Ao 1993

PUBLICATIEBLAD
No 110

LANDSBESLUIT van de 22ste november 1993, no. 14,
regelende de Inwerkingtreding van de Visserijlands-
verordening (P.B. 1991, no. 74).

DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,

Op de voordracht van de Minister van Algemene Zaken en de Minister van Justitie;

Gelet op:
Artikel 23 van de Visserijlandsverordening (P.B. 1991, no. 74);

HEEFT GOEDGEVONDEN:

Artikel 1

De Visserijlandsverordening (P.B. 1991, no. 74) treedt in werking met ingang van 1 december 1993.

Artikel 2

Dit landsbesluit wordt in het Publicatieblad geplaatst.
 

Willemstad, 22 november 1993
J.M. SALEH
De Minister van Algemene Zaken,
M.PH. LIBERIA-PETERS

De Minister van Justitie,
S.F.C. RÖMER

Uitgegeven de 25ste november 1993
De Minister van Algemene Zaken,
M.PH. LIBERIA-PETERS
 


Ao 1991

PUBLICATIEBLAD
No 74

LANDSVERORDENING van de 11de juli 1991 houdende regelen in verband met de visserij in de territoriale zee en de visserijzone van de Nederlandse Antillen (Visserijlandsverordening).


  IN NAAM DER KONINGIN!


DE WNDE. GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,

         In overweging genomen hebbende:

dat het wenselijk is regelen te steunen in verband met de economische exploitatie van vis in de territoriale zee en in de visserijzone van de Nederlandse Antillen, mede strekkende tot de instandhouding van soorten; 

         Heeft, de Raad van Advies gehoord, met gemeen overleg der Staten, vastgesteld onderstaande landsverordening: 

Hoofdstuk I 

Begripsbepalingen 

Artikel 1

  1. In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: 

  2. de Minister:           de Minister van Algemene Zaken; 
    vissen:                   het te water brengen, te water hebben, lichten, ophalen of anderszins
                                 bedrijfsgereed hebben van vistuigen, alsmede het aanwenden van enig
                                 ander middel om vis te bemachtigen;
    Visserijcommissie: de commissie ingesteld krachtens artikel 13;
    visserijzone:          de zone ingesteld krachtens de Machtigingswet instelling visserijzone
                                (Stb. 1977, no. 345).
  3. In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder vis mede verstaan: 
    1. schaaldieren, schelpdieren en overige weekdieren, zeewieren, koralen, zeezoogdieren, schildpadden, zeesterren en zee-egels;
    2. kuit en broed van vis;
    3. broed en zaad van schaal- en schelpdieren.
Hoofdstuk II 

Algemene Bepalingen 

Artikel 2

  1. Het is verboden in de territoriale zee en in de visserijzone te vissen zonder vergunning.
  2. Het in het eerste lid bedoelde verbod is behoudens het bepaalde in het derde lid in de territoriale zee niet van toepassing op degene die vist met een vaartuig met een inhoud van minder dan zes bruto registerton of lengte van minder dan twaalf meter. De lengte van het vaartuig wordt hierbij gemeten van de aansnijding van het dek of het doorgestrookte dek met de voorsteven tot aan de binnenkant van de spiegel.
  3. Bij eilandverordening kan worden bepaald, dat voor het vissen in de territoriale zee met een vaartuig als bedoeld in het tweede lid een vergunning van het bestuurscollege van het desbetreffende eilandgebied vereist is
  4. Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op degene die vist met een vaartuig waarop ten hoogste vier sleep- of handlijnen in gebruik zijn
  5. De vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt door of namens de Minister, gehoord de Visserijcommissie verleend. Indien de vergunning mede zal gelden voor het territoriale zeegebiedondom een eilandgebied kan deze slechts worden verlengd met instemming van de vertegenwoordiger van het desbetreffende eilandgebied in de Visserijcommissie.
  6. In afwijking van het bepaalde in het vijfde lid wordt aan ingezetenen van de Nederlandse Antillen de vergunning voor bet vissen in de visserijzone met een vaartuig als bedoeld in het tweede lid verleend door het bestuurscollege van het eilandgebied waarop zij woonachtig zijn.
  7. Door of namens de Minister, gehoord de Visserijcommissie, kan ontheffing worden verleend van het verbod bedoeld in het eerste lid ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek.
  8. Een ontheffing als bedoeld in het zevende lid wordt slechts verleend onder de voorwaarde dat de resultaten van het onderzoek ter beschikking zullen worden gesteld aan het land en de desbetreffende eilandgebieden.
  9. Door of namens de Minister kan ontheffing worden verleend van het verbod bedoeld in het eerste lid ten behoeve van het houden van viswedstrijden. De ontheffing wordt verleend aan de instantie die de wedstrijd organiseert en heeft betrekking op alle voor de wedstrijd ingeschreven vaartuigen. De ontheffing geldt voor de daarbij aangegeven dagen.
Artikel 3
  1. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld ten aanzien van:
    1. vistuigen waarmee het is toegestaan te vissen;
    2. de te vangen vis.
  2. Het is aan vergunninghouders verboden aan boord te hebben:
    1. andere vistuigen, dan die waarmee het krachtens het in het eerste lid bedoelde landsbesluit is toegestaan te vissen;
    2. andere vissoorten dan die waarop het krachtens het in het eerste lid bedoelde landsbesluit is toegestaan te vissen;
    3. andere vis, dan die welke men krachtens het in het eerste lid bedoelde landsbesluit mag behouden.
  3. Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld ten aanzien van de gegevens die door vergunninghouders dienen te worden bijgehouden en de wijze waarop dit dient te geschieden.
Artikel 4
  1. Bij eilandverordening kunnen voor het vissen met een vaartuig als bedoeld in het tweede lid van artikel 2, in het territoriale zeegebied rondom het desbetreffende eilandgebied, regels worden gesteld.
  2. De regels die ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 3 en het eerste lid van dit artikel worden vastgesteld dienen zoveel mogelijk met elkaar overeen te komen.
  3. Op de plaatsen waar de territoriale zee tussen eilandgebieden minder breed is dan 24 zeemijlen wordt voor de toepassing van deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen de grens tussen de twee eilandgebieden gevormd door de middellijn. De middellijn is de lijn waarvan elk punt gelegen is op gelijke afstand van de dichtstbijzijnde punten op de basislijn van waaraf de breedte van de territoriale zee rondom de eilandgebieden wordt gemeten.
Artikel 5

De Minister kan, gehoord de Visserijcommissie, voor een bepaald tijdvak een visverbod instellen. Dit tijdvak kan voor de verschillende vissoorten verschillend worden vastgesteld. 

