens met de visserijzone van Aruba wordt gevormd door de
zeegrens vastgesteld bij Rijkswet van 12 december 1985, P.B. 1986, no.
23.
Artikel 2
Het eerste lid stelt een verbod op het vissen in de territoriale zee
en in de Visserijzone zonder vergunning.
Het tweede lid is bedoeld om alle kleinere locale vissersschepen die
in de territoriale zee vissen uit te zonderen van het bepaalde in lid 1.
Schepen groter dan 6 bruto registerton of 20 m3 inhoud worden bij de scheepvaartinspectie
geregistreerd, terwijl de kleinere schepen bij de eilandelijke havendiensten
geregistreerd staan. De bepalingen in deze verordening sluiten aan bij
deze reeds bestaande situatie. Regulering van de laatste categorie schepen
kan indien zulks nodig blijkt per eilandsverordening geschieden.
Ingevolge het derde lid kunnen de verschillende eilanden zelf beslissen
of zij de kleinschalige visserij binnen de territoriale zee aan een vergunningstelsel
willen onderwerpen, hetzij voor alle vissers. hetzij uitsluitend voor buitenlandse
vissers. Een duidelijk vergunningsvereiste kan gewenst zijn in verband
met het gebruik van kleine "catcher boats" die vanaf een moederschip, gelegen
buiten de territoriale zee, kunnen opereren.
Het zal in de huidige situatie veelal niet wenselijk zijn om ook lokale
kleinschalige visserijvaartuigen aan een eilandelijk vergunningsstelsel
te onderwerpen, doch deze mogelijkheid dient toch open te worden gelaten
om ongewenste situaties die zich in een verdere toekomst zullen kunnen
voordoen te kunnen reguleren, er rekening mee houdende dat de wetgeving
op de Antillen veelal vele decennia meegaat alvorens herzien te worden.
De visserijsituatie in het buitenland leert dat vroeg of laat algehele
overexploitatie van de natuurlijke resources optreedt indien de overheid
niet sterk regulerend optreedt. Veelal blijkt het nodig als gevolg van
de toenemende exploitatiedruk door vissers maar ook door diverse andere
belangengroepen die ook- hun impact op het milieu hebben, maatregelen te
treffen die tot dan toe onvoorzien, overbodig of zelfs ongewenst, waren.
In de huidige situatie zullen eilandelijke vergunningsregelen waarvan
instelling gewenst is, meest aan het gebruik van bepaalde vismethoden gebonden
zijn (bijvoorbeeld gebruik van treknetten, gillnets, vangst van aquariumvissen).
Ook zullen er eilandelijke regels ten aanzien van vistuigen welke vanaf
kleine schepen binnen de territoriale zee gebruikt worden gesteld moeten
kunnen worden, evenals maatregelen ter bescherming van bedreigde diersoorten.
Deze eilandelijke regelgeving zal zoveel mogelijk bij het in het Visserijlandsbesluit
bepaalde dienen aan te sluiten, doch ook moet rekening gehouden worden
met de diverse eilandelijke rifbeheerverordeningen, welke een analoge strekking
hebben doch nochtans van eiland tot eiland kunnen verschillen. Er is hier
sprake van overlapping van reikwijdte.
Het vierde lid is bedoeld om sportvissers op schepen buiten de 12 mijlszone
of schepen groter dan zes bruto registerton uit te zonderen, doch slechts
voor zover zij zich bezig houden met sportvisserij en met ten hoogste vier
hand of sleeplijnen vissen. Zodra er andere vismethoden van commerciële
aard gebruikt worden dienen ook deze schepen een vergunning te hebben.
De vangsten van deze sportvissers zijn in verhouding tot commerciële
schepen zeer gering zodat uitzondering niet in strijd is met het uitgangspunt
dat de visserij op commerciële schaal gereguleerd dient te worden.
Voor het geval tijdens viswedstrijden wordt gevist door vaartuigen met
-meer dan vier lijnen bevat he
Het vijfde lid bepaalt dat de vergunning door of namens de Minister,
gehoord de Visserijcommissie wordt verleend. Teneinde de eilandgebieden
zoveel mogelijk inspraak te geven bij de afgifte van vergunningen voor
het vissen in de territoriale zee rondom het desbetreffende eilandgebied
is de laatste volzin opgenomen.