Artikel 6

  1. Vergunningen als bedoeld in artikel 2, kunnen, voor zover het voortbestaan en de natuurlijke ontwikkeling van de visstand zich er niet tegen verzetten, worden verleend aan: 
    1. natuurlijke personen, ingezetenen van de Nederlandse Antillen;
    2. in de Nederlandse Antillen gevestigde naamloze vennootschappen waarvan hetzij aandelen, welke tenminste twee derde van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, luiden ten name van ingezetenen van de Nederlandse Antillen, en tevens de meerderheid der bestuurders ingezetenen van de Nederlandse Antillen zijn, hetzij alle bestuurders ingezetenen van de Nederlandse Antillen zijn.
    3. in de Nederlandse Antillen gevestigde stichtingen en rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen, waarvan alle bestuurders ingezetenen van de Nederlandse Antillen zijn.
  2. Bedoelde vergunningen kunnen slechts aan andere dan de in het eerste lid genoemde personen worden verleend, voorzover het voortbestaan en de natuurlijke ontwikkeling van de visstand zich er niet tegen verzetten, dat behalve aan degene aan wie krachtens het eerste lid een vergunning is verleend, ook aan deze anderen een vergunning wordt verleend.
Artikel 7
  1. Een vergunning wordt slechts op schriftelijk verzoek verleend. De Minister kan, gehoord de Visserijcommissie, algemene regelen stellen betreffende de gegevens welke bij het verzoek dienen te worden verstrekt alsmede de wijze waarop het verzoek dient te worden ingediend.
  2. In de vergunning wordt de naam en het registratienummer van het vaartuig vermeld.
  3. Een vergunning wordt slechts verleend nadat het krachtens artikel 12 verschuldigde recht is voldaan.
  4. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De aan een vergunning verbonden voorschriften kunnen ambtshalve of op verzoek worden gewijzigd of ingetrokken. Van een voorgenomen wijziging dient de vergunninghouder tijdig op de hoogte te worden gesteld.
  5. De beslissing op het verzoek wordt schriftelijk aan de verzoeker medegedeeld; de weigering geschiedt onder opgave van de redenen daarvan.
  6. Een vergunning kan door of namens de Minister, gehoord de Visserijcommissie. worden ingetrokken:
    1. indien de voor de verkrijging daarvan verschafte gegevens zodanig onvolledig of onjuist blijken te zijn, dat de vergunning niet zou zijn verleend als de juiste gegevens volledig bekend waren geweest;
    2. indien wordt gehandeld in strijd met het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde;
    3. indien wordt gehandeld in strijd met de voorwaarden van de vergunning.
  7. Een beschikking tot intrekking van een vergunning of wijziging van de aan de vergunning verbonden voorschriften is met redenen omkleed en wordt schriftelijk aan de betrokkene medegedeeld. Het achtste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing.
  8. Indien een vergunning wordt geweigerd kan de verzoeker het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba verzoeken de weigering ongegrond te verklaren. De derde titel van het eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is op deze procedure van toepassing. Verklaart dit Hof de weigering ongegrond dan beschikt de Minister, gehoord de Visserijcommissie, opnieuw op het verzoek, met inachtneming van de beschikking van het Hof. Tegen de beschikking van het Hof staat geen rechtsmiddel open.
  9. Het niet beschikken binnen drie maanden na indiening van het verzoek, wordt, behoudens het bepaalde in het vierde lid van artikel 8, voor de mogelijkheid van beroep gelijk gesteld met een weigering.
  10. Het verzoek waarbij de voorziening wordt gevraagd, is met redenen omkleed.
Artikel 8
  1. Een vergunning wordt verleend voor een periode van ten hoogste twaalf maanden.
  2. Na het verstrijken van de periode waarvoor de vergunning is verleend, wordt deze telkens door of namens de minister, gehoord de Visserijcommissie, verlengd voor ten hoogste twaalf maanden, tenzij het voortbestaan of de natuurlijke ontwikkeling van de visstand zich hiertegen verzetten. Artikel 7 is van overeenkomstige toepassing.
  3. Een krachtens artikel 6, tweede lid, verleende vergunning wordt niet verlengd, indien het voornemen bestaat een of meer vergunningen te verlenen aan personen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, en het voortbestaan en de natuurlijke ontwikkeling van de visstand zich tegen deze verlenging, onder gelijktijdige verlening van de vergunning krachtens artikel 6 eerste lid zouden verzetten.
  4. Verlenging van een vergunning dient te worden aangevraagd tenminste drie maanden v66r het verstrijken van de termijn van de geldigheid van een vergunning. Indien de aanvraag voor een verlenging tijdig is ingediend, en de beslissing op het verzoek tot verlenging niet binnen drie maanden na haar indiening is genomen, wordt de vergunning geacht te zijn verlengd tot het moment waarop de beslissing aan de verzoeker is medegedeeld.
Artikel 9
  1. Een vergunning kan slechts op 66n, in de vergunning aangewezen, vaartuig betrekking hebben.
  2. De vergunning dient aan boord van het vaartuig aanwezig te zijn en op eerste vordering van de opsporingsambtenaren te worden getoond.
  3. De. Minister of een door de Minister aan te wijzen instantie kan toestemming verlenen om tijdelijk gebruik te maken van een vaartuig ter vervanging van het in de vergunning aangewezene.
  4. In de schriftelijke toestemming wordt de periode waarvoor deze geldt, alsmede de naam en het registratienummer van het andere vaartuig vermeld.
Artikel 10

Vergunninghouders zijn uitsluitend ten behoeve van de verzameling van statistisch materiaal verplicht op verzoek van de door de Minister aangewezen instantie als bedoeld in artikel 9, derde lid, gegevens te verstrekken met betrekking tot de omvang en de samenstelling van hun vangst alsmede van 

Artikel 11

Een vergunning is niet overdraagbaar. 

Artikel 12

Degene aan wie vanwege het land een vergunning verleend wordt, is aan het land een recht verschuldigd. De hoogte en de wijze van inning daarvan worden bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vastgesteld. 

Hoofdstuk III

De Visserijcommissie 

Artikel 13

  1. Er is een Visserijcommissie.
  2. De Visserijcommissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en vijf andere leden. De leden van de Visserijcommissie, de voorzitter daaronder begrepen, worden telkens voor de periode van 6 jaren benoemd.
  3. De voorzitter wordt benoemd en kan ontslagen worden door de Minister. leder eilandgebied benoemt een lid. Het eilandgebied dat een lid heeft benoemd kan dit lid ontslaan. Een zodanig lid handelt in overeenstemming met het standpunt van het bestuurscollege van het desbetreffende eilandgebied.
  4. Aan de Visserijcommissie wordt een secretaris toegevoegd, die door de Minister wordt benoemd en ontslagen.
  5. De leden en de secretaris van de Visserijcommissie ontvangen een vergoeding welke door de Minister wordt vastgesteld. De uitgaven die hieruit voortvloeien komen ten laste van het land.
  6. De Visserijcommissie besluit bij meerderheld van tenminste vier stemmen.
  7. De Visserijcommissie heeft, naast hetgeen in andere bepalingen van deze landsverordening is bepaald, tot taak:
    1. het volgen van de ontwikkeling van de visstand en de visserijactiviteiten in de territoriale zee en de visserijzone van de Nederlandse Antillen;
    2. het, op verzoek en uit eigen beweging, geven van advies aan de Minister en de bestuurscolleges der eilandgebieden omtrent visserij-aangelegenheden.
  8. Omtrent ontwerpen tot wijziging van deze landsverordening en omtrent ontwerpen van landsbesluiten, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van deze landsverordening wordt de Visserijcommissie gehoord.
Hoofdstuk IV 

Geheimhoudingsplicht

Artikel 14

Het is aan een ieder, die uit hoofde van deze landsverordening of van het krachtens deze landsverordening bepaalde een taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge of krachtens deze landsverordening verkregen, verder of anders gebruik te maken of daarvan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak strikt noodzakelijk is. 

Hoofstuk V 

Strafbepalingen 

Artikel 15

  1. Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 2, 3 en 5 bepaalde, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden en geldboete van ten hoogste vijfhonderdduizend gulden, hetzij met een van deze straffen.
  2. Het niet voldoen aan een verzoek als bedoeld in artikel 10, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee weken of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
  3. Het niet voldoen aan een vordering als bedoeld in het eerste lid van artikel 17, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van ten hoogste duizend gulden.
De feiten, strafbaar gesteld bij dit artikel, worden als overtredingen beschouwd. 

Artikel 16

Met het toezicht op de naleving en het opsporen van de overtredingen van deze landsverordening zijn behalve de in artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen aangewezen personen belast de door de Minister en de Minister van Justitie aangewezen personen. 

Artikel 17

  1. De in artikel 16 bedoelde personen zijn uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs noodzakelijk is, bevoegd:
    1. van iedere vergunninghouder en van ieder waarvan vermoed wordt dat deze zonder vergunning heeft gehandeld, alle inlichtingen te verlangen;
    2. van iedere vergunninghouder en van ieder waarvan vermoed wordt dat deze zonder vergunning heeft gehandeld, inzage te verlangen van alle boeken en bescheiden en daarvan afschrift te nemen;
    3. goederen van vergunninghouders en van ieder waarvan vermoed wordt dat deze zonder vergunning heeft gehandeld, aan opneming en onderzoek te onderwerpen en deze daartoe tijdelijk mee te nemen;
    4. alle plaatsen, met uitzondering van woningen, te betreden, vergezeld van door hen aangewezen personen.
  2. Zo nodig verschaffen zij zich de toegang tot een plaats als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, met behulp van de sterke arm.
Artikel 18
  1. De in artikel 16 bedoelde personen zijn ter vervulling van hun taak bevoegd te vorderen, dat gezagvoerders van vaartuigen ' met uitzondering van openbare vervoermiddelen, deze doen stilhouden en onderzoek toestaan van de zich daarin bevindende voorwerpen. Zij kunnen tevens vorderen, dat de gezagvoerders overeenkomstig hun aanwijzingen terzake medewerking verlenen.
  2. De Minister kan, in overeenstemming met de Minister van Justitie, regelen stellen omtrent de wijze waarop een vordering als bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan.
  3. Ook buiten het geval van ontdekking op heterdaad kunnen de in artikel 16 bedoelde personen voor inbeslagneming vatbare voorwerpen op elke plaats in beslag nemen. Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, is van toepassing.
Artikel 19
  1. Indien een bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gesteld feit wordt begaan door of vanwege een rechtspersoon, een vennootschap, enige andere vereniging van personen of een doelvermogen, wordt de strafvervolging ingesteld en worden de straffen uitgesproken, hetzij tegen die rechtspersoon, die vennootschap, die vereniging of dat deelvermogen, hetzij tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven of die feitelijk leiding hebben gehad bij het verboden handelen of nalaten, hetzij tegen hen gezamenlijk.
  2. Een bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gesteld feit wordt onder meer begaan door of vanwege een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, indien zij begaan wordt door personen, die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde handelen in de sfeer van de rechtspersoon, de vennootschap, de vereniging of doelvermogen, ongeacht of deze personen leder afzonderlijk het strafbaar feit hebben begaan, dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van dat feit aanwezig zijn.
  3. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, wordt deze respectievelijk dit tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder en indien er meerdere bestuurders zijn, door een dezer. De vertegenwoordiger kan bij gemachtigde verschijnen. De rechter kan de persoonlijke verschijning van een bepaalde bestuurder bevelen; hij kan alsdan medebrenging gelasten.
  4. Voor wat betreft de bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde feiten worden rechtspersonen voor de toepassing van artikel 20 van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen geacht te wonen, waar zij gevestigd zijn.
  5. Indien een strafvordering wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, geschieden de in het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen voorgeschreven betekeningen, dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen of andere mededelingen aan de persoon of de woonplaats van de bestuurder en indien er meerdere bestuurders zijn, aan een van deze of op de plaats waar het bestuur zitting of kantoor houdt, behoudens, indien het een dagvaarding betreft, overeenkomstig toepassing van artikel 130, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen.
Artikel 20

De strafwetgeving van de Nederlandse Antillen is mede van toepassing op een ieder die zich binnen de visserijzone schuldig maakt aan de bij of krachtens de artikelen 2, 3, 4 en 5 strafbaar gestelde feiten. 

Hoofdstuk VI

Reikwijdte van de landverordening 

Artikel 21

De toepassing van deze landsverordening wordt beperkt door de regels van het volkenrecht. 

Hoofdstuk VII

Overgangs- en slotbepalingen 

Artikel 22

  1. Deze landsverordening is tot het moment van instelling van de visserijzone niet van toepassing buiten de territoriale zee
  2. Het bepaalde in artikel 2, eerste lid, wordt voor personen genoemd in artikel 6, eerste lid, van toepassing twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze landsverordening.
  3. Het bepaalde in artikel 2, eerste lid, wordt voor personen genoemd in artikel 6, tweede lid, van toepassing 4 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze landsverordening.
Artikel 23
  1. Deze landsverordening treedt in werking op een bij landsbesluit te bepalen tijdstip
  2. Zij kan worden aangehaald als "Visserijlandsverordening".
Gegeven te Curaçao, 11 juli 1991 
R.M. DE PAULA

De Minister van Algemene Zaken a.i., 
W.J. KNOPPEL 

De Minister van Justitie 
W.J. KNOPPEL 

Uitgegeven de 16de augustus 1991 
De Minister van Algemene Zaken a.i., 
W.J. KNOPPEL



 

STATEN VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN
---------------------------------------------------------
LANDSVERORDENING houdende regelen in verband met de visserij in de territoriale zee en de visserijzone van de Nederlandse Antillen
(Visserijlandsverordening)
---------------------------------------------------------
MEMORIE VAN TOELICHTING
------------------------

Algemene toelichting

De Nederlandse Antillen beschikken thans niet over wetgeving die specifiek betrekking heeft op de economische exploitatie van vis. In het verleden bestond daaraan ook weinig behoefte. De visserijactiviteiten in de wateren rondom de eilanden waren van betrekkelijk geringe omvang, en er waren geen aanwijzingen dat Zij een bedreiging vormden voor de visstand.

Langzamerhand is hierin verandering gekomen. Door de toegenomen activiteiten, ook van buitenlandse vissersschepen, in de wateren rondom de eilanden is het thans gewenst over te gaan tot regulering van deze activiteiten. Een van de redenen voor de toename van activiteiten van buitenlandse vissersschepen is de instelling, inmiddels door vrijwel alle landen In de Caribische regio, van visserijzones buiten de territoriale zee tot 200 zeemijl uit de kust waarbinnen de visserij door de kuststaat wordt gereguleerd. Alleen Aruba

en de Nederlandse Antillen zijn daartoe nog niet overgegaan, waardoor een zekere verplaatsing van visserijactiviteiten naar de wateren van deze landen heeft plaatsgevonden. Deze situatie Is ongewenst; het is dan ook het voornemen van de regering te bevorderen dat zo spoedig mogelijk tot instelling van een visserijzone voor de Nederlandse Antillen wordt overgegaan. De onderhavige landsverordening zal dan ook eveneens in dat gebied (naast de territoriale zee) van toepassing zijn.

De visserij is thans op de Nederlandse Antillen niet van grote economische betekenis. Desondanks is deze sector van belang daar zij aan een groot aantal mensen werk of neveninkomsten verschaft. ook worden de meeste boten locaal gebouwd hetgeen afgeleide werkgelegenheid genereert. Naar verhouding is er een hoge toegevoegde waarde en dus hoge deviezenbesparing. De sector heeft een veel grotere sociale importantie dan men op grond van alleen het geld dat er mee gemoeid is zou verwachten. Voor de kleine eilanden Saba en St. Eustatius welke d

Op de Saba-bank bestaat het vispotentieel vooral uit demersale soorten (snapper, grouper, kreeft, conch of karkó), terwijl er in de overige wateren een potentieel aan pelagische vissoorten is (tonijnsoorten, zwaardvis, dorado, rainbow runner en haaien).

Een belangrijk voordeel van het beschikken over visserijwetgeving is dat het daardoor mogelijk wordt meer en betere gegevens te verkrijgen over de visvangsten in de Antilliaanse wateren. Dergelijke gegevens zijn onmisbaar voor een verantwoord beheer van de visstapels in onze wateren.

Verwacht mag worden dat, vooral in de aanloopfase maar ook daarna, de opgedane ervaringen met de toepassing van deze verordening kunnen leiden tot aanpassing van deze wetgeving. De verhouding tot de regelgeving op andere terreinen, zoals natuurbeheer en mieubescherming, zal daarbij ook een rol spelen.

Zoals in de considerans staat vermeld beoogt het voorliggende ontwerp de economische exploitatie van vis te reguleren. De bescherming van het mariene milieu en natuurbeheer vallen derhalve buiten de reikwijdte en doelstelling van deze verordening. Dat betekent overigens niet dat met de bescherming van het economisch belang niet tevens belangen van natuur en -milieu kunnen zijn gediend.