Ingevolge het zesde lid wordt de vergunning voor het vissen in de visserijzone
met kleine vaartuigen verleend door het Bestuurscollege van het Eilandgebied
waar de betrokken visser woont. Deze bepaling is vooral opgenomen voor
de Sabaanse vissers die op de Saba Bank, buiten de territoriale zee, vissen.
De in het zevende lid opgenomen ontheffingsmogelijkheid houdt verband
met verplichtingen voortvloeiend uit het hierboven reeds vermelde Zeerechtverdrag.
Bij de advisering omtrent ingediende verzoeken om ontheffing kan een rol
worden vervuld door de onlangs ingestelde Nationale Coördinerende
Raad voor Zeeonderzoek en Zeeactiviteiten. (P.B. 1990 no. 2).
Het achtste lid dient ertoe de onderzksresultaten mede aan het Land
en betrokken eilandgebied ter kennis te doen komen.
Artikel 3
Leden 1 en 2:
Teneinde te voorkomen dat vistuigen worden gebruikt die schadelijk zijn
voor de visstand is in dit artikel de bevoegdheid opgenomen om bij lhndsbesluit,
houdende algemene maatregelen, het gebruik van bepaalde vistuigen te reguleren.
Tevens wordt de mogelijkheid geschapen om bij landsbesluit regels te stellen
met betrekking tot de soorten en minimum maten van vis waarop het is toegestaan
te vissen en met betrekking tot de vissoorten welke men niet bij zich mag
houden of mag aantasten.
Lid 1 is van toepassing op vergunninghouders en op ieder ander in de
visserijzone en regelt het verbod om met bepaalde vistuigen te vissen,
alsmede het verbod om op bepaalde vissoorten te vissen of deze te behouden.
Een ieder die in de visserijzone wil vissen moet een vergunning van
het land hebben, tenzij het schip vist met maximaal 4 sleep- of handlijnen.
Eveneens moeten schepen, groter dan 6 bruto registerton of langer dan 12
m deklengte die binnen de territoriale zee willen vissen een vergunning
hebben van het Land. De bepalingen van lid 1 zijn van toepassing binnen
de territoriale zee op schepen groter dan 6 bruto registerton of langer
dan 12 m deklengte. Tevens echter moeten bepalingen die betrekking. hebben
op beschermde diersoorten van kracht zijn voor anderen die vanaf een schip
dat geen vissersschip is incidenteel beschermde soorten zouden vangen.
Lid 2 (het verbod om bepaalde vistuigen of vissoorten aan boord te hebben)
daarentegen is alleen op vergunninghouders van toepassing daar andere schepen
zich kunnen beroepen op het recht van vrije doorvaart.
Lid 3
Teneinde een verantwoord visbeleid te kunnen voeren is het noodzakelijk
gegevens te verkrijgen van de vergunninghouders met betrekking tot het
visgebied, de fishing effort, gevangen soorten en gebruikte vismethoden.
Ingevolge het derde lid kunnen bij landsbesluit regels hieromtrent worden
vastgesteld.
Artikel 4
Het wordt aan de Eilandgebieden overgelaten de kleinschalige visserij
binnen de territoriale zee te reguleren.
De in te stellen Visserijcommissie zal een belangrijke rol dienen te
vervullen teneinde de eilandelijke regelingen zoveel mogelijk te uniformeren
en hun toepassing te coördineren.
Artikel 5
Het is momenteel niet noodzakelijk een zogenaamd gesloten tijdvak in
te voeren. De behoefte daartoe zou zich eventueel wel in de toekomst kunnen
opdringen, bijvoorbeeld met betrekking tot het vissen op zwaardvissen,
kreeften en schelpdieren. Onderhavig artikel verleent de minister de bevoegdheid
om alsdan bij ministeriële regeling een gesloten tijdvak in t
Artikel 6
In dit artikel wordt geregeld aan welke vereisten voldaan moet worden
om in. aanmerking te komen voor een visvergunning. Ten eerste zal gekeken
worden naar de vispopulatie. Indien het voortbestaan en de natuurlijke
ontwikkeling van de visstand zich ertegen verzetten dat meer dan een bepaald
aantal beroepsvissers in de visserijzone vissen, zal een volgende aanvraag
moeten worden afgewezen. Ten tweede zal gekeken worden naar ingezetenschap
van de aanvrager. ondergetekenden achten het wenselijk dat ingezetenen
voorrang op een visrecht hebben boven niet ingezetenen. Dit onderscheid
wordt uitdrukkelijk erkend door eerder vermeld VN Zeerechtverdrag.