Het onderhavige ontwerp is voorbereid door een "Commissie Visserijzone Nederlandse Antillen", ingesteld bij Landsbesluit van 18 december 1989, no. 8510/JAZ, waarin alle vijf Eilandgebieden waren vertegenwoordigd en waarin volledige overeenstemming werd bereikt. Vervolgens hebben alle vijf Bestuurscolleges van de Eilandgebieden- ingestemd met het ontwerp. Het ontwerp is in nauwe samenwerking met prof. mr. A.H.A. Soons, hoogleraar Volkenrecht te Utrecht en directeur van het Netherlands Institute for the Law of the Sea, tot stand gekomen.

Het ontwerp gaat, in navolging van de visserijwetgeving in andere landen, uit van het op 10 december 1982 te Montego Bay gesloten Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (VN Zeerechtverdrag, Trb. 1984, 55). Hoewel dit verdrag nog niet in werking is getreden wordt het algemeen beschouwd, voor wat de onderhavige materie betreft, als een weergave van het geldende gewoonterecht.

Binnen de territoriale zee (tot 12 zeemijl uit de kust) is de kuststaat volledig bevoegd de visserij te reguleren.

In Deel V van het Verdrag, betreffende de zogenaamde "exclusieve economische zone" staan de bepalingen die betrekking hebben op de visserij in zeegebieden voorbij de territoriale zee onder jurisdictie van de kuststaat. Deze komen er in het kort op neer dat de kuststaat gerechtigd is

een zone in te stellen (tot maximaal 200 zeemijl uit de kust) waarin deze de uitsluitende rechtsbevoegdheid uitoefent met betrekking tot visserijaangelegenheden. Vissen mag uitsluitend met toestemming van de kuststaat. Deze laatste is verplicht de visstapels in stand te houden. Hij dient voor zijn zone naar beste vermogen de "total allawable catch" (TAC) vast te stellen. De TAC is de hoeveelheid vis die kan worden gevangen in de visserijzone zonder dat de instandhouding van de vispopulatie in gevaar komt. De kuststaat dient voorts, onder door hem zelf vast te stellen voorwaarden, vissers van andere landen in de gelegenheid te stellen dat deel van de TAC te vangen dat de eigen vissers niet kunnen vangen (het "surplus").

Hoofdlijnen van het ontwerp

Het ontwerp heef t als uitgangspunt dat vissen op commerciële schaal in de territoriale zee en in de visserijzone een vergunning behoeft.

Regulering

De grens van zes bruto registerton is gekozen omdat deze tevens zal worden gehanteerd in het nieuwe Nederlands Antilliaans Zeebrievenbesluit. Aangezien open vaartuigen geen inhoud hebben is voor die gevallen een lengte-grens (twaalf meter) vastgesteld.

De bevoegdheidsverdeling behoef t een korte nadere toelichting. Volgens de ERNA is de visserij te beschouwen als een eilandelijke aangelegenheid. De eilandelijke bevoegdheid strekt zich echter niet uit buiten de territoriale zee. De visserij in de in te stellen visserijzone is derhalve een Landsaangelegenheid. Echter, in bee gevallen (visserij in de territoriale zee en in de visserijzone) zijn er ook elementen van buitenlands beleid (bijvoorbeeld de nakoming van volkenrechtelijke verplichtingen) bij betrokken, derhalve zelfs een Koninkrijksaangelegenheid, die regeling op tenminste Landsniveau rechtvaardigt. Voorts is het met name voor buitenlandse commerciële vissers van belang om voor het zeegebied van de Nederlandse Antillen met één visserijregiem te worden geconfronteerd. Tenslotte vergt de aard van de materie zelf om een overkoepelende regeling — gefragmenteerde regelgeving op dit terrein zou uiterst ineffectief zijn.

Toch is gekozen voor een systeem waarbij de vergunningverlening en regelgeving voor de kleinschalige, locale traditionele visserij blijft voorbehouden aan de Eilandgebieden. Het Land zal voornamelijk als vergunningverlener en regelgever optreden voor de grootschaliger commerciële visserij, verder op zee. Op deze wijze blijft de eilandelijke autonomie voldoende gewaarborgd.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Dit artikel bevat enige definitiebepalingen.
onder het begrip "vissen" wordt slechts begrepen het aanwenden van enig middel om vis te bemachtigen. Dientengevolge vallen handelingen die in het geheel niet als uitoef enen van de visserij dienen te worden beschouwd buiten de reikwijdte van de wet. Dit betekent wel dat in beginsel slechts bij betrapping op heterdaad kan worden opgetreden. Doordat echter het bedrijfsgereed hebben van vistuigen uitdrukkelijk eveneens onder de omschrijving van vissen is gebracht zal in de praktijk de bewijsvoering dat werd gevist (of gepoogd werd vis te vangen) worden vergemakkelijkt.

Krachtens de Machtigingswet instelling visserijzone (Stb. 1977, 345) is de Kroon bevoegd een visserijzone in te stellen. Ten behoeve van Nederland is reeds een visserijzone ingesteld bij het Besluit van 23 november 1977 (Stb. 665) tot uitvoering van de artikelen 1, 2 en 3 van de Machtigingswet instelling visserijzone. De instelling van een visserijzone voor de Nederlandse Antillen, welke bij Algemene Maatregel van Rijksbestuur moet geschieden, is momenteel in voorbereiding.

De in te stellen visserij zone, die zich voorbij de territoriale zee in beginsel mag uitstrekken tot 200 zeemijl (ongeveer 370 kilometer) uit de kust, zal echter door de aanwezigheid van buurlanden nergens tot die afstand reiken. De buitengrens van de visserijzone wordt zoveel mogelijk gevormd door de grenslijn die met andere staten is overeengekomen. Dit is echter thans alleen nog maar geschied met Venezuela (Grensverdrag van 1978, Trb. 1978, 61). Met de navolgende buurlanden zijn nog geen grenslijnen overeengekomen: Dominicaanse Republiek, Verenigde Staten, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en St. Kitts en Nevis. In deze gevallen zal de middellijn als grens gelden totdat de grenslijn bij verdrag is overeengekomen.
Daar waar de territoriale zee van de Nederlandse Antillen grenst aan die van buurlanden (Frankrijk en St. Kitts) geldt eveneens de middellijn als grens. De grens met de visserijzone van Aruba wordt gevormd door de zeegrens vastgesteld bij Rijkswet van 12 december 1985, P.B. 1986, no. 23.

Artikel 2

Het eerste lid stelt een verbod op het vissen in de territoriale zee en in de Visserijzone zonder vergunning. 

Het tweede lid is bedoeld om alle kleinere locale vissersschepen die in de territoriale zee vissen uit te zonderen van het bepaalde in lid 1. Schepen groter dan 6 bruto registerton of 20 m3 inhoud worden bij de scheepvaartinspectie geregistreerd, terwijl de kleinere schepen bij de eilandelijke havendiensten geregistreerd staan. De bepalingen in deze verordening sluiten aan bij deze reeds bestaande situatie. Regulering van de laatste categorie schepen kan indien zulks nodig blijkt per eilandsverordening geschieden.

Ingevolge het derde lid kunnen de verschillende eilanden zelf beslissen of zij de kleinschalige visserij binnen de territoriale zee aan een vergunningstelsel willen onderwerpen, hetzij voor alle vissers. hetzij uitsluitend voor buitenlandse vissers. Een duidelijk vergunningsvereiste kan gewenst zijn in verband met het gebruik van kleine "catcher boats" die vanaf een moederschip, gelegen buiten de territoriale zee, kunnen opereren.

Het zal in de huidige situatie veelal niet wenselijk zijn om ook lokale kleinschalige visserijvaartuigen aan een eilandelijk vergunningsstelsel te onderwerpen, doch deze mogelijkheid dient toch open te worden gelaten om ongewenste situaties die zich in een verdere toekomst zullen kunnen voordoen te kunnen reguleren, er rekening mee houdende dat de wetgeving op de Antillen veelal vele decennia meegaat alvorens herzien te worden. De visserijsituatie in het buitenland leert dat vroeg of laat algehele overexploitatie van de natuurlijke resources optreedt indien de overheid niet sterk regulerend optreedt. Veelal blijkt het nodig als gevolg van de toenemende exploitatiedruk door vissers maar ook door diverse andere belangengroepen die ook- hun impact op het milieu hebben, maatregelen te treffen die tot dan toe onvoorzien, overbodig of zelfs ongewenst, waren.