Artikel 7
De artikelen 7 tot en met 11 bevatten enige bepalingen van administratiefrechtelijke
aard. Van belang is met name het zesde lid van artikel 7 waarin limitatief
intrekkingsgronden worden vermeld.
Het is de bedoeling standaardformulieren te ontwerpen voor het aanvragen
van de vergunning en voor de vergunningen zelf.
Artikel 8
Zonder de bepaling van het eerste lid zou een vergunninghouder
met ieder willekeurig vaartuig zijn vergunning kunnen exploiteren. Dit
zou het toezicht op de naleving van deze landsverordening te zeer bemoeilijken.
In een dergelijke situatie zou immers leder vissend vaartuig gecontroleerd
moeten worden op het bezit van een vergunning ten einde te kunnen nagaan
of de wet wordt nageleefd. De koppeling van een vergunning aan een bepaald
vaartuig zal het werk van de politieboten aanzienlijk verlichten.
Het kan voorkomen dat een vergunninghouder tijdelijk geen gebruik kan
maken van zijn vaartuig. Men denke in dit verband o.a. aan reparatiewerkzaamheden
voor de duur waarvan de vergunninghouder een ander vaartuig heeft gehuurd.
Ingevolge het tweede lid kan een door de Minister aan te wij zen instantie
in dergelijke gevallen toestemming verlenen om gebruik te maken van dat
andere vaartuig. Het ligt voor de hand dat in dergelijke gevallen uitsluitend
wordt toegestaan van een vergelijkbaar (of kleiner) vaartuig gebruik te
maken. Indien een vergunninghouder een ander vaartuig aanschaft dat hij
permanent wil exploiteren dient hij daarvoor een nieuwe vergunning aan
te vragen.
Artikel 10
Met behulp van de krachtens dit artikel verzamelde gegevens zal het
mogelijk zijn een goed beeld te vormen van de eerder genoemde "total allowable
catch" in de Antilliaanse viswateren. Aan de hand van het statistisch materiaal
kan vervolgens het aantal te verlenen of verlengen vergunningen worden
vastgesteld.
Voor de goede orde zij erop gewezen dat deze gegevens, voor zover zij
individueel traceerbaar zijn, niet voor andere doeleinden (bijvoorbeeld
belastingheffing) aan andere instanties ter beschikking mogen worden gesteld.
Zie in dit verband ook artikel 14.
Artikel 11
Bij het verlenen of verlengen van een vergunning wordt zoals reeds vermeld
rekening gehouden met twee criteria; ten eerste het voortbestaan en de
natuurlijke ontwikkeling van de visstand, ten tweede het ingezetenschap.
Het tweede criterium verzet zich tegen overdraagbaarheid van de vergunning.
Indien dit immers wel mogelijk zou zijn, zouden ingezetenen hun vergunning
kunnen vervreemden aan niet-ingezetenen; op deze wijze zou het uitgangspunt
van het vergunningstelsel—de voorrang van ingezetenen boven niet-ingezetenen—gefrustreerd
worden.
Artikel 12
Een vergunninghouder zal met behulp van zijn visvergunning aanzienlijke
geldelijke voordelen kunnen verkrijgen. Anderzijds zal de overheid zich
kosten moeten getroosten om de voorwaarden te scheppen en in stand te houden
waaronder de vergunninghouder zijn vergunning kan exploiteren. Men denke
o.a. aan, de extra werkzaamheden die dat zal inhouden voor de politieboten
en voor de Diensten Landbouw, Veeteelt en Visserij. Onderhavig artikel
legt de basis voor de heffing van een recht.
Artikel 13
Door instelling van een Visserijcommissie als in dit artikel omschreven,
wordt bereikt dat de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de eilandgebieden
volledig tot hun recht komen in het te voeren visserijbeleid, waaronder
het verlenen van vergunningen voor de commerciële visserij en het
uitvaardigen van algemene voorschriften.