In de huidige situatie zullen eilandelijke vergunningsregelen waarvan instelling gewenst is, meest aan het gebruik van bepaalde vismethoden gebonden zijn (bijvoorbeeld gebruik van treknetten, gillnets, vangst van aquariumvissen). Ook zullen er eilandelijke regels ten aanzien van vistuigen welke vanaf kleine schepen binnen de territoriale zee gebruikt worden gesteld moeten kunnen worden, evenals maatregelen ter bescherming van bedreigde diersoorten.

Deze eilandelijke regelgeving zal zoveel mogelijk bij het in het Visserijlandsbesluit bepaalde dienen aan te sluiten, doch ook moet rekening gehouden worden met de diverse eilandelijke rifbeheerverordeningen, welke een analoge strekking hebben doch nochtans van eiland tot eiland kunnen verschillen. Er is hier sprake van overlapping van reikwijdte.

Het vierde lid is bedoeld om sportvissers op schepen buiten de 12 mijlszone of schepen groter dan zes bruto registerton uit te zonderen, doch slechts voor zover zij zich bezig houden met sportvisserij en met ten hoogste vier hand of sleeplijnen vissen. Zodra er andere vismethoden van commerciële aard gebruikt worden dienen ook deze schepen een vergunning te hebben. De vangsten van deze sportvissers zijn in verhouding tot commerciële schepen zeer gering zodat uitzondering niet in strijd is met het uitgangspunt dat de visserij op commerciële schaal gereguleerd dient te worden. Voor het geval tijdens viswedstrijden wordt gevist door vaartuigen met -meer dan vier lijnen bevat he

Het vijfde lid bepaalt dat de vergunning door of namens de Minister, gehoord de Visserijcommissie wordt verleend. Teneinde de eilandgebieden zoveel mogelijk inspraak te geven bij de afgifte van vergunningen voor het vissen in de territoriale zee rondom het desbetreffende eilandgebied is de laatste volzin opgenomen.

Ingevolge het zesde lid wordt de vergunning voor het vissen in de visserijzone met kleine vaartuigen verleend door het Bestuurscollege van het Eilandgebied waar de betrokken visser woont. Deze bepaling is vooral opgenomen voor de Sabaanse vissers die op de Saba Bank, buiten de territoriale zee, vissen.

De in het zevende lid opgenomen ontheffingsmogelijkheid houdt verband met verplichtingen voortvloeiend uit het hierboven reeds vermelde Zeerechtverdrag. Bij de advisering omtrent ingediende verzoeken om ontheffing kan een rol worden vervuld door de onlangs ingestelde Nationale Coördinerende Raad voor Zeeonderzoek en Zeeactiviteiten. (P.B. 1990 no. 2).

Het achtste lid dient ertoe de onderzksresultaten mede aan het Land en betrokken eilandgebied ter kennis te doen komen.

Artikel 3

Leden 1 en 2:

Teneinde te voorkomen dat vistuigen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de visstand is in dit artikel de bevoegdheid opgenomen om bij lhndsbesluit, houdende algemene maatregelen, het gebruik van bepaalde vistuigen te reguleren. Tevens wordt de mogelijkheid geschapen om bij landsbesluit regels te stellen met betrekking tot de soorten en minimum maten van vis waarop het is toegestaan te vissen en met betrekking tot de vissoorten welke men niet bij zich mag houden of mag aantasten.

Lid 1 is van toepassing op vergunninghouders en op ieder ander in de visserijzone en regelt het verbod om met bepaalde vistuigen te vissen, alsmede het verbod om op bepaalde vissoorten te vissen of deze te behouden.

Een ieder die in de visserijzone wil vissen moet een vergunning van het land hebben, tenzij het schip vist met maximaal 4 sleep- of handlijnen. Eveneens moeten schepen, groter dan 6 bruto registerton of langer dan 12 m deklengte die binnen de territoriale zee willen vissen een vergunning hebben van het Land. De bepalingen van lid 1 zijn van toepassing binnen de territoriale zee op schepen groter dan 6 bruto registerton of langer dan 12 m deklengte. Tevens echter moeten bepalingen die betrekking. hebben op beschermde diersoorten van kracht zijn voor anderen die vanaf een schip dat geen vissersschip is incidenteel beschermde soorten zouden vangen. Lid 2 (het verbod om bepaalde vistuigen of vissoorten aan boord te hebben) daarentegen is alleen op vergunninghouders van toepassing daar andere schepen zich kunnen beroepen op het recht van vrije doorvaart.

Lid 3

Teneinde een verantwoord visbeleid te kunnen voeren is het noodzakelijk gegevens te verkrijgen van de vergunninghouders met betrekking tot het visgebied, de fishing effort, gevangen soorten en gebruikte vismethoden. Ingevolge het derde lid kunnen bij landsbesluit regels hieromtrent worden vastgesteld.

Artikel 4

Het wordt aan de Eilandgebieden overgelaten de kleinschalige visserij binnen de territoriale zee te reguleren.

De in te stellen Visserijcommissie zal een belangrijke rol dienen te vervullen teneinde de eilandelijke regelingen zoveel mogelijk te uniformeren en hun toepassing te coördineren.

Artikel 5

Het is momenteel niet noodzakelijk een zogenaamd gesloten tijdvak in te voeren. De behoefte daartoe zou zich eventueel wel in de toekomst kunnen opdringen, bijvoorbeeld met betrekking tot het vissen op zwaardvissen, kreeften en schelpdieren. Onderhavig artikel verleent de minister de bevoegdheid om alsdan bij ministeriële regeling een gesloten tijdvak in t

Artikel 6

In dit artikel wordt geregeld aan welke vereisten voldaan moet worden om in. aanmerking te komen voor een visvergunning. Ten eerste zal gekeken worden naar de vispopulatie. Indien het voortbestaan en de natuurlijke ontwikkeling van de visstand zich ertegen verzetten dat meer dan een bepaald aantal beroepsvissers in de visserijzone vissen, zal een volgende aanvraag moeten worden afgewezen. Ten tweede zal gekeken worden naar ingezetenschap van de aanvrager. ondergetekenden achten het wenselijk dat ingezetenen voorrang op een visrecht hebben boven niet ingezetenen. Dit onderscheid wordt uitdrukkelijk erkend door eerder vermeld VN Zeerechtverdrag.

Artikel 7

De artikelen 7 tot en met 11 bevatten enige bepalingen van administratiefrechtelijke aard. Van belang is met name het zesde lid van artikel 7 waarin limitatief intrekkingsgronden worden vermeld.

Het is de bedoeling standaardformulieren te ontwerpen voor het aanvragen van de vergunning en voor de vergunningen zelf.

Artikel 8 

Zonder de bepaling van het eerste lid zou een vergunninghouder met ieder willekeurig vaartuig zijn vergunning kunnen exploiteren. Dit zou het toezicht op de naleving van deze landsverordening te zeer bemoeilijken. In een dergelijke situatie zou immers leder vissend vaartuig gecontroleerd moeten worden op het bezit van een vergunning ten einde te kunnen nagaan of de wet wordt nageleefd. De koppeling van een vergunning aan een bepaald vaartuig zal het werk van de politieboten aanzienlijk verlichten.