Artikel 14
Het derde lid van artikel 3 bepaalt dat bij landsbesluit houdende algemene
maatregelen regels kunnen worden gesteld ten aanzien van de gegevens die
door de vergunninghouders dienen te worden bijgehouden en de wijze waarop
dit dient te geschieden. Ingelge artikel 10 zijn vergunninghouders verplicht
statistisch materiaal op verzoek van de door de Minister aangewezen instantie
te verstrekken met betrekking tot de omvang en de samenstelling van de
vangst alsmede van de vangstgebieden. Het onderhavige artikel bepaalt expliciet
dat het een ieder die uit hoofde van deze landsverordening of van het krachtens
deze landsverordening bepaalde een taak vervult, verboden is de gegevens
en inlichtingen die hij krijgt anderszins gebruik te maken of daarvan anders
bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak strikt noodzakelijk.
Artikel 15
Het economisch voordeel dat kan worden behaald door illegaal te vissen
is niet onaanzienlijk. Ten einde te voorkomen dat het ten gevolge van een
geringe straf aantrekkelijk wordt om de Landsverordening te overtreden
is de maximale geldboete op NAfl. 500.000,= gesteld.
Artikelen 16, 17 en 18
In deze artikelen worden aan toezichthoudende en opsporingsambtenaren
bevoegdheden verleend die zij nodig hebben om hun taak te kunnen uitvoeren.
Indien de Staten onderhavig ontwerp goedkeuren, is de regering voornemens
onder andere enige ambtenaren van de Diensten Landbouw, Veeteelt en Visserij
aan te wijzen als toezichthoudend ambtenaar, met name ten behoeve van het
toezicht op buitenlandse vissers. De in artikel 17, vijfde lid, bedoelde
bevoegdheid behoeft slechts te worden toegekend voor het geval geen ontdekking
op heterdaad plaats had, daar het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse
Antillen deze bevoegdheid reeds geeft bij ontdekking op heterdaad.
Artikel 19
Deze bepaling is geredigeerd naar analogie van de in andere wettelijke
regelingen voorkomende bepalingen met betrekking tot strafbaarheid van
rechtspersonen.
Artikel 20
De werking van de Nederlands-Antilliaanse strafwet beperkt zich in principe
tot het grondgebied en de territoriale zee van de Nederlandse Antillen.
Bestraffing van de bij of krachtens de artikelen 2, 3 en 4 strafbaar gestelde
feiten zou evenwel illusoir zijn indien de strafwet niet van toepassing
zou zijn. Ingevolge het meergenoemde Zeerechtverdrag is. een land bevoegd
om binnen zijn visserijzone regels te stellen die noodzakelijk--zijn om
zijn rechten in de zone te kunnen uitoefenen. In onderhevig artikel wordt
gebruik gemaakt van deze bevoegdheid.
Artikel 21
Deze bepaling houdt onder meer direct verband met artikel 73 van het
Zeerechtverdrag. Dat artikel bepaalt immers dat een land overtreding van
wetten en voorschriften inzake de visserij, die zijn begaan binnen de visserijzone,
niet mag bestraffen met vrijheidsbeneming of andere vormen van lichamelijke
straf. Deze beperking is uiteraard enkel van toepassing op overtredingen
van niet-ingezetenen en wel voor zover begaan binnen de vis
Artikel 22
Alhoewel er naar gestreefd wordt de inwerkingtreding van deze verordening
en van de instelling van de visserijzone (bij Algemene Maatregel van Rijksbestuur)
gelijktijdig te doen plaatsvinden biedt het eerste lid de mogelijkheid
deze verordening reeds eerder in werking te laten treden, maar dan uitsluitend
voor het territoriale zeegebied.
Voorts is het gewenst een overgangstermijn te creëren, na het in
werking treden van de verordening, waarbinnen degenen die voortaan een
vergunning nodig hebben de gelegenheid hebben deze aan te vragen. Het zal
immers praktisch niet uitvoerbaar zijn een ieder terstond na de inwerkingtreding
een vergunning te verlenen. De overgangstermijn is bepaald op vier maanden
voor buitenlandse vissers en twaalf maanden voor de eigen ingezetenen.
De minister van Algemene Zaken,
De Minister van Justitie,
|