Het kan voorkomen dat een vergunninghouder tijdelijk geen gebruik kan maken van zijn vaartuig. Men denke in dit verband o.a. aan reparatiewerkzaamheden voor de duur waarvan de vergunninghouder een ander vaartuig heeft gehuurd. Ingevolge het tweede lid kan een door de Minister aan te wij zen instantie in dergelijke gevallen toestemming verlenen om gebruik te maken van dat andere vaartuig. Het ligt voor de hand dat in dergelijke gevallen uitsluitend wordt toegestaan van een vergelijkbaar (of kleiner) vaartuig gebruik te maken. Indien een vergunninghouder een ander vaartuig aanschaft dat hij permanent wil exploiteren dient hij daarvoor een nieuwe vergunning aan te vragen.

Artikel 10

Met behulp van de krachtens dit artikel verzamelde gegevens zal het mogelijk zijn een goed beeld te vormen van de eerder genoemde "total allowable catch" in de Antilliaanse viswateren. Aan de hand van het statistisch materiaal kan vervolgens het aantal te verlenen of verlengen vergunningen worden vastgesteld.

Voor de goede orde zij erop gewezen dat deze gegevens, voor zover zij individueel traceerbaar zijn, niet voor andere doeleinden (bijvoorbeeld belastingheffing) aan andere instanties ter beschikking mogen worden gesteld. Zie in dit verband ook artikel 14.

Artikel 11

Bij het verlenen of verlengen van een vergunning wordt zoals reeds vermeld rekening gehouden met twee criteria; ten eerste het voortbestaan en de natuurlijke ontwikkeling van de visstand, ten tweede het ingezetenschap. Het tweede criterium verzet zich tegen overdraagbaarheid van de vergunning. Indien dit immers wel mogelijk zou zijn, zouden ingezetenen hun vergunning kunnen vervreemden aan niet-ingezetenen; op deze wijze zou het uitgangspunt van het vergunningstelsel—de voorrang van ingezetenen boven niet-ingezetenen—gefrustreerd worden.

Artikel 12

Een vergunninghouder zal met behulp van zijn visvergunning aanzienlijke geldelijke voordelen kunnen verkrijgen. Anderzijds zal de overheid zich kosten moeten getroosten om de voorwaarden te scheppen en in stand te houden waaronder de vergunninghouder zijn vergunning kan exploiteren. Men denke o.a. aan, de extra werkzaamheden die dat zal inhouden voor de politieboten en voor de Diensten Landbouw, Veeteelt en Visserij. Onderhavig artikel legt de basis voor de heffing van een recht.

Artikel 13

Door instelling van een Visserijcommissie als in dit artikel omschreven, wordt bereikt dat de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de eilandgebieden volledig tot hun recht komen in het te voeren visserijbeleid, waaronder het verlenen van vergunningen voor de commerciële visserij en het uitvaardigen van algemene voorschriften.

Artikel 14

Het derde lid van artikel 3 bepaalt dat bij landsbesluit houdende algemene maatregelen regels kunnen worden gesteld ten aanzien van de gegevens die door de vergunninghouders dienen te worden bijgehouden en de wijze waarop dit dient te geschieden. Ingelge artikel 10 zijn vergunninghouders verplicht statistisch materiaal op verzoek van de door de Minister aangewezen instantie te verstrekken met betrekking tot de omvang en de samenstelling van de vangst alsmede van de vangstgebieden. Het onderhavige artikel bepaalt expliciet dat het een ieder die uit hoofde van deze landsverordening of van het krachtens deze landsverordening bepaalde een taak vervult, verboden is de gegevens en inlichtingen die hij krijgt anderszins gebruik te maken of daarvan anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak strikt noodzakelijk.

Artikel 15

Het economisch voordeel dat kan worden behaald door illegaal te vissen is niet onaanzienlijk. Ten einde te voorkomen dat het ten gevolge van een geringe straf aantrekkelijk wordt om de Landsverordening te overtreden is de maximale geldboete op NAfl. 500.000,= gesteld.

Artikelen 16, 17 en 18

In deze artikelen worden aan toezichthoudende en opsporingsambtenaren bevoegdheden verleend die zij nodig hebben om hun taak te kunnen uitvoeren. Indien de Staten onderhavig ontwerp goedkeuren, is de regering voornemens onder andere enige ambtenaren van de Diensten Landbouw, Veeteelt en Visserij aan te wijzen als toezichthoudend ambtenaar, met name ten behoeve van het toezicht op buitenlandse vissers. De in artikel 17, vijfde lid, bedoelde bevoegdheid behoeft slechts te worden toegekend voor het geval geen ontdekking op heterdaad plaats had, daar het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen deze bevoegdheid reeds geeft bij ontdekking op heterdaad.

Artikel 19

Deze bepaling is geredigeerd naar analogie van de in andere wettelijke regelingen voorkomende bepalingen met betrekking tot strafbaarheid van rechtspersonen.

Artikel 20

De werking van de Nederlands-Antilliaanse strafwet beperkt zich in principe tot het grondgebied en de territoriale zee van de Nederlandse Antillen. Bestraffing van de bij of krachtens de artikelen 2, 3 en 4 strafbaar gestelde feiten zou evenwel illusoir zijn indien de strafwet niet van toepassing zou zijn. Ingevolge het meergenoemde Zeerechtverdrag is. een land bevoegd om binnen zijn visserijzone regels te stellen die noodzakelijk--zijn om zijn rechten in de zone te kunnen uitoefenen. In onderhevig artikel wordt gebruik gemaakt van deze bevoegdheid.

Artikel 21

Deze bepaling houdt onder meer direct verband met artikel 73 van het Zeerechtverdrag. Dat artikel bepaalt immers dat een land overtreding van wetten en voorschriften inzake de visserij, die zijn begaan binnen de visserijzone, niet mag bestraffen met vrijheidsbeneming of andere vormen van lichamelijke straf. Deze beperking is uiteraard enkel van toepassing op overtredingen van niet-ingezetenen en wel voor zover begaan binnen de vis

Artikel 22

Alhoewel er naar gestreefd wordt de inwerkingtreding van deze verordening en van de instelling van de visserijzone (bij Algemene Maatregel van Rijksbestuur) gelijktijdig te doen plaatsvinden biedt het eerste lid de mogelijkheid deze verordening reeds eerder in werking te laten treden, maar dan uitsluitend voor het territoriale zeegebied.

Voorts is het gewenst een overgangstermijn te creëren, na het in werking treden van de verordening, waarbinnen degenen die voortaan een vergunning nodig hebben de gelegenheid hebben deze aan te vragen. Het zal immers praktisch niet uitvoerbaar zijn een ieder terstond na de inwerkingtreding een vergunning te verlenen. De overgangstermijn is bepaald op vier maanden voor buitenlandse vissers en twaalf maanden voor de eigen ingezetenen.

De minister van Algemene Zaken,
 
 

De Minister van Justitie,



 
Ao 1992

PUBLICATIEBLAD
No 108

LANDSBESLUIT, HOUDENDE ALGEMENE MAATREGELEN, van de 5de november 1992 ter uitvoering van de artikelen 3 en 12 van de Visserijlandsverordening (P.B. 1991, no. 74) (Visserijlandsbesluit).



IN NAAM DER KONINGIN!


DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,

           In overweging genomen hebbende:

dat het wenselijk is ter uitvoering van de artikelen 3 en 12 van de Visserijlandsverordening regels te geven omtrent de te vangen vis, te bepalen met welke vistuigen het is toegestaan te vissen, welke gegevens en de wijze waarop deze gegevens door de vergunninghouder dienen te worden bijgehouden, alsmede de wijze van inning van het recht dat aan het land verschuldigd is indien vanwege het land een vergunning wordt verleend;

          Heeft, deRaad van Advies gehoord, besloten:

Artikel 1

In dit landsbesluit wordt verstaan onder:
   landsverordening: de Visserijlandsverordening (P.B. 1991, no. 74);
   vergunninghouder. de vergunninghouder bedoeld in artikel 2 van de landsverordening.

Artikel 2

Het is aan een ieder in de visserijzone, en aan de vergunninghouder tevens in de territoriale zee, verboden te vissen met:

  1. schrobnetten;
  2. visfuiken met een maaswijdte van minder dan 1.5" of 38 mm;
  3. visfuiken die niet zijn voorzien van een ontsnappingsopening welke is afgedekt door een paneel, van biologisch afbreekbaar materiaal, dat na gebruik in zeewater uiteenvalt zodat na een periode van om en nabij 20 dagen een opening in é&
  4. chemische middelen, met uitzondering van Quinaldine indien dit gebruikt wordt voor de vangst van aquariumvissen;
  5. ontplofbare stoffen;
  6. aas bestaande uit vlees van zeezoogdieren;
  7. kieuwnetten met een lengte van meer dan 2,5 km
Artikel 3
  1. Het is aan een ieder in de visserijzone, en aan de vergunninghouder tevens in de territoriale zone, verboden te vissen op:
    1. zeeslakken behorende tot de soort Strombus gigas van minder dan 18 cm lengte; indien de zeeslakken reeds uit de schelp gehaald zijn, dient het minimum gewicht aan vlees 225 gr te bedragen;
    2. alle soorten zeeschildpadden;
    3. alle zeezoogdieren;
    4. kreeften behorende tot de soort Panulirus argus die:
      1. minder dan 25 cm lang zijn, gemeten wanneer zij plat gelegd worden. van de voorrand van de kop tussen de ogen tot aan de boog van de staart;
      2. een carapax lengte van minder dan 9.5 cm hebben;
      3. een totlgewicht van minder dan 680 gr hebben of een staartgewicht van minder dan 200 gr.
  2. Het is verboden kreeften behorende tot de in het eerste lid, onderdeel d, genoemde soort te behouden indien:
    1. zij zich in het vervellingsstadium bevinden;
    2. zij eieren bij zich dragen.
  3. Het is verboden eierdragende kreeften van de in het eerste lid, onderdeel d, genoemde soort van hun eieren te ontdoen.
Artikel 4

De vergunninghouder houdt een verslag van de visactiviteiten bij, dat informatie omtrent het visgebied, de visserij-inspanning, de gevangen soorten en de gebruikte vismethoden omvat. De modellen voor het bedoelde verslag worden door de Visserijcommissie, bedoeld in artikel 13 van de landsverordening, vastgesteld en kosteloos aan de betrokkenen ter beschikking gesteld. Een afschrift van dit verslag wordt binnen 45 dagen na de beëindiging van de vistocht waar het verslag betrekking op heeft aan de Visserijcommissie gezonden. Het verslag kan zonodig ook door de Visserijcommissie opgevraagd worden.

Artikel 5

  1. De hoogte van het recht, bedoeld in artikel 12 van de landsverordening, bedraagt:
    1. voor het vissen met visfuiken voor het vangen van kreeft met duikers, voor het vissen op zeeslakken behorende tot de Strombus gigas, alsmede voor het vissen met bottom en drop longlines op demersale soorten:
      1. met een schip kleiner dan 6 B.R.T. of = deklengte minder dan 12 m,
        • voor de natuurlijke personen en rechtspersonen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de landsverordening: nihil;
        • voor de natuurlijke personen en rechtspersonen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de landsverordening: NAfl. 900,- per jaar,
      2. met een schip van 6 B.R.T. tot 25 B.R.T, of indien het schip kleiner is dan 6 B.R.T. met een deklengte van meer dan 12 m.
        • voor de natuurlijke personen en rechtspersonen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de landsverordening: NAfl. 550,- per jaar,
        • voor de natuurlijke personen en rechtspersonen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de landsverordening: NAfl. 1.800,- per jaar,
      3. met een schip van 25 B.R.T. tot 50 B.R.T.,
        • voor de natuurlijke personen en rechtspersonen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de landsverordening: NAfl. 900,- per jaar,
        • voor de natuurlijke personen en rechtspersonen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de landsverordening: NAfl. 2.700,- per jaar,
      4. met een schip van 50 B.R.T. tot 150 B.R.T. of meer,
        • voor de natuurlijke personen en rechtspersonen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de landsverordening: NAfl. 1.250,- per jaar,

        • <
      5. Voor het vissen met kieuwnetten tot een maximum van 2,5 km lengte:
        • met een schip kleiner dan 25 B.R.T.: nihil;
        • met een schip van 25 B.R.T. tot 50 B.R.T.: NAfl. 900,- per jaar, 
        • met een schip groter dan 50 B.R.T.: NAfl. 1.450,- per jaar.
      6. Voor het vissen met drift longlines:
        • met een schip van 25 B.R.T. tot 50 B.R.T- NAfl. 3.600,-per jaar,
        • met een schip van 150 B.R.T. tot 300 B.R.T.: NAfl. 9.000,- per jaar,
        • met een schip van 300 B.R.T. of groter NAfl. 14.500,-per jaar.
      7. Voor het vissen met ringnetten:
        • met een schip tot 800 B.R.T.: NAfl. 18.000,- per jaar,
        • met een schip van 800 B.R.T. tot 1 000 B.R.T.: NAfl. 27.000,- per jaar,
        • met een schip groter dan 1000 B.R.T.: NAfl. 36.000,- per jaar.
  2. Onder een jaar wordt verstaan een periode van 12 maanden.
  3. De inning van het rechten bedld in het eerste lid, geschiedt door middel van storting van het verschuldigde op een door het Departement van Financiën aangehouden bankrekening.
Artikel 6
  1. Voor het visgebied van de Saba bank zullen voor een periode van 3 jaar na het van kracht worden van dit landsbesluit, vergunningen voor het vissen met de vismethoden genoemd in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, met uitzondering van het vissen met bottom en drop longlines op demersale soorten uitsluitend worden afgegeven aan de natuurlijke personen en rechtspersonen bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de landsverordening.
  2. Voor het visgebied van de Saba bank kunnen vergunningen die het gebruik van de vismethoden genoemd in artikel 5, eerste lid, onderdelen a en b, in zich verenigen, worden afgegeven aan de natuurlijke personen en rechtspersonen bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de landsverordening. Voor deze vergunningen zullen de tarieven en het bepaalde in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van toepassing zijn.
  3. Voor het visgebied rond Curaçao en Bonaire kunnen vergunningen die het gebruik n de vismethoden genoemd in artikel 5, eerste lid, onderdelen a en b, in zich verenigen, worden afgegeven. Voor deze vergunningen zullen de tarieven en het bepaalde in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van toepassing zijn.

  4.  


    Artikel 7

Dit landsbesluit treedt in werking tegelijk met de Visserijlandsverordening (P.B. 1991, no. 74).
    Artikel 8
Dit landsbesluit kan worden aangehaald als: Visserijlandsbesluit.
      

    Gegeven te Curaçao, 5 november 1992
    J. M. SALEH
    De Minister van Algemene Zaken, a.i.
    S.F.C. RÖMER

    De Minister van Justitie,
    S.F.C. RÖMER

    Uitgegeven de 27ste november 1992
    De Minister van Algemene Zaken, a.i.
    S.F.C. RÖMER



 
Nota van Toelichting behorende bij het
Visserijlandsbesluit (P.B. 1992, no. 108).

Algemene toelichting:

In de Visserijlandsverordening (P.B. 1991, no. 74) wordt in de artikelen 3 en 12 het stellen van nadere regels ten aanzien van de daar genoemde onderwerpen opgedragen aan een landsbesluit, houdende algemene maatregelen.

Bij het onderhavige ontwerp-landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt hieraan uitvoering gegeven door in de artikelen 2 en 3 regels te geven omtrent de te vangen vis en de vistuigen waarmee mag worden gevist. Tevens wordt in artikel 4 bepaald welke gegevens door de vergunninghouders dienen te worden bijgehouden in het verslag van de visactiviteiten. Verder zijn in artikel 5 de tarieven opgenomen die de diverse soorten vissersschepen voor hun vergunning dienen te betalen.

De ondergetekende hecht eraan met betrekking tot dit verslag van de visactiviteiten hier nog eens te herhalen wat reeds in de memorie van toelichting behorende bij de Visserijlandsverordening is gezegd: dat één van de doelstellingen van de onderhavige regelgeving is, het mogelijk te maken meer en betere gegevens te verkrijgen over de visvangsten in de Antilliaanse wateren. Deze gegevens kunnen mede worden gebruikt om als basis te dienen voor de planning van de exploitatie van deze visstapels door Nederlands-Antilliaanse schepen.

De in dit landsbesluit gestelde regels sluiten zoveel mogelijk aan bij wat elders in het Caribisch gebied gebruikelijk is. Deze regels zijn van toepassing op schepen met een inhoud van meer dan 6 bruto register ton (B.R.T.) of meer dan 12 meter deklengte die vissen in de territoriale zee, en op alle schepen die vissen in de visserijzone.

De regels welke betrekking hebben op zeeslakken behorende tot de soort Strombus gigas, kreeft en visfuiken hebben voornamelijk betrekking op de situatie op de Sababank, waar op demersale vissoorten wordt gevist buiten de territoriale zee doch binnen de visserijzone. Demersale vissoorten zijn vissoorten welke voor hun visserijzone. Demersale vissoorten zijn vissoorten welke voor hun voortbestaan van de nabijheid van zeebodems afhankelijk zijn, in tegenstelling tot pelagische vissoorten.

Een ieder die vist binnen de visserijzone en ook degene die vist in de territoriale zee met een vaartuig met een inhoud groter dan 6 B.R.T. of langer dan 12 meter deklengte dient een vergunning te hebben, tenzij het schip vist met maximaal 4 sleeplijnen.

De verboden, bedoeld in de artikelen 2 en 3 van het ontwerplandsbesluit, gelden voor de vergunninghouder zowel in de visserijzone als in de territoriale zee.

Deze regels die mede betrekking hebben op beschermde diersoorten moeten ook van kracht zijn voor anderen die vanaf een schip dat geen vissersschip is in de visserijzone incidenteel beschermde soorten zouden vangen. Daarom is bepaald dat de artikelen 2 en 3 behalve op de vergunninghouder ook van toepassing zijn op ieder ander die vist in de visserijzone. Artikel 4 daarentegen is alleen op vergunninghouders van toepassing.

De eilandgebieden kunnen bij eilandsverordening voor schepen met een inhoud van minder dan 6 B.R.T., die binnen de territoriale zee-vissen, soortgelijke regels vaststellen.

Voor het zeegebied rond Curaçao en Bonaire en ook voor de diepzee gebieden buiten de Sababank, geldt dat buitenlandse vissersschepen voornamelijk zwaardvis en tonijn driftlongliners zullen zijn, alsmede rond voornamelijk Curacao en Bonaire ook incidenteel schepen die vissen met ringnetten (purse seiners). (zie verder)

Er is voor gekozen om in het landsbesluit de Engelse termen "driftlongline", "bottomlongline" en "droplongline" te gebruiken omdat hiervoor geen juist Nederlands equivalent bestaat, dat precies dezelfde betekenis heeft. Daar deze termen in de Nederlandse Antillen volkomen zijn ingeburgerd zal dit geen problemen opleveren.

In het landsbesluit worden voor verschillende dieren en zaken benamingen gebruikt die afwijken van de in de Nederlandse Antillen ingeburgerde benamingen, het wordt wenselijk geacht in deze toelichting zulks te verduidelijken.

Zo staan zeeslakken behorende tot de soort Strombus gigas op de Benedenwinden bekend onder de naam carco en op de Bovenwinden onder de naam conch. OP de Benedenwinden spreekt men in plaats van over visfuiken, over kanasta's en op de Bovenwinden over fish traps of fish pots, terwijl de Spaanse benaming hiervoor nasa is. Verder wordt in plaats van de in artikel 4 genoemde term "visserij- inspanning" in de Nederlandse Antillen gesproken over fishing effort.
 

Artikelsgewijze toelichting.

Artikel 2

    1. Schrobnetten (dragnets) zijn netten welke uit stalen ringen of staalkabels bestaan en die voornamelijk gebruikt worden om schelpdieren en andere sessiele bodemdieren (dieren die aan de bodem vastzitten) van de bodem los te rukken. Op het type zee- bodem welke men rond de Nederlandse Antillen aantreft zijn dit soort netten zeer destructief.
    2. Het is moeilijk om maaswijdtes voor visfuiken vast te stellen omdat met dit soort fuiken een veelheid van verschillende soorten wordt gevangen waarbij in feite voor iedere soort een andere maaswijdte zou moeten gelden. Op verschillende visgronden kunnen er argumenten zijn om andere maas-wijdtes aan te houden. De gekozen minimum maaswijdte van 1,5" of 38 mm is dezelfde die in de zogenaamde "Harmonised fisheries legislation" van de Eastern Caribbean States wordt aangehouden, dit lijkt een goed compromis. In andere gebieden gelden wat grotere minimum maaswijdten (45 mm). Het maaswijdteprobleem moet niet los gezien worden van andere ontsnappingsmogelijkheden zoals beschreven onder c.
    3. De omschrijving van het biologisch afbreekbaar materiaal is niet te strak genomen omdat er nieuwe materialen speciaal voor dit doel ontwikkeld worden, welke naar verwachting spoedig in de handel zullen komen. Materialen zoals canvas, katoen, jute of triplex kunnen voor dit doel gebruikt worden.
    4. Het komt de laatste jaren voor dat dolfijnenvlees als longline-aas gebruikt wordt. Dit vlees is goed herkenbaar daar het myoglobine bevat en hierdoor donkerrood is.
    5. Deze bepaling sluit aan bij resolutie no 44/225 (22 Dec. 1989) van de algemene vergadering van de Verenigde Naties dat een moratorium op het gebruik van "large- scale pelagic drif tnets on the high seas" ingesteld heeft.

    6. Teneinde ongewenste bijvangsten te beperken en om het verlies van netpanelen (welke blijven doorvissen) tegen te gaan, is het verbod opgenomen in dit artikelonderdeel op alle soorten kieuwnetten (ook genoemd warnetten, of in het Engels: gillnet) van toepassing. Een zeer groot kieuwnet kan niet adequaat gemonitored worden. Een kieuwnet langer dan 2,5 km wordt beschouwd als een large- scale net. (Tarawa Declaration, Wellington Convention).


Artikel 3, eerste lid,

b. Bedoeld worden voornamelijk:
      - Chelonia mydas (Green turtle of Soepschildpad);
      - Caretta caretta (Loggerhead);
      - Eretmochelys imbricata (Hawksbill of Karetschildpad);
      - Dermochelys coriacea (Leatherback of Leerschildpad);
      - Lepidochelys olivacea (Olive ridley);
      - Lepidochelys kempi (Kemps ridley).
      De laatste twee soorten zijn zeldzaam en komen in het Nederlands-Antilliaanse zeegebied in principe niet voor.
    c. Bedoeld worden: dolfijnen, walvissen en de manatee. Deze laatste komt in principe in het Nederlands-Antilliaanse zeegebied niet voor.

    d. De carapaxlengte is de lengte van het kop-romp segment.

Artikel 5

Er zijn diverse soorten vissersschepen die kunnen verschillen al naargelang de vismethoden die gebruikt worden, en de grootte. Zo zijn er kleine traditionele vissersschepen, schepen die met fuiken vissen, bottomlongliners, zwaardvis en tonijn driftlongliners, schepen die met ringnetten vissen (purse seiners) op bijvoorbeeld tonijn, en er bestaan zelfs zeer grote purse seiners die helikopters gebruiken. Getracht is om deze verschillen in het tarievensysteem zo goed mogelijk te verwerken. om deze redenen lopen de tarieven niet lineair met de grootte, zoals bijvoorbeeld het geval zou zijn bij een heffing per B.R.T. Er is naar gestreefd de verschillen in economisch potentieel welke afhankelijk zijn van de verschillen in visgronden, vismethoden, te vangen vissoorten en de grootte van het vissersschip zo goed mogelijk in het tarievensysteem te verwerken.

De Minister van Algemene Zaken,

De Minister van Justitie